De etenstijd in Schotland, zestig jaar geleden, was ten twee ure. Het
was dus ongeveer vier uur op even aangenamen herfstmiddag, dat de heer
Gilfillan zijn tocht voortzette, in de hoop dat, ofschoon Stirling
achttien mijlen ver lag, hij in staat zou zijn, dien avond dáar aan te
komen, als men een paar uren van den nacht doormarcheerde. Hij spande
alle pogingen in en trok moedig op, aan het hoofd van zijn volk,
terwijl hij van tijd tot tijd een blik op onzen held wierp, alsof hij
verlangde met hem in dispuut te komen. Eindelijk, buiten staat de
verzoeking te wederstaan, vertraagde hij zijn pas, tot hij naast het
paard van zijn gevangene was, en na eenige weinige schreden
stilzwijgend aan zijn zijde gegaan te hebben, vroeg hij op eens: – „Kan
je me ook zeggen, wie de kerel was met den zwarten rok en het gekrulde
haar, bij den heer van Cairnvreckan?”
„Een Presbyteriaansch geestelijke,” antwoordde Waverley.
„Presbyteriaan! zeg een ellendige Erastiaan, of liever een vermomde
prelatist, – een begunstiger van die jammerlijke Indulgentie, – een
dier stomme honden, die niet kunnen blaffen; ze geven een gil van
verschrikking, een gesnater van troost in hunne predikatiën, zonder
eenigen zin, geur of leven. – Jij bent zeker ook in die kudde opgevoed,
naar ik denk?”
„Neen, ik ben van de Engelsche Kerk,” zeide Waverley.
„O, dat is zoo wat hetzelfde,” antwoordde de Covenanter, „en dus geen
wonder dat ze zoo wel met elkander zijn. Wie zou gedacht hebben dat het
goede gebouw der Schotsche Kerk, door onze vaderen in 1642 opgetrokken,
door vleeschelijke belangen en het bederf der tijden, zou zijn
verwoest? Ach, wie zou gedacht hebben, dat het gesneden werk des
heiligdoms zoo spoedig zou zijn omvergeworpen!”
Op deze jammerklacht, die een paar uit het gezelschap met een diepen
zucht begeleidden, achtte het onze held onnoodig iets te antwoorden.
Waarop de heer Gilfillan, die wilde dat hij ten minste een toehoorder,
zooal geen tegenspreker zijn zou, met zijn Jerimiade voortging.
„En nu, is het te verwonderen, als, door gebrek aan oefening, ten
aanzien van de roeping tot den dienst en de dagelijksche plichten, de
predikanten tot zondige toegevendheid vervallen omtrent patroonaten en
vrijheden en eeden en verbonden en andere verderfelijke dingen? Is het
te verwonderen, vraag ik, dat gij, mijnheer, en andere soortgelijke
ongelukkige wezens, u bezig houdt om uw eigen Babel der ongerechtigheid
op te bouwen, even als in de bloedige vervolging- en moorddagen? Ik
vertrouw, dat, zoo ge niet verblind waart door de gunsten en
voordeelen, de diensten en genietingen, en ambten en bezittingen dezer
booze wereld, ik u met den Bijbel zou kunnen bewijzen, op welke prullen
en vodden gij uw vertrouwen stelt; en dat uwe koorkleeden, uwe
tabbaarden en kerkgewaden slechts afgescheurde versierselen zijn van de
groote hoer, die op de zeven heuvelen zit en uit den beker des gruwels
drinkt. Doch ik twijfel niet, of gij zijt zoo doof als een adder aan
dat oor; ja, gij zijt gevangen door hare betooveringen, en gij drijft
handel met hare koopwaren, en gij zijt dronken door den beker harer
ontucht!”
Hoe lang nog de theologische krijgsman op deze wijze zou zijn
uitgevaren, niemand sparende dan het verstrooide overblijfsel van zijne
eigene secte, is geheel onzeker. Zijn stof was rijk, zijn stem sterk en
zijn geheugen onuitputtelijk; zoodat er weinig hoop bestond dat hij
zijn vermaning zou eindigen, voor dat de afdeeling Stirling bereikte,
indien zijn aandacht niet getrokken ware geworden door een marskramer,
die zich langs een zijweg bij hem gevoegd had, en met groote
regelmatigheid zuchtte of steunde bij elke voegzame gelegenheid onder
’s mans leerrede.
„Maar wie zijt gij toch, vriend?” vroeg de bezielde Gilfillan.
„Een arme marskramer, die naar Stirling moet, en verzoekt om de
bescherming van uwe manschappen, in deze bange tijden. Och! edele heer!
gij bezit een schoone gave ter nasporing en verklaring van de geheime,
och ja, de geheime en onbegrijpelijke oorzaken van het verval des
lands; ja, gij, edele heer, raakt den wortel zelven van het kwaad.”
„Vriend,” zeide Gilfillan op veel zachter en welwillender toon, dan hij
tot hiertoe gebezigd had, „geef mij zoo’n hoogen titel niet; ik ga niet
uit naar de kasteelen en de dorpen en de vlekken, om de menigte en de
boeren en de burgers hunne mutsen voor mij te zien afnemen, gelijk ze
doen voor majoor Melville van Cairnvreckan, en mij edele heer of
kapitein, of hoogedelgestreng te laten noemen; – neen, mijn kleine
bezitting, die niet boven de twintig duizend mark beloopt, neemt toe
onder den Goddelijken zegen, maar de hoogheid van mijn hart is daarmede
niet toegenomen; ook houd ik er niet van, „kapitein” genoemd te worden,
ofschoon ik de aanstelling als zoodanig bezit, onderschreven door den
goeden Evangeliegezinden edelman, den graaf van Glencairn, waarin ik
zoo betiteld word. Zoo lang ik leef, ben ik, en wil ik genoemd worden
Habakuk Gilfillan, die vast denkt te staan in de leer, vastgesteld door
de van ouds beroemde Kerk van Schotland, voor dat zij handelde met den
gevloekten Achaz – zoo lang hij een duit in zijn beurs, of een droppel
bloeds in zijn lichaam heeft.”
„Och,” zei de marskramer; „ik heb uw land gezien bij Mauchlin – een
vruchtbare plek! uw angels zijn gevallen in liefelijke plaatsen! – en
zulk vee vindt ge op geen ander land geheel Schotland door.”
„Ge spreekt de waarheid, – ge spreekt de waarheid, vriend,” hernam
Gilfillan verrukt; want bij was, op dit punt, niet ontoegankelijk voor
vleierij. „Ge spreekt de waarheid; het zijn echte Lancastershire
koeien, en haars gelijken zijn er niet, zelfs niet op de velden van
Kilmaurs. En hierop trad hij in een beschouwing van haar
voortreffelijkheden, die onze lezers waarschijnlijk even zoo
onverschillig zullen zijn, als ze onzen held waren. Na dezen uitstap,
keerde de aanvoerder van den troep weder tot zijn godgeleerde
beschouwingen terug, terwijl de marskramer, niet zoo goed in deze
diepzinnige zaken onderlegd, zich tevreden hield met zuchten en het
betuigen zijner stichting, zoo vaak daartoe gelegenheid was.
„Welk een zegen zou het zijn voor de arme, verblinde Paapsche volken,
onder welke ik verkeerd heb, indien ze zulk een licht op hunne paden
hadden! Ik ben zelfs in Moskovie geweest, om den wille van de kleine
koopmanschap die ik gedreven heb; en ik heb Frankrijk en de Nederlanden
en Polen en het grootste gedeelte van Duitschland doorgereisd, en, o!
het zou den edelen heer in de ziele grieven, het geprevel te hooren en
het gezang en het gelees van missen in de kerken, en het gespeel op de
straten en het Heidensche gedans en gedobbel op den sabbath!”
Deze uitroep schonk Gilfillan de gelegenheid om uit te weiden over het
Boek der Vermaken en het Covenant, over de Engagisten, de Protestanten
en den inval der Whiggamoren, over de vergadering der theologanten te
Westminster, den grooten en den kleinen catechismus, den kerkban van
Torwood, en eindelijk over den moord van den Aartsbisschop Sharp. Dit
bracht hem weder op de wettigheid van wapens ter zelfverdediging, bij
welk onderwerp hij veel meer verstand aan den dag legde, dan zich uit
vele andere deelen van zijn rede verwachten liet, zoodat dit zelfs
Waverley’s aandacht trok, die tot hiertoe in zijn eigene treurige
overdenkingen verzonken was geweest. De heer Gilfillan overwoog
vervolgens de wettigheid daarvan, dat een ambteloos persoon zou
optreden als bestrijder der openbare verdrukking; en terwijl hij met
grooten ernst de zaak bepleitte van Mac James Mitchell, die een
pistoolschot had gelost op den Aartsbisschop van St. Andreas, eenige
jaren voordat Magus Muir dezen prelaat vermoord had, viel er iets voor,
waardoor zijn rede werd afgebroken.
De laatste zonnestralen schitterden nog aan den gezichteinder, toen de
afdeeling een hollen weg en een vrij steil pad insloeg, hetwelk naar
den top van een heuvel leidde. Het land was open, want het maakte een
gedeelte van een zeer uitgebreid heiveld of gemeente weide uit; maar
het was ver van effen of vlak, terwijl het op een aantal plaatsen
kuilen met brem en heesters gevuld, en weder op andere, kleine dalen
vol kreupelhout opleverde. Een boschje van de laatste soort kroonde ook
den heuvel, waartegen de afdeeling oprukte. De voorsten van de bende,
die de knapste en vlugste waren, hadden reeds de hoogte bereikt en
waren thans buiten het gezicht. Gilfillan, met den marskramer en de
kleine partij, die Waverley’s meer onmiddellijke wacht uitmaakten,
waren digt bij den top van den heuvel genaderd, en het overige gedeelte
slenterde hun, op een aanmerkelijken afstand, na.
Zoodanig was de staat van zaken, toen de marskramer, die zooals hij
zeide, een klein hondje vermiste, bleef stilstaan en om het dier begon
te fluiten. Dit meer dan eens herhaalde sein ergerde zijn gestrengen
reisgezel, te meer omdat het onoplettendheid verried met betrekking tot
de schatten van godgeleerde kennis, welke hij te zijner stichting
uitpakte. Hij gaf dus tamelijk ruw te kennen, dat hij zijn tijd niet
kon verspillen met wachten op een nutteloozen rekel.
„Maar als de edele heer belieft te letten op het geval met Tobias?” –
„Tobias!” riep Gilfillan, met vuur; „Tobias en zijn hond zijn beide
heidens en apokrief, en niemand dan een prelatist of papist zou die
aanhalen. Ik vrees dat ik mij in u bedrogen heb, vriend!”
„Zeer waarschijnlijk,” antwoordde de marskramer, met groote
bedaardheid; „maar evenwel zal ik de vrijheid nemen om nogmaals den
armen hond te fluiten.”
Dit laatste sein werd op een weinig verwachte wijze beantwoord, want
een achttal stevige Hooglanders, die in de struiken en tusschen het
kreupelbosch loerden, sprongen in den hollen weg en vielen hen met
hunne zwaarden aan. Gilfillan, niet verdacht op deze onverwachte
verschijning, riep dapper uit, „Het zwaard des Heeren en van Gideon!”
en zou, terwijl hij zijn sabel trok, waarschijnlijk zoo veel eer gedaan
hebben aan de oude goede zaak, als de beste onder de dappere
kampvechters te Drumclog [119], toen de marskramer, die een geweer van
den naast hem staanden man greep, de kolf er van met zoo veel geweld op
het hoofd van zijn onderwijzer in de geloofsbelijdenis der Cameroniers
liet neêrkomen, dat deze oogenblikkelijk ter aarde zeeg. In de hierop
volgende verwarring werd het paard, dat onzen held droeg, neêrgeschoten
door een van Gilfillans manschappen, die zijn geweer in het wild
losbrandde. Waverley viel met en onder zijn paard, en ontving eenige
zware kneuzingen. Maar hij werd bijna oogenblikkelijk van onder het
gevallen ros door twee Hooglanders weggetrokken, die, terwijl zij hem
elk bij een arm grepen, hem wegrukten van de kampplaats en van den
grooten weg. Zij liepen met grooten spoed, terwijl ze onzen held half
steunden, half droegen, die van tijd tot tijd nog eenige losse schoten,
op de plaats, welke hij verlaten had, vernam. Deze kwamen, zoo als hij
naderhand hoorde, van Gilfillans afdeeling, die zich nu verzameld had,
daar de afgedwaalden naar voren en achteren zich bij de overigen
gevoegd hadden. Op hunne nadering weken de Hooglanders; maar niet voor
dat zij Gilfillan en twee van zijn volk, die zwaar gewond op de plaats
achterbleven, hadden uitgeplunderd. Eenige weinige schoten werden
tusschen hen en de Westlanders gewisseld; maar de laatsten, thans
zonder aanvoerder, en beducht voor eene tweede hinderlaag, deden geene
ernstige poging om hun gevangene terug te krijgen, daar ze het
verstandiger oordeelden hun tocht naar Stirling voort te zetten,
terwijl ze hun gewonden kapitein, en kameraden met zich voerden.