Toen majoor Melville het ongewenschte tromgeroffel hoorde, opende hij
haastig een schuifdeur, en trad op een soort van terras, dat zijn huis
scheidde van den weg, van waar de krijgsmuziek zijn ooren getroffen
had. Waverley en zijn nieuwe vriend volgden hem, ofschoon hij misschien
hun bijzijn wel kon missen. Spoedig ontwaarden zij een plechtigen
optocht, eerst den trommelslager, vervolgens eene groote vlag, in vier
afdeelingen gescheiden, waarop de woorden, verbond, kerk, koning,
koningrijken met groote letters te lezen stonden. De persoon, die de
eer had het vaandel te dragen, werd gevolgd door den bevelhebber der
afdeeling, een schraal, somber man met een streng uitzigt, en omstreeks
zestig jaar oud. De geestelijke hoogmoed, welke in den kastelein uit de
Kandelaar in een soort van verwaande schijnheiligheid was overgegaan,
werd, op het gelaat van dezen man, verhoogd en overschaduwd door
oprechte en ontwijfelbare dweepzucht. Het was onmogelijk hem te zien,
zonder dat de verbeelding hem te midden van een of andere vreemde
crisis verplaatste, waarin godsdienstijver de hoofdrol speelde. Een
martelaar aan de paal, een soldaat in het veld, een eenzaam en
verbannen zwerveling, door de kracht en veronderstelde zuiverheid van
zijn geloof getroost over ieder aardsch gemis; misschien een
wreedaardige inquisiteur, even verschrikkelijk in de uitoefening zijner
macht, als onbuigzaam in den tegenspoed; voor al deze rollen scheen dit
personaadje bijzonder geschikt. In weerwil van deze sterke trekken, had
hij een gemaakte afgepastheid en deftigheid van uitdrukking en
manieren, die aan het belachelijke grensde; zoodat, naarmate van de
stemming waarin men hem ontmoette, en het licht waarin zich Gilfillan
vertoonde, men voor hem gesidderd, hem bewonderd of om hem gelachen zou
hebben. Zijne kleeding was die van een boer uit de Westelijke
graafschappen, wel is waar, van betere stof dan die der laagste
standen, maar in geen opzicht noch naar de mode van den tijd, noch naar
die der Schotsche fatsoenlijke wereld, van welke eeuw ook. Zijne
wapenen bestonden in een sabel en pistolen, welke, wegens hun
ouderwetsch maaksel, de nederlaag hadden kunnen bijwonen van
Pentland-hill of van Bothwell-Brigg.
Hij deed eenige schreden voorwaarts, om majoor Melville te gemoet te
treden, en toen hij plechtig, maar slechts eventjes, zijne geweldige
groote en over de oogen hangende blauwe muts aanraakte, ter
beantwoording van den groet des Majoors, die beleefdelijk zijn kleinen
driekanten hoed met gouden zoom had opgeligt, kon Waverley het
denkbeeld niet weêrstaan, dat hij een aanvoerder der Rondhoofden van
eertijds aanschouwde, in gesprek met een van Marlboroughs kapiteins.
De troep van omstreeks dertig gewapende mannen, die dezen bezielden
aanvoerder volgde, was van tamelijk gemengde soort. Zij droegen de
gewone Laaglandsche kleeding van verschillende kleuren, welke, in
tegenstelling met hunne wapens, hun een ongeregeld voorkomen, als van
een oproerigen hoop, gaven: zoo zeer is het oog gewend om eenvormigheid
van kleeding bij een militairen stoet te wachten. In het front bevonden
zich eenige mannen, die blijkbaar de geestdrijverij van hun leidsman
deelden, voorzeker vreeselijk in een strijd, waarbij hun aangeboren
moed door godsdienstijver verhoogd werd. Andere liepen met het hoofd in
den nek en stapten als hanen, trotsch op het gewigtige voorrecht om de
wapens te mogen dragen en op de nieuwheid van de positie, terwijl de
overigen, oogenschijnlijk vermoeid door den marsch, hunne ledematen
traag voortsleepten, of van hunne kameraden afdwaalden, om de
verfrisschingen te zoeken, die de naburige woningen en kroegen
opleverden. „Zes grenadiers van Ligonier’s,” dacht de majoor bij
zichzelven, terwijl hij een terugblik wierp op zijn eigene militaire
loopbaan, „zouden deze knapen heel spoedig het hazenpad doen kiezen.”
Terwijl hij den heer Gilfillan echter beleefd groette, verzocht hij te
mogen weten, of hij den brief had ontvangen, dien hij hem op zijn
marsch had toegezonden, en of hij de zorg voor den staatsgevangene,
daarin vermeld, tot aan het kasteel van Stirling kon op zich nemen.
„Ja,” luidde het beknopte antwoord van den Cameronischen aanvoerder,
met eene stem die uit de penetralia van zijn persoon scheen voort te
komen.
„Maar uw escorte, mijnheer Gilfillan, is niet zoo sterk, als ik
verwacht had.”
„Een deel van het volk,” hernam Gilfillan, hongerde en dorstte op, den
weg, en toefde tot hunne arme zielen verkwikt waren door het Woord.”
„Het spijt mij, mijnheer,” antwoordde de Majoor, „dat gij met het
verkwikken uwer lieden niet tot Cairnvreckan gewacht hebt; alles wat
mijn huis bevat, is ter beschikking van mannen, die zich in ’s Konings
dienst bevinden.”
„Ik sprak niet van de verkwikkingen van den uitwendigen mensch,” hernam
de andere, terwijl hij majoor Melville aanzag, met iets dat naar een
minachtenden glimlach zweemde, „intusschen dank ik u; maar het volk
bleef wachten op den dierbaren heer Jabesh Rentowel, en het uitspreken
van de namiddagspreek.”
„En hebt gij, mijnheer,” zeide de Majoor, „terwijl de rebellen op het
punt staan om zich over dit landschap te verspreiden, wezenlijk een
groot deel van uwe manschappen bij eene veldpredikatie gelaten?”
Gilfillan grijnsde op nieuw met minachting, terwijl hij dit
dubbelzinnig antwoord gaf, – „Alzoo zijn de kinderen dezer wereld
wijzer dan de kinderen des lichts in hun geslacht.”
„Intusschen, mijnheer,” zei de Majoor, „daar gij dezen heer naar
Stirling hebt te brengen, en hem, met deze papieren, in handen van den
gouverneur Blakeney te leveren, verzoek ik u eenige regelen van
krijgstucht in acht te nemen op uw marsch. Bij voorbeeld, ik zou u
raden uwe manschappen meer aaneen gesloten te houden, zoo dat elk zijn
nevenman dekken kan, in plaats van door elkander te loopen als ganzen
op een gemeentewei; en, om niet overvallen te worden, beveel ik u
verder aan, een kleine voorhoede van uw beste manschappen te vormen,
met een enkele vidette in het front, zoo dat, als gij een dorp of bosch
nadert,” – hier viel de Majoor zichzelf in de rede – „maar daar ik niet
zie, dat gij naar mij luistert, mijnheer Gilfillan, zoo kan ik mij de
moeite besparen, om meer over deze zaak te zeggen. Gij zijt, zonder
twijfel, een beter beoordeelaar van de noodige maatregelen dan ik; maar
éen ding hoop ik, dat gij wel in acht zult nemen, dat gij dezen heer,
uw gevangene, met geen gestrengheid of onbeleefdheid behandelt, en hem
aan geen anderen dwang onderwerpt, dan noodig is om hem te bewaren.”
„Ik heb mijn lastbrief ingezien,” hernam de heer Gilfillan,
„onderteekend door een waardig en vroom edelman, Willem graaf van
Glencairn, en ik zie daarin niet vermeld, dat ik eenige lasten of
bevelen, betreffende mijn handelingen, te ontvangen heb van majoor
William Melville van Cairnvreckan.”
Majoor Melville werd rood tot achter zijn welgepoederde ooren, die
onder zijn nette militaire pruik voor den dag kwamen, en dit te meer,
daar hij bespeurde dat de heer Morton op hetzelfde oogenblik
glimlachte. „Mijnheer Gilfillan,” antwoordde hij met eenige scherpheid,
„ik verzoek tienduizendmaal verschooning, dat ik mij met de zaken van
zulk een gewichtig persoon, als gij zijt, bemoeid heb. Ik dacht
evenwel, dat, daar gij grootgebracht zijt als vetweider, zoo ik het
niet mis heb, er gelegenheid zou kunnen zijn, om u het onderscheid
tusschen Hooglanders en Hooglandsch vee te herinneren, en zoo het
gebeuren mocht dat gij een of ander fatsoenlijk man ontmoettet, die den
dienst kende, zou ik mij nog al verbeelden dat, als gij naar hem
luisterdet, het u in het geheel geen kwaad zou doen. Maar ik heb het
mijne gezegd, en behoef nog slechts dezen heer zoo wel aan uwe
beleefdheid, als aan uwe hoede aan te bevelen. – Mijnheer Waverley,”
voegde de Majoor er bij, „het smart mij inderdaad, dat wij op deze
wijze moeten scheiden: maar ik vertrouw, dat, zoo gij eens weder in
deze streken komt, ik in staat zal zijn, om Cairnvreckan aangenamer
voor u te maken, dan de omstandigheden bij deze gelegenheid hebben
veroorloofd.”
Dit zeggende, drukte hij onzen held de hand. Morton nam insgelijks een
hartelijk afscheid, en nadat Waverley zijn paard bestegen had, met een
soldaat die het aan den toom leidde, en een rij aan weerszijde om zijn
ontsnapping te beletten, begon hij zijn tocht met Gilfillan en zijn
troep. Zoolang ze in het dorpje waren werd hun uitgeleide gedaan door
het gejouw der kinderen, en het geschreeuw: „He! kijkt den
Zuidlandschen heer, die men gaat ophangen omdat hij langen Jan
Mucklewrath, den smid, heeft doodgeschoten!”