EEN VERTROUWDE.

Waverley sleet een onrustigen nacht, terwijl hij door duizenderlei

verwarde droomen gekweld werd. Nauwelijks was hij des morgens ontwaakt,

of hij kwam tot volkomene bewustheid van het gevaar van zijn toestand.

Hoe alles eindigen zou, wist hij niet. Misschien zou hij aan een

militaire rechtbank overgeleverd worden, waarvan, te midden van den

burgeroorlog, niet verwacht kon worden, dat zij zeer nauwgezet zou zijn

in de keuze harer slachtoffers, of in het onderzoek der feiten. Ook

gevoelde hij zich weinig meer op zijn gemak bij de gedachte, dat hij

terechtgesteld kon worden voor een Schotsch hof van justitie, waar hij

wist dat de wetten en vormen in een aantal opzichten van die van

Engeland verschilden, en waar hem geleerd was te gelooven, hoezeer ook

ten onrechte, dat de vrijheden en rechten der onderdanen minder

zorgvuldig werden beschermd. Een gevoel van bitterheid verhief zich in

zijn hart tegen het Bewind, dat hij als de oorzaak beschouwde van het

gevaar, waarin hij gewikkeld was; en inwendig vervloekte hij de

nauwgezetheid, die hem belet had Mac-Ivors uitnoodiging te volgen om

hem in het veld te vergezellen.

„Waarom,” dacht hij in zich zelven, „gebruikte ik niet, als andere

mannen van eer, de eerste gelegenheid, om den afstammeling van

Engelands oude koningen en den erfgenaam van hun troon welkom te

heeten? Waarom,

Waarom roeide ik terstond niet de oproerplant

Met wortel uit, en riep verzaakte trouw

Terug, en zocht Prins Karel op, en wierp

Mij hem te voet?”

„Al wat de geschiedenis ons leert van den roem en de verdiensten van

het huis van Waverley, is gegrond op hunne onwrikbare trouw aan het

Huis van Stuart. Uit de wijze, waarop deze Schotsche magistraat de

brieven van mijn oom en vader heeft uitgelegd, blijkt duidelijk, dat ik

ze had moeten opnemen als eene uitnoodiging om den weg mijner

voorvaderen te betreden; en het is mijn dwaze onnoozelheid geweest,

gevoegd bij de dubbelzinnige uitdrukkingen, die ze veiligheidshalve

bezigden, welke mijn oogen hiervoor gesloten heeft. Had ik de eerste

goede ingeving mijner verontwaardiging gevolgd, toen ik vernam, dat men

mijn eer wilde aantasten, hoe anders zou mijn toestand zijn! Ik zou dan

vrijwillig in de gelederen zijn, strijdende, gelijk mijn voorouders,

voor liefde, recht en roem. En nu ben ik hier, gevangen en verstrikt,

ter beschikking van een achterdochtig, strak en koud mensch, om welligt

overgebracht te worden naar een eenzame, sombere gevangenis, of aan de

schande eener openbare terechtstelling te worden overgegeven. O Fergus,

hoe waar blijkt thans uwe voorspelling, en hoe spoedig, hoe

allerspoedigst is ze vervuld!”

Terwijl Eduard met deze smartelijke overdenkingen vervuld, zeer

natuurlijk, ofschoon juist niet zeer rechtvaardig, den blaam op het

regeerende huis wierp, die slechts aan het toeval, of, ten minste

gedeeltelijk, aan zijn eigen onnadenkend gedrag was toe te schrijven,

maakte de heer Morton gebruik van majoor Melville’s verlof, om hem een

morgenbezoek te brengen.

Waverley’s eerste gevoel en gedachte was, te kennen te geven, dat hij

verlangde met geene vragen of eenig gesprek lastig te worden gevallen;

maar hij veranderde van gedachten, zoodra hij het goedhartig en

eerwaardig voorkomen van den geestelijke opmerkte, die hem reeds voor

het dreigende geweld der dorpelingen beschermd had.

„Ik geloof, mijnheer,” zei de ongelukkige jongeling, „dat ik, in iedere

andere omstandigheid, u zoo veel dankbaarheid verschuldigd zou zijn,

als mijn leven waard is; maar mijn geest is zoo geheel verward, ik ben

zoo vervuld met hetgeen ik waarschijnlijk te wachten heb, dat ik u voor

uwe tusschenkomst ter nauwernood dank kan zeggen.”

De heer Morton antwoordde, „dat, wel verre van eenige aanspraak te

komen maken op zijn erkentelijkheid, het zijn eenige wensch, en het

eenige doel van zijn bezoek was, om middelen te beramen om hem van

dienst te zijn. Mijn uitmuntende vriend, majoor Melville,” ging hij

voort, „gevoelt en handelt als krijgsman en openbaar ambtenaar, door

welke banden ik niet gebonden ben; ook kan ik niet altijd instemmen met

de begrippen die hij, misschien met al te weinig toegevendheid omtrent

de zwakheden der menschelijke natuur, schijnt op te vatten.” Hij zweeg

een oogenblik, en ging daarna voort: „Ik dring mij niet op als uw

vertrouwde, mijnheer Waverley, met het oogmerk om de eene of andere

omstandigheid te vernemen, waarvan de kennis voor u of anderen nadeelig

zou kunnen wezen; maar ik betuig u dat het mijn vurigst verlangen is,

met eenige omstandigheden bekend te worden, die tot uwe

verontschuidiging zouden kunnen strekken. Ik kan u plechtig verzekeren,

dat ze bij mij zullen zijn bewaard als bij een getrouw, en, zoover zijn

vermogens reiken, ijverig behartiger uwer belangen.”

„Gij zijt, mijnheer, naar ik vermoed, een Presbyteriaansch

geestelijke?” – De heer Morton boog. – „Indien ik mij door de

vooroordeelen der opvoeding leiden liet, zou ik uwe vriendelijke

betuigingen, in mijn geval, kunnen wantrouwen; maar ik heb opgemerkt,

dat gelijke vooroordeelen in dit land gevoed worden tegen uwe

ambtgenooten van de Episcopale belijdenis, en ik ben gereed om ze van

weerskanten voor ongegrond te houden.”

„Schande over hem die anders denkt,” zei de heer Morton, „of die

kerkbestuur en plechtigheden voor het onderpand van Christelijk geloof

of zedelijke deugd houdt!”

„Maar,” ging Waverley voort, „ik begrijp niet, waarom ik u zou lastig

vallen met het verhalen van bijzonderheden, waaruit ik, na ze zoo

zorgvuldig mogelijk voor mijn geest teruggeroepen en overdacht te

hebben, maar weinig weet op te helderen, van hetgeen men mij ten laste

legt. Ik weet zeker, dat ik onschuldig ben, maar ik zie bezwaarlijk in,

hoe ik hopen kan dàt te bewijzen.”

„Juist daarom, mijnheer Waverley, waag ik het uw vertrouwen te vragen.

Ik heb een groot aantal kennissen onder de bewoners dezer landstreek,

en als het noodig is, kan dat nog worden uitgebreid. Uw toestand zal,

vrees ik, u beletten die noodzakelijke stappen, tot het verkrijgen van

licht of het ontdekken van bedrog te doen, die ik gaarne voor u zou

willen ondernemen; en zoo u mijn pogingen al niet mochten baten, kunnen

ze u althans geen nadeel doen.”

Waverley was, na eenige minuten nadenkens, overtuigd, dat het stellen

van vertrouwen in den heer Morton, voor zoo ver het hem zelf aanging,

noch Bradwardine noch Fergus zou kunnen schaden, daar beide openlijk de

wapenen tegen het Bewind hadden opgevat, en dat het, zoo de betuigingen

van zijn nieuwen vriend zoo goed gemeend waren, als hij verzekerde,

welligt eenigzins nuttig voor hem kon zijn. Hij doorliep daarom

kortelijk de meeste gebeurtenissen, waarmede de lezer reeds bekend is,

terwijl hij van zijn liefde tot Flora, en inderdaad van haar, noch van

Rosa Bradwardine in der loop van zijn verhaal zelfs niet in de verte

gewaagde.

De heer Morton scheen bijzonder getroffen door het verslag van

Waverley’s bezoek bij Donald Bean Lean. „lk verheug mij,” zeide hij,

„dat gij deze omstandigheid niet aan den Majoor hebt medegedeeld. Zij

is juist geschikt om in een zeer verkeerd licht geplaatst te worden

door dezulken, die geen acht slaan op den invloed welke de

nieuwsgierigheid en een opgewonden verbeelding op het gedrag der jeugd

uitoefenen. Toen ik iemand van uw leeftijd was, mijnheer Waverley, zou

een dergelijke halsbrekende tocht (ik vraag u verschooning voor het

woord) onuitsprekelijke bekoorlijkheden voor mij gehad hebben. Maar er

zijn menschen in de wereld, die niet gelooven willen, dat men zich

dikwijls aan gevaar en vermoeienis blootstelt, zonder eenige bepaalde

reden, en die bijgevolg aan daden van anderen beweegredenen

toeschrijven, welke geheel en al van de waarheid afwijken. Deze Bean

Lean is door het geheele land als een soort van Robin Hood bekend; zijn

behendigheid en stoutheid maken het onderwerp der vertellingen uit, die

men elkander des winters in het hoekje van den haard doet. Men kan niet

ontkennen dat hij talenten bezit, verre boven den onbeschaafden stand

waarin hij zich beweegt; en daar hij niet zonder eerzucht en niet zeer

nauwgezet in zijn handelingen is, zal hij zich, tijdens deze

ongelukkige bewegingen, door alle mogelijke middelen trachten te

onderscheiden.” – De heer Morton teekende thans zorgvuldig op de

verschillende bijzonderheden van Waverley’s zamenkomst met Donald Bean,

en de overige omstandigheden, die hij hem medegedeeld had.

De belangstelling, die deze brave man aan den dag scheen te leggen in

zijn ongeluk, en vooral het volle vertrouwen, dat hij in zijn onschuld

scheen te stellen, brachten er natuurlijk niet weinig toe bij om

Eduards stemming te verzachten, daar de koelheid van den heer Melville

hem op het denkbeeld gebracht had, dat de geheele wereld tegen hem

samenspande, om hem te verpletteren. Hij drukte den heer Morton met

warmte de hand, en, hem verzekerende, dat zijn vriendelijkheid en

deelneming zijn hart van een zwaren last bevrijd hadden, zeide hij dat,

wat ook zijn eigen lot wezen mocht, hij tot een familie behoorde, die

zoowel dankbaarheid bezat als de macht om er de bewijzen van te

leveren. De ernst zijner dankbaarheid lokte tranen in de oogen des

waardigen geestelijken, die dubbel belang stelde in de zaak, waarvoor

hij vrijwillig zijn diensten had aangeboden, nu hij het echte,

ongeveinsde gevoel van zijn jongen vriend had opgemerkt.

Eduard vroeg thans, of de heer Morton wist waarheen men hem

waarschijnlijk zou overbrengen.

„Naar het kasteel van Stirling,” antwoordde zijn vriend; „en dit doet

mij om uwentwil genoegen, want de Gouverneur is zacht van aard en een

man van eer. Maar, ik ben niet zoo gerust over uwe behandeling onder

weg; majoor Melville is, zijns ondanks, verplicht de bewaking van uw

persoon aan iemand anders toe te vertrouwen.”

„Dat verheugt mij. Ik haat dien koelbloedigen, berekenende Schotschen

magistraat. Ik hoop dat we elkander nooit weêr zullen ontmoeten: hij

gevoelt noch deelneming in mijn onschuld noch in mijn ongeluk; en de

versteenende nauwkeurigheid, waarmede hij iederen vorm der beleefdheid

in acht neemt, terwijl hij mij met zijn vragen, zijn vermoedens en zijn

gevolgtrekkingen martelt, was niet minder hatelijk dan de pijnbank der

inkwisitie. Verdedig hem niet, waarde heer, want dat kan ik met geen

geduld aanhooren; zeg mij liever, wie belast zal worden met zulk een

belangrijken staatsgevangene, als ik ben?”

„Ik geloof, dat het zekere Gilfillan wezen zal, een van de secte,

waaraan men den naam van Cameroniers geeft.”

„Ik heb er nooit van gehoord.”

„Zij geven voor die nauwgezetter en strenger Presbyterianen te

vertegenwoordigen, welke, in de dagen van Karel II en Jacobus II,

weigerden gebruik te maken van de Tolerantie of Indulgentie, gelijk die

genoemd werd, welke aan anderen van dien godsdienst werd verleend. Zij

hielden vergaderingen in het open veld, en daar ze door het Schotsche

Bewind met veel hardheid en wreedheid behandeld werden, vatten ze meer

dan eens onder de regeering dezer beide Koningen, de wapens op. Ze

ontleenen hun naam van hun aanvoerder, Richard Cameron.”

„Ik herinner het mij. – Maar deed de zegepraal van het

Presbyterianisme, bij de omwenteling, deze secte niet te niet gaan?”

„In geenen deele; die groote gebeurtenis bleef verre beneden hetgeen ze

zich voorstelden; want ze wilden niets minder dan de Kerk volgens de

gronden van het oude Plechtige Verbond en Covenant inrichten.

Inderdaad, ik geloof dat ze niet recht wisten wat ze wilden; maar daar

ze in die dagen vrij talrijk, en niet onbekend waren met de behandeling

der wapens, zoo hielden ze zich bij elkander, als een afzonderlijke

partij in den staat, en hadden, ten tijde der vereeniging van Engeland

met Schotland bijna een zeer onnatuurlijk verbond aangegaan met hunne

oude vijanden, de Jacobieten, om dien belangrijken nationalen maatregel

tegen te werken. Sedert dien tijd is hun aantal trapsgewijze afgenomen;

maar men treft nog een menigte van hen in de westelijke landschappen

aan, en verscheidenen, thans beter gezind dan in 1707, hebben de wapens

opgevat ten voordeele van het Bewind. Deze Gilfillan, dien ze „de

Bezielde” noemen, is lang een hunner aanvoerders geweest, en staat

thans aan het hoofd eener kleine afdeeling, welke heden of morgen hier

doortrekt, op weg naar het kasteel van Stirling, en majoor Melville is

voornemens u onder die bewaking te laten reizen. Ik zou u wel gaarne

aan Gilfillan willen aanbevelen; maar daar hij al de vooroordeelen van

zijn secte met de moedermelk heeft ingezogen, en hij zelf een

geestdrijver is, zou hij weinig acht slaan op het verzoek van een

Erastiaanschen Godgeleerde, gelijk hij mij beleefdelijk heeten zou. –

En nu, vaarwel, jonge vriend; ik moet voor het oogenblik van de

toegevendheid des Majoors niet te veel vergen, opdat hij mij het verlof

niet weigere, om u in den loop van den dag nogmaals een bezoek te

brengen.”

Waverley(#75933) · 第 73 / 156 题