Majoor Melville had den heer Morton, bij zijn verhoor van Waverley,
doen blijven, zoowel omdat hij begreep dat zijn geoefend verstand,
gevoegd bij zijn erkende Koningsgezindheid, hem van dienst zou kunnen
zijn, als omdat het aangenaam was, een getuige, wiens eerlijkheid en
waarheidsliefde boven alle verdenking verheven waren, te hebben bij een
zaak waarmede de eer en veiligheid van een jong Engelschman van hoogen
rang en familie, den aanstaanden erfgenaam van een groot fortuin op het
spel stonden. Hij wist dat men iederen stap streng zou nagaan, en het
was zijn voornaamste streven de rechtvaardigheid en vlekkeloosheid van
zijn eigen gedrag buiten alle mogelijke verdenking te houden.
Toen Waverley zich verwijderd had, zetten de Majoor en de Predikant van
Cairnvreckan zich zwijgend aan hun avondmaaltijd neder. Zoolang de
knechts hen bedienden, wilde geen van beide een woord zeggen over de
zaak, waarmede zij geheel vervuld waren, hoewel zij het evenmin
gemakkelijk vonden, over iets anders te praten.
Waverley’s jeugd en blijkbare openhartigheid staken zeer af bij de
verdenking die op hem rustte; en hij bezat een soort van naïveteit en
vrijmoedigheid, welke eigen scheen aan iemand die met de doolhoven der
staatkundige kuiperijen nog geheel onbekend was, – wat niet weinig ten
zijnen voordeele pleitte.
Beide dachten over de bijzonderheden van het verhoor na, en beschouwden
ze in het licht van hun eigene meeningen. Beide waren mannen van een
vlugge en scherpzinnige bevatting, en beide even goed in staat, om
verschillende argumenten aan te halen en daaruit de noodzakelijke
gevolgen af te leiden. Maar het groote verschil dat er bestond in den
aard hunner bezigheden en in de wijze waarop zij opgevoed waren, bracht
dikwijls een niet minder groote verscheidenheid te weeg, wanneer zij
hunne gevolgtrekkingen op aangenomen veronderstellingen grondden.
Majoor Melville had een gedeelte van zijn leven bij het leger en in
vestingen doorgebracht; was ambtshalve waakzaam en door de ondervinding
voorzichtig geworden; had veel kwaads in de wereld gezien en was dus,
schoon zelf een eerlijk magistraat en een braaf man, in zijn oordeel
over anderen dikwijls maar al te streng. De heer Morton, daarentegen,
had de letterkundige studiën op de hoogeschool, waar hij bij al zijn
medeleerlingen en leermeesters geacht was, vaarwel gezegd voor zijn
rustig en kalm beroep, waar hij slechts weinig gelegenheid had om kwaad
op te merken, terwijl hij er nooit bij stil stond, dan om tot berouw en
verbetering aan te sporen. Zijn gemeenteleden beantwoordden den
liefderijken ijver dien hij te hunnen behoeve aan den dag legde met
liefde en eerbied, gelijk zij steeds voor hem trachtten te bedekken,
wat ze wisten dat hem het grootste verdriet zou veroorzaken: het
verzaken van de plichten, die het zijne roeping was aan te kweeken.
Daarom was het een algemeen zeggen in de nabuurschap, dat de Majoor in
zijn dorp alleen het kwade, en de Predikant, schoon men van beide
mannen evenveel hield, alleen het goede kende.
Ook onderscheidde zich de predikant van Cairnvreckan door liefde tot de
letteren, ofschoon hij deze beneden zijn kerkelijke studiën en plichten
stelde, en dit had aan zijn geest, in vroeger dagen, een tintje van het
romaneske gegeven, hetwelk ten gevolge van latere gebeurtenissen in het
dagelijksch leven niet geheel was verloren gegaan. Het vroegtijdig
verlies eener beminnelijke jonge vrouw, die hij uit liefde gehuwd had,
en die spoedig in het graf gevolgd werd door een eenig kind, strekte,
zelfs in den loop der jaren, om zijn aangeboren zachten en nadenkenden
aard in het een en ander nog meer te bevestigen. Het is dus niet te
verwonderen dat zijn gewaarwordingen, bij de tegenwoordige gelegenheid,
aanmerkelijk verschilden van die van den strengen tuchtmeester, den
nauwgezetten ambtenaar en den man die weinig vertrouwen in de menschen
stelde.
Toen de bedienden zich verwijderd hadden, duurde het zwijgen van beide
zijden voort; totdat majoor Melville, terwijl hij zijn glas vulde, en
den heer Morton de flesch toeschoof, aldus het gesprek begon:
„Een jammerlijke zaak, mijnheer Morton; ik vrees dat dit jonge mensch
zich een strop om den hals heeft geworpen.”
„God geve van neen!” antwoordde de geestelijke.
„Van harte, amen!” hernam de Majoor, „maar ik verbeeld me, dat zelfs uw
barmhartige logica de conclusie bezwaarlijk ontkennen zal.”
„Zeker, majoor, na al wat wij heden avond gehoord hebben, zie ik niet
in waarom we niet zouden hopen dat dit ongeluk voorkomen moge worden.”
„Waarlijk? – Maar, mijn goede dominé, gij zijt een van diegenen, die op
iederen misdadiger het benefictum clericorum wel zoudt willen toepassen
[118].”
„Zonder eenigen twijfel zou ik dat: genade en lankmoedigheid zijn de
gronden der leer, die ik geroepen ben te verkondigen.”
„Uit een godsdienstig oogpunt, behelst deze leer waarheid; maar het
verleenen van genade aan een misdadiger kan een groote
onrechtvaardigheid jegens de maatschappij zijn. Ik spreek niet van
dezen jongen man in het bijzonder. Ik hoop van harte dat hij zich zal
kunnen zuiveren, want zijn zedigheid bevalt me, zoowel als zijn gevoel
van eigen waarde, Maar ik vrees, dat hij in den strik geloopen is.”
„En waarom? Honderden misleide edellieden zijn thans tegen het Bewind
onder de wapens; velen, ongetwijfeld, ten gevolge van beginselen, door
opvoeding en vroeg ingezogen vooroordeel met den naam van
vaderlandsliefde en heldendeugd verguld; – de Justitie, als ze hare
slachtoffers uit zulk een menigte kiest, (want gewis zullen niet allen
worden uitgeroeid) moet op het zedelijk beginsel zien; – laat hij, wien
eerzucht, of hoop op persoonlijk voordeel ertoe gebracht heeft, om de
rust van een welgeordend Bewind te verstoren, als een slachtoffer der
wet vallen; maar voorzeker mag deze jonge man door de dolzinnige
droomen van riddereer en ingebeelde trouw misleid, aanspraak op genade
maken.”
„Wanneer die droomen van riddereer en ingebeelde trouw in de termen van
hoogverraad vallen, ken ik geen rechtbank ter wereld, beste mijnheer
Morton, voor welke ze zich zouden kunnen vrijpleiten.”
„Maar ik kan in het geheel niet zien, dat de schuld van dezen jongeling
genoegzaam bewezen is.”
„Omdat uw goed hart uw gezond verstand benevelt. Let wel. Deze jonkman
– afstammende van een geslacht van erfelijke Jacobieten; zijn oom, het
hoofd der Torys in het graafschap **; zijn vader, een weggejaagde en
ontevreden hoveling; zijn leermeester, een onbeëedigd geestelijke en de
schrijver van twee verraderlijke werken – deze jonkman, zeg ik, treedt
in dienst bij de dragonders van Gardiner, terwijl hij met zich een
corps jonge lieden van zijns ooms landgoederen brengt, die geene
zwarigheid gemaakt hebben, om in hunne twisten met hunne kameraden, op
hunne wijze uit te komen voor de beginselen, door hen op
Waverley-Honour ingezogen. Voor deze jonge lieden heeft Waverley de
meeste oplettendheid; ze worden van geld voorzien, boven hetgeen een
soldaat noodig heeft en met de krijgstucht bestaanbaar is, en zijn
onder het bestuur van een begunstigden wachtmeester, door wien ze een
ongewoon nauwe gemeenschap met hun kapitein onderhouden, en zich
gedragen, als waren ze onafhankelijk van de overige officieren en
verheven boven hunne kameraden.”
„Dit alles, waarde Majoor, is het natuurlijk gevolg van hunne
gehechtheid aan hun jongen landheer, en omdat ze zich bij een regiment
bevinden, hoofdzakelijk in het noorden van Ierland en in het westen van
Schotland geworven, en bij gevolg onder kameraden, geneigd om met hen
te kibbelen, niet slechts als Engelschen maar ook als leden van de
Engelsche Kerk.”
„Voortreffelijk gesproken, dominé! – Ik wenschte wel dat sommige leden
van uwe Synode u hoorden. – Maar laat mij voortgaan. De jonkman
verkrijgt verlof, gaat naar Tully-Veolan – de beginselen van den baron
van Bradwardine zijn tamelijk wel bekend; om er niet van te gewagen,
dat de oom van dezen jongen hem in het jaar vijftien uit den nood
redde; – daar geraakt hij in een twist, waarbij men verhaalt dat hij de
uniform die hij droeg, geschandvlekt heeft. – Kolonel Gardiner schrijft
hem, eerst zacht, daarna scherp; (ik geloof wel, dat gij niet twijfelen
zult dat hij het gedaan heeft, daar hij het zelf zegt) – de officieren
van zijn regiment verzoeken hem hun een opheldering te geven omtrent
den twist, waarin hij betrokken is geweest – hij antwoordt noch zijn
overste, noch zijn kameraden. Intusschen worden zijn manschappen
oproerig en verzetten zich tegen de krijgswet, en eindelijk, toen het
gerucht van dien ongelukkigen opstand algemeen wordt, ontdekt men dat
zijn begunstigde wachtmeester Houghton en nog een andere knaap in
briefwisseling zijn met een Franschen zendeling, zooals hij zegt,
gevolmachtigd door kapitein Waverley, die, volgens de bekentenis van
den man zelven, hen aanspoort met den troep te deserteeren en zich bij
hun kapitein te voegen, die Prins Karel vergezelt. Intusschen houdt
deze kapitein, dit voorbeeld van eerlijkheid, zich, zoo als hij zelf
verklaard heeft, te Glennaquoich, bij den werkzaamsten, geslepensten en
meest volslagen Jacobiet in geheel Schotland op; hij vergezelt hem ten
minste op hun berucht jacht-rendez-vous, en ik vrees nog een weinig
verder. In den tusschentijd worden hem nog twee brieven gezonden; in
den éen wordt hem kennis gegeven van den oproerigen geest van zijn
troep, terwijl de ander het stellige bevel behelst naar zijn regiment
terug te keeren, hetgeen toch het gezond verstand hem reeds moest
hebben voorgeschreven, zoodra hij het oproer rondom zich het hoofd zag
opsteken. Hij antwoordt met eene bepaalde weigering, en zendt zijn
ontslag uit den dienst in.”
„Hij was reeds uit den dienst ontslagen,” merkte de heer Morton op.
„Maar hij komt er in dien brief voor uit, hoe het hem spijt, dat men
hem reeds was voorgekomen,” hernam Melville. „Zijn bagage wordt, in
zijn garnizoen en op Tully-Veolan, in beslag genomen, en men vindt er
een verzameling van venijnige Jacobietische pamfletten in, genoegzaam
om een geheel land te vergiftigen, behalve nog de ongedrukte
pennevruchten van zijn waardigen vriend en leermeester, den heer
Pembroke.”
„Hij zegt dat hij ze nooit gelezen heeft,” antwoordde de Predikant.
„In een gewoon geval, zou ik hem gelooven,” vervolgde de
magistraatspersoon, „want ze zijn even dom en pedant wat den vorm
betreft, als ze verderfelijk van inhoud zijn. Maar kunt ge u
verbeelden, dat iets anders, dan ingenomenheid met de beginselen, die
ze verkondigen, een Jonkman van zijn jaren zou kunnen bewegen zulke
prullen met zich rond te slepen? Vervolgens, nu er tijding komt dat de
oproerlingen in aantocht zijn, begeeft hij zich op reis, in een soort
van vermomming, terwijl hij weigert zijn naam te zeggen; en, indien die
oude dweeper de waarheid spreekt, vergezeld door een allezins
verdachten knaap, en gezeten op een paard, dat bekend staat als het
eigendom te zijn geweest van Glennaquoich, terwijl hij daarenboven
brieven bij zich heeft van zijne familie, die verregaande verbittering
tegen het Huis van Brunswijk aan den dag leggen, en een afschrift van
verzen tot lof van zekeren Wogan, die den dienst van het Parlement
verzaakte, om zich bij de Hooglandsche opstandelingen te voegen, toen
zij de wapens voerden tot herstel van het Huis van Stuart, met een
korps Engelsche ruiterij – de volkomen tegenhanger van zijn eigen
complot – en opgeroepen met een: Ga en doe gij desgelijks! door dien
getrouwen onderdaan en onschadelijken, vreedzamen man Fergus Mac-Ivor
van Glennaquoich, Vich Ian Vohr, en zoo voorts. En eindelijk,” ging
majoor Melville voort, die hoe langer zoo warmer werd, naarmate hij
zijn bewijzen uiteenzette, „waar vinden wij nu dit tweede exemplaar van
den kavalier Wogan? Wel, juist op den geschiktsten weg om zijn
voornemen te volvoeren, en den eersten den besten van ’s Konings
onderdanen neêrschietende, die het waagt hem naar zijn bedoelingen te
vragen.”
De heer Morton, zoo als een voorzichtig man betaamt, onthield zich ooit
zelfs de minste tegenbewijzen aan te voeren, daar hij begreep dat ze
den ambtenaar van het gerecht slechts zouden verharden in zijn
gevoelen, en vroeg eenvoudig, „wat hij met zijn gevangene dacht te
doen?”
„Dit is een tamelijk moeielijke vraag als ik den toestand van het land
in aanmerking neem.”
„Zoudt gij hem, (daar hij zulk een fatsoenlijk jonkman is,) niet hier
in uw huis buiten alle gevaar kunnen houden, tot deze storm overwaait?”
„Mijn beste vriend, uw huis, noch het mijne, zal lang buiten gevaar
zijn, al ware het ook wettig hem hier op te sluiten. Ik heb zoo even
vernomen, dat de Opperbevelhebber, die de Hooglanden binnengerukt is om
de opstandelingen op te zoeken en te verstrooien, hen bij Corryerick
geen slag heeft durven leveren, en, met al de beschikbare macht van het
Bewind, noordwaarts optrekt naar Inverness, John o’Groath’s House, of
de drommel weet waarheen, waardoor de weg naar het Laagland open en
onbeschermd tegen het Hooglandsche leger gebleven is.”
„Goede Hemel! Is de man een lafaard, een verrader of een stommerik?”
„Geen van drieën, geloof ik. Hij heeft den moed van een gewoon soldaat,
is eerlijk genoeg, doet wat hem bevolen wordt, maar is evenmin in staat
om op zijn eigen verantwoording te handelen, in omstandigheden van
belang, als ik, mijn lieve dominé, om uw kansel te beklimmen.”
Deze belangrijke tijding leidde het gesprek natuurlijk, voor eenigen
tijd, van Waverley af; eindelijk evenwel werd het onderwerp weder
opgevat.
„Ik geloof,” zeide majoor Melville, „dat ik dezen jongen man moet
medegeven aan een der afzonderlijke partijen vrijwilligers, die onlangs
uitgezonden zijn om de kwalijk gezinde districten in bedwang te houden.
Ze worden nu naar Stirling teruggeroepen, en een klein korps komt
morgen of overmorgen hier langs, onder bevel van den Westlander – hoe
heet hij? – gij hebt hem gezien, en van hem gezegd, dat hij de echte
type was van een van Cromwell’s militaire heiligen.”
„Gilfillan, de Cameronier. Ik hoop dat de jongen veilig in diens handen
zal zijn. In drift en in het vuur der hartstochten gebeuren er vreemde
dingen, in zulk een tijd als deze; en ik vrees dat Gilfillan tot een
aanhang behoort, die vervolging geleden heeft, zonder daaruit lessen
van barmhartigheid te putten.”
„Hij zal slechts belast worden den heer Waverley naar het kasteel van
Stirling over te brengen; ik zal strenge bevelen geven om hem goed te
behandelen. Ik kan inderdaad geen beter middel bedenken, om hem in
veiligheid te brengen, en ik verbeeld mij, dat gij mij toch den raad
niet zoudt geven, om de verantwoordelijkheid op mij te nemen van hem op
vrije voeten te stellen?”
„Maar gij hebt er niet tegen, dat ik hem morgen eens alleen bezoek?”
„Neen, stellig niet; uwe denkwijze en karakter staan mij borg. Maar met
welk doel doet gij dat verzoek?”
„Eenvoudig, om de proef te nemen, of hij er niet toe te brengen is, om
mij eenige omstandigheden mede te deelen, welke hierna kunnen dienen,
om zijne schuld te verlichten, zoo al niet uit te wisschen.”
Thans scheidden de vrienden en begaven zich ter ruste, beide met
ernstige onrust over den toestand des lands vervuld.