Majoor Melville van Cairnvreckan, een bejaard heer, die zijn jeugd in
den krijgsdienst had gesleten, ontving den heer Morton met veel
vriendelijkheid en onzen held met veel beleefdheid, die evenwel door de
dubbelzinnige omstandigheden, waarin Eduard geplaatst was, gedwongen en
koel was.
Nadat men de kwetsuur van den smid had onderzocht, en bemerkte dat ze
inderdaad van weinig beteekenis scheen te zijn, en dewijl de
omstandigheden, waaronder ze toegebracht was, de daad tot een bloot
middel van zelfverdediging hadden gemaakt, begreep de Majoor de zaak
als afgedaan te mogen beschouwen, indien Waverley hem een kleine som
voor den gewonde ter hand stelde.
„Ik wenschte wel, mijnheer,” ging de majoor voort, „dat mijn
verplichting hier ophield; maar ik mag niet nalaten eenig nader
onderzoek te doen naar het oogmerk van uwe reis door deze streken, in
dezen ongelukkigen en onrustigen tijd.”
Thans trad Ebenezer Cruickshanks voor, en deelde den magistraat alles
mede, wat hij wist of vermoedde, uit Waverley’s achterhoudendheid en
Callum Beg’s ontduikende antwoorden. Hij wist, zeide hij, dat het door
Eduard bereden paard aan Vich Ian Vohr behoorde, ofschoon hij Eduards
vorigen knecht dit niet had durven zeggen, uit vrees dat hij den een of
anderen nacht huis en stallen boven zijn hoofd zou zien afbranden, door
dat goddelooze ras, de Mac-Ivors. Hij besloot met zijn eigene diensten
aan Kerk en Staat op te vijzelen, daar hij, in Gods hand, het middel
geweest was, (zoo drukte hij zich zedig uit) om dezen verdachten en
gevaarlijken boosdoener aan te houden. Hij liet niet na zijn hoop te
kennen te geven op toekomende vergelding en dadelijke vergoeding voor
verlies van tijd, en zelfs van goeden naam, dewijl hij ten beste van
den Staat op den biddag had moeten reizen.
Hierop antwoordde majoor Melville met groote bedaardheid, dat, wel
verre van aanspraak te maken op eenige verdienste in dit geval,
kastelein Cruickshanks een zeer zware boete had af te bidden, omdat hij
nagelaten had, ingevolge eener pas uitgevaardigde proclamatie, aan den
naastbijwonenden overheidspersoon verslag te geven van iederen
vreemdeling, die in zijn herberg kwam; dat, daar kastelein Cruickshanks
zoo zeer op godsdienstigheid en getrouwheid aan den Koning snoefde, hij
dit gedrag niet aan kwade gezindheid wilde toeschrijven, maar het
slechts daarvoor houden, dat zijn ijver voor Kerk en Staat in slaap
gesust was door de gelegenheid, om een vreemdeling met dubbele
paardenhuur te bezwaren; maar, zich onbevoegd achtende om alleen over
het gedrag van een burger van zoo veel gewicht te beslissen, zou hij
dit besparen voor de overweging der aanstaande assise-zittingen. – Nu
zegt onze geschiedenis, voor het tegenwoordige, niets meer van den
waard uit den Kandelaar, dan dat hij teleurgesteld en ontevreden naar
huis terugkeerde.
Hierop beval majoor Melville den dorpelingen zich te verwijderen, met
uitzondering van twee, die den post van gerechtsdienaars waarnamen, en
die hij beval beneden te blijven wachten. Het vertrek werd dus door
allen ontruimd, uitgenomen door den heer Morton, wien de Majoor
noodigde te blijven, benevens een soort van handlanger, die voor klerk
speelde, en Waverley zelf. Er volgde een pijnlijke en gedwongen pauze;
tot dat Majoor Melville, terwijl hij Waverley met groot medelijden
aanzag, en telkens een papier, of memorandum raadpleegde, dat hij in de
hand hield, verzocht zijn naam te mogen weten. –
„Eduard Waverley.”
„Dat dacht ik al; onlangs gediend hebbende bij de ** dragonders, neef
van Sir Everhard Waverley van Waverley-Honour?”
„Dezelfde.”
„Mijnheer, het spijt mij zeer, dat deze onaangename plicht mij is
tebeurt gevallen.”
„De plicht, majoor Melville, maakt alle verontschuldigingen overbodig.”
„Zoo is het, mijnheer! Veroorloof mij dus te vragen, hoe gij uw tijd
besteed hebt, sedert gij, een aantal weken geleden, verlof tot
afwezigheid van uw regiment kreegt, tot op het tegenwoordig oogenblik?”
„Mijn antwoord op zulk een algemeene vraag moet zich richten naar den
aard der beschuldiging, die ze noodzakelijk maakt. Ik verzoek die te
mogen weten, en op welk gezag ik met geweld word tegengehouden, ten
einde mij te verantwoorden?”
„De beschuldiging, mijnheer Waverley, het spijt mij dit te moeten
zeggen, is van hoog ernstigen aard, en betreft uw goeden naam als
soldaat niet minder, dan als onderdaan. In de eerste plaats wordt gij
beschuldigd van muiterij en oproer gezaaid te hebben onder de
manschappen, waarover gij het bevel gevoerd hebt, en hun een voorbeeld
te hebben gesteld van desertie, door uwe afwezigheid van het regiment,
in weerwil van de uitdrukkelijke bevelen uws Oversten. De misdaad,
waarvan gij aangeklaagd wordt, is die van hoogverraad, en het verwekken
van oorlog tegen den Koning, het hoogste vergrijp waaraan zich een
onderdaan schuldig kan maken.”
„En op welk gezag word ik aangehouden, om op zulke afschuwelijke
lasteringen te antwoorden?”
„Op het gezag, dat gij evenmin kunt weigeren te erkennen, als ik te
gehoorzamen.”
Hij overhandigde Waverley een bevelschrift van het hooge gerechtshof
van Schotland, in volkomen vorm: om aan te houden en in verzekerde
bewaring te nemen den heer Eduard Waverley, verdacht van verraderlijke
plannen en andere zware misdaden en kwade praktijken.
De ontsteltenis, door Waverley op deze mededeeling aan den dag gelegd,
werd door majoor Melville toegeschreven aan bewustheid van schuld,
terwijl de heer Morton eer geneigd was er de verrassing der te onrecht
verdachte onschuld in te zien. Er was in beide gissingen iets waars;
want ofschoon Eduards hart hem vrijsprak van de misdaden, waarvan hij
beticht werd, overtuigde hem echter eene vluchtige herinnering van zijn
gedrag, dat hij groote moeite zou hebben, om zijn onschuld voor
anderen, te bewijzen.
„Het is een zeer onaangenaam gedeelte van deze onaangename bezigheid,”
zeide de majoor, na een pauze, „dat ik, uit hoofde eener zoo zware
verdenking, de papieren moet verzoeken te zien, welke gij bij u mocht
hebben.”
„Dat kunt gij doen, mijnheer, zonder eenig bezwaar,” zeide Eduard,
terwijl hij zijn zakboek en memoranda op de tafel wierp; „daar is er
maar één bij, waarmede ik wel zou wenschen dat een uitzondering gemaakt
werd.”
„Het spijt mij, mijnheer, dat ik u dit niet mag toestaan,”
„Dan zult gij het ook zien, mijnheer; doch daar het van geen nut kan
wezen, verzoek ik het terug te mogen hebben.”
Hij haalde de dichtregels, welke hij dien morgen ontvangen had, uit
zijn borst, en bood ze, met den omslag, aan. De majoor doorlas ze voor
zich, en beval zijn klerk er een afschrift van te maken. Vervolgens
wikkelde hij het afschrift in den omslag, en het voor zich op de tafel
leggende, gaf hij het oorspronkelijke, met bedroefden ernst, aan
Waverley terug.
Na den gevangene, – want zoo moet onze held thans beschouwd worden –
zoo veel tijd tot nadenken te hebben verleend, als hij billijk
oordeelde, hervatte majoor Melville zijn verhoor, terwijl hij aanving
met te verklaren, dat daar de heer Waverley zwarigheid scheen te maken
tegen algemeene vragen, hij het onderzoek zoo zeer tot bijzonderheden
zou uitstrekken als de door hem ontvangen berichten slechts
veroorloofden. Hij zette dus zijn verhoor voort, terwijl hij den inhoud
der vragen en antwoorden, al gaandeweg, door den klerk liet
opschrijven.
„Was mijnheer Waverley met zekeren Humphry Houghton, onderofficier bij
Gardiner’s dragonders, bekend?”
„Zeker; hij was wachtmeester bij mijn eskadron, en de zoon van een der
boeren van mijn oom.”
„Juist, – en bezat uw vertrouwen in hooge mate, benevens veel invloed
op zijn kameraden?”
„Ik had nooit gelegenheid om vertrouwen te schenken aan iemand van zijn
soort. Ik begunstigde Houghton als een knappen, ijverigen borst, en ik
geloof dat zijn medesoldaten hem achting toedroegen.”
„Maar, gij waart gewoon door dezen man gemeenschap te houden met
diegenen uwer manschappen, welke op Waverley-Honour geworven waren?”
„Ja! deze arme knapen, die in een regiment, hoofdzakelijk uit Schotten
of Ieren bestaande, waren ingelijfd, hielden zich, bij al hunne kleine
verdrietelijkheden, aan mij, en bezigden natuurlijk hun landsman en
wachtmeester om bij zulke gelegenheden hunne belangen aan mij voor te
dragen.”
„Zijn invloed strekte zich dus in het bijzonder uit over die soldaten,
die u, van uws ooms landgoederen, naar het regiment volgden?”
„Zonder twijfel! Maar wat doet dit tot ons tegenwoordig oogmerk?”
„Daar ben ik juist aan toe, en verzoek uw ruiterlijk antwoord. Hebt
gij, sedert ge uw regiment verlaten hebt, eenige briefwisseling, hetzij
rechtstreeks of zijdelings, met dezen wachtmeester Houghton gehouden?”
„Ik! – ik briefwisseling houden met iemand van zijn rang en betrekking!
– En waarom, vraag ik u, zou ik dat gedaan hebben?”
„Dat zult ge mij zoo aanstonds zelf verklaren. – Maar hebt ge, bij
voorbeeld, niet aan hem om eenige boeken gezonden?”
„Gij herinnert mij aan een onbeduidenden last, hem door mij gegeven,
omdat mijn knecht niet lezen kon. Ja, ik herinner mij dat ik hem, door
een brief, verzocht heb, eenige boeken, waarvan ik hem een lijstje
zond, uit de kast te nemen, en mij naar Tully-Veolan op te zenden.”
„Van welken aard waren die boeken?”
„Het waren bijna enkel boeken van smaak, en bestemd om door een dame
gelezen te worden.”
„Waren er, mijnheer Waverley, geen verraderlijke verhandelingen en
pamfletten onder?”
„Er waren eenige staatkundige verhandelingen bij, die ik nauwelijks
inzag. Ze waren mij gezonden door een gedienstigen vriend, wiens hart
meer achting verdient dan zijn voorzichtigheid, of politiek doorzicht;
het schenen dwaze opstellen te zijn.”
„Die vriend was zekere heer Pembroke, een onbeëedigd geestelijke, de
schrijver van twee verraderlijke werken, waarvan de afschriften onder
uwe bagage gevonden werden.”
„Maar van welke ik op mijn eer als fatsoenlijk man, geen zes bladen
las.”
„Ik ben uw rechter niet, mijnheer Waverley; uw verhoor zal naar elders
opgezonden worden. En nu, om voort te gaan, kent gij een persoon die
onder den naam gaat van Wily Will of Will Ruthven?”
„Tot op dit oogenblik heb ik nooit zulk een naam gehoord.”
„Hieldt gij nooit, door zulken of eenigen anderen persoon, gemeenschap
met den wachtmeester Humphry Houghton om hem aan te zetten, met zoo
velen zijner kameraden, als hij verleiden kon hem te volgen – te
deserteeren en zich te voegen bij de Hooglanders en andere rebellen,
die thans onder de wapenen zijn onder het bevel van den jongen
Pretendent?”
„Ik verzeker u niet alleen geheel onschuldig te zijn aan het verraad,
dat gij mij daar te laste legt, maar het ook van ganscher harte te
verfoeien; ja, inderdaad ik zou mij aan zulk een verraad niet willen
schuldig maker, zelfs niet om een troon te winnen, voor mij zelven, of
voor wien ook ter wereld.”
„Wanneer ik echter dezen omslag beschouw, die het handschrift van een
dier misleide heeren is, welke thans tegen de regeering onder de wapens
zijn, benevens de daarin besloten verzen, dan kan ik niet nalaten
eenige overeenkomst te vinden tusschen het plan, waarvan ik gesproken
heb, en de heldenfeiten van Wogan, welke de schrijver schijnt te
verwachten dat gij navolgen zult.”
Waverley was getroffen door dit toeval, maar beweerde, dat de wenschen
of verwachtingen van de briefschrijvers niet moesten beschouwd worden
als bewijzen eener beschuldiging, die verder geen grond had.
„Maar, zoo ik wel onderricht ben, hebt ge uw tijd, gedurende uw
afwezigheid van het regiment, gesleten, deels onder het dak van dit
Hooglandsch Opperhoofd, deels onder dat van den heer Bradwardine van
Bradwardine, die voor deze ongelukkige zaak ook de wapens opgenomen
heeft.”
„Ik zal dit niet ontveinzen; maar ten stelligste ontken ik, dat ik
zelfs in de verste verte bekend was met iets van hunne oogmerken tegen
het Bewind.”
„Gij zult echter, naar ik veronderstel, niet willen ontkennen, dat ge
uw gastheer Glennaquoich vergezeld hebt bij een rendez-vous, waar,
onder voorwendsel van een algemeene jachtpartij, de meeste
medeplichtigen aan het verraad vergaderd waren, om maatregelen te
beramen voor den opstand?”
„Ik beken dat ik zulk een bijeenkomst heb bijgewoond; maar ik hoorde of
zag er nooit iets, dat daaraan de bedoeling kon geven, door u
opgenoemd.”
„Van daar hebt ge u, met Glennaquoich en een gedeelte van zijn clan,
bij het leger van den jongen Pretendent gevoegd, en kwaamt, na uwe
hulde aan hem betoond te hebben, terug, om de overigen te oefenen en te
wapenen, en ze met zijn benden te vereenigen, op hun weg naar het
zuiden.”
„Ik heb nooit met Glennaquoich zulk een tocht gedaan. Ik heb zelfs
nooit gehoord, dat de persoon, van wien gij spreekt, in het land was.”
Thans verhaalde hij de geschiedenis van zijn ongeluk op de jachtpartij,
en voegde er bij, dat hij, bij zijn terugkomst, zich op eens ontzet zag
van zijn officiersrang; dat hij niet wilde ontkennen, toen, voor het
eerst, verschijnselen te hebben waargenomen, welke eene neiging bij de
Hooglanders verrieden, om de wapens op te vatten. „Maar,” zeide hij,
„daar ik geen lust had, mij bij hen te voegen, noch eenige reden om
langer in Schotland te blijven, was ik nu op de terugreis naar mijn
vaderland, werwaarts ik opgeroepen word door diegenen, welke recht
hebben om mijn gangen te besturen, zoo als majoor Melville zien kan uit
de op tafel liggende brieven.”
Majoor Melville doorlas nu de brieven van Richard Waverley, van Sir
Everhard en Tante Rachel; maar de gevolgen, die hij daaruit afleidde,
verschilden van hetgeen Waverley verwachtte. Zij waren in een
ontevredene stemming over het Bewind opgesteld, en behelsden alles
behalve onduidelijke wenken van wraakzucht; en die van de arme Tante
Rachel, welke de rechtvaardigheid van de zaak der Stuarts ronduit
beweerde, werd beschouwd als een onbewimpelde bekentenis van dat waarop
de anderen het slechts waagden een toespeling te maken.
„Veroorloof mij nog éene vraag, mijnheer Waverley! ontvingt ge niet,
bij herhaling, brieven van uw Overste, waarin hij u waarschuwde en
beval op uw post terug te keeren, en u tevens bekend maakte, dat men uw
naam bezigde, om ontevredenheid onder de krijgslieden te verspreiden?”
„Nooit, majoor Melville. Eén brief, het is waar, ontving ik van hem,
die in beleefde uitdrukkingen zijn wensch bevatte, dat ik mijn
verloftijd anders zou besteden, dan in een aanhoudend verblijf op
Bradwardine, waaromtrent ik beken van oordeel geweest te zijn, dat dit
zijne zaken niet waren; en eindelijk heb ik nog, op denzelfden dag dat
ik mijn ontslag in de courant las, een brief van kolonel Gardiner
ontvangen, waarin hij mij gelastte mij bij het regiment te voegen; een
bevel hetwelk ik, uithoofde van mijne, reeds vermelde en verklaarde
afwezigheid, te laat ontving om er gevolg aan te kunnen geven. Zoo er
tusschenbeide nog eenige brieven zijn geweest, en, op grond van kolonel
Gardiner’s edel karakter, houd ik dit voor waarschijnlijk, zijn ze mij
nooit ter hand gekomen.”
„Ik heb vergeten te vragen, mijnheer Waverley, naar een onderwerp van
minder belang, maar waarvan in het openbaar, tot uw nadeel gesproken
is. Men heeft gezegd, dat, toen er bij zekere gelegenheid een
verraderlijke toast was ingesteld, ten aanhoore en in tegenwoordigheid
van u, officier in dienst van Zijn Majesteit, gij zijne bestraffing aan
iemand anders uit het gezelschap overliet. Dit, Mijnheer, kan geen
bezwaar tegen u worden bij een Hof van Justitie; maar, indien, gelijk
men mij gezegd heeft, de Officieren van uw regiment een opheldering van
zulk een gerucht vorderden, kan ik, als man van eer en als soldaat,
niet nalaten verbaasd te staan, dat ge hun die niet gegeven hebt.”
Dit was te veel. Van alle zijden aangevallen en in ’t nauw gebracht
door beschuldigingen, waarin de grofste onwaarheden vermengd waren met
eenige feiten, die daaraan ingang verschaften, – alléen, zonder vriend
en in een vreemd land, gaf Waverley zijn leven en eer zoo goed als
prijs, en het hoofd op zijn hand latende zakken, weigerde hij ronduit
op eenige vraag meer te antwoorden, daar het eerlijk en oprecht
verslag, dat hij reeds gegeven had, slechts diende om wapenen tegen hem
in handen te geven.
Zonder eenige verwondering of ongenoegen te laten blijken, bij het
veranderen van Waverley’s houding, ging majoor Melville bedaard voort
met nog een aantal andere vragen tot hem te richten. „Wat baat het mij
u te antwoorden?” zeide Eduard kortaf. „Gij schijnt overtuigd van mijn
schuld, en bezigt ieder door mij gegeven antwoord tot een steun voor
het gevoelen door u opgevat. Verheug u dan daarmede, en martel mij niet
langer. Zoo ik in staat ben tot de lafheid en het verraad, waarvan ge
mij beschuldigt, ben ik niet waardig geloofd te worden, welk antwoord
ik ook geven moge. Verdien ik daarentegen uw verdenking niet – en God
en mijn geweten getuigen, dat dit het geval is – dan zie ik niet,
waarom ik, door mijn oprechtheid, mijn beschuldigers wapens tegen mij
in handen zou geven. Er bestaat geen reden voor mij, om een enkel woord
meer te antwoorden.” En hij bleef op nieuw vertoornd en onverzettelijk
zwijgen.
„Sta mij toe,” zeide de Majoor, „u aan éene reden te herinneren, die u
misschien het nut zal doen opmerken eener oprechte en openhartige
bekentenis. De onervarenheid der jeugd, mijnheer Waverley, stelt haar
bloot aan strikken van meer ondernemende en listige lieden; en éen uwer
vrienden ten minste – ik bedoel Mac-Ivor van Glennaquoich – staat
aangeschreven als tot de laatste soort van lieden te behooren; even als
ik, wegens uw blijkbare openhartigheid, jeugd en onbekendheid met de
zeden der Hooglanders, geneigd ben u onder die van de eerste te
rangschikken. In zulk een geval kan een verkeerde stap of misslag,
gelijk de uwe, die ik mij gelukkig zal rekenen als onwillekeurig te
mogen beschouwen, vergiffenis verkrijgen, en gaarne zou ik daarbij als
bemiddelaar optreden. Maar daar ge noodwendig bekend moet zijn met de
sterkte dergenen in het land, die de wapens hebben opgevat, met hunne
middelen en hunne ontwerpen, kan ik niet anders dan verwachten, dat gij
deze voorspraak van mijn zijde wel zult willen verdienen, door een
eerlijke en volledige opgaaf van alles, wat hieromtrent ter uwer kennis
gekomen is. In dit geval meen ik te kunnen beloven, dat een zeer
kortstondige beperking uwer persoonlijke vrijheid het eenige kwade
gevolg zal zijn, dat uit uwe deelname in die ongelukkige zaak ontstaan
kan.”
Waverley luisterde met groote bedaardheid tot op het einde dezer
aanspraak, waarna hij, opspringende van zijn stoel, antwoordde met eene
kracht, waarvan hij tot nog toe geen blijk had gegeven: „majoor
Melville, daar dit uw naam is, tot hiertoe heb ik uwe vragen met
oprechtheid beantwoord, of met gematigdheid afgewezen, want ze
betroffen mij alleen; maar, daar ge u vermeet mij laag genoeg te
achten, om een aanbrenger van anderen te worden, die mij – wat ook hun
staatkundig wanbedrijf moge wezen – ontvingen als gast en als vriend,
zoo verklaar ik u, dat ik uwe vragen beschouw als een hoon, oneindig
meer beleedigend dan uwe lasterlijke verdenkingen, en dat, daar mijn
ongeluk mij slechts woorden vergunt om u mijn gevoeligheid te
openbaren, gij mij eer het hart uit de borst zult rukken, dan een enkel
woord over zaken, waarmede ik niet bekend kon worden, tenzij ze in het
volle vertrouwen der argelooze gastvrijheid mij medegedeeld werden.
De heer Morton en de Majoor keken elkander aan, en de eerste, die onder
den loop van het onderzoek bij herhaling gekweld was geweest, door een
aandoening van verkoudheid, nam de toevlucht tot zijn snuifdoos en
zakdoek.
„Mijnheer Waverley,” zei de Majoor, „mijn tegenwoordige betrekking
verbiedt mij zoowel te beleedigen als mij beleedigd te achten, en ik
wil geen woordenwisseling voortzetten, die op een van beide zou
uitloopen. Het spijt mij een bevelschrift te moeten teekenen, om u in
bewaring te houden; maar dit huis zal, voor het tegenwoordige, uwe
gevangenis zijn. Ik vrees u niet te zullen kunnen overhalen, om deel
aan onzen avondmaaltijd te nemen? – Eduard schudde het hoofd; – maar ik
zal ververschingen in uw kamer doen bezorgen.”
Onze held boog en begaf zich, onder bewaring van de dienaars der
justitie, naar een fraai, schoon klein vertrek, waar hij alle
ververschingen afwijzende, zich te bed wierp; en, versuft onder de
kwellingen en vermoeienissen van dezen jammerlijken dag, in een diepen
en zwaren slaap zonk. Dit was meer dan hij had kunnen verwachten; maar
men verhaalt immers van de Noord-Amerikaansche Indianen, dat zij aan
den martelpaal wel eens in slaap vallen, als voor een oogenblik de
folteringen gestaakt worden, tot het vuur weder wordt aangestookt om
hen wakker te houden.