EEN BRIEF VAN TULLY-VEOLAN.

Des morgens, toen Waverley’s verwarde denkbeelden voor eenigen tijd in

rust waren geweest, kwam er muziek bij zijn droomen, maar niet de stem

van Selma [108]. Hij verbeeldde zich dat hij op Tully-Veolan was

wedergekeerd, en dat hij Davie Gellatley op het voorplein die

morgenliedjes hoorde zingen, die de eerste klanken plachten te zijn,

waardoor hij in zijn rust gestoord werd, toen hij nog bij den baron van

Bradwardine vertoefde, De tonen, welke hij nog in zijn droom had meenen

te hooren, hielden aan en drongen nog duidelijk tot hem door, tot

Eduard in goeden ernst wakker werd. De begoocheling scheen echter nog

niet geheel geweken te zijn. Hij bevond zich wel degelijk in den toren

van Ian nan Chaistel; maar het was toch de stem van Davie Gellatley,

die de volgende regels onder zijn vensters zong:

Mijn hart is in ’t Hoogland, mijn hart is niet hier;

Mijn hart is in ’t Hoogland, en jaagt met plezier;

Het zit er de herten en reebokken na;

Mijn hart is in ’t Hoogland, waar heen ik ook ga [109].

Nieuwsgierig om te weten, wat Gellatley bewogen mocht hebben zulk een

buitengewoon langen tocht te doen, begon Eduard zich in allerijl te

kleeden, en terwijl hij hiermede bezig was, veranderde David

onderscheidene malen van gezang.

Niets vindt ge in ’t Hoogland, dan knoflook en prei,

Langbeenige knapen, maar broekloos er bij:

Maar ligt dat men kousen en schoenen herkrijgt,

Als Koning Jacobus zijn troon weêr bestijgt [110].

Terwijl Waverley zich gekleed had en naar buiten gegaan was, had David

zich bij twee of drie der talrijke Hooglandsche ledigloopers gevoegd,

die de poort van het kasteel altijd met hunne tegenwoordigheid

opluisterden, en sprong en danste in ’t rond, terwijl hij er zelf de

wijs bij floot. In deze dubbele betrekking van danser en muzikant, ging

hij voort, totdat een doedelzakspeler, die zijn bedrijven bedaard stond

gade te slaan, aan het algemeen geroep van „Seid suas” (blaas op!)

gehoor gaf, en hem van het laatste gedeelte zijner taak bevrijdde. Jong

en oud mengde zich toen in den dans. – Waverley’s verschijning maakte

geenszins een eind aan Davids lichaamsoefening, ofschoon hij, door

grijnzen, knikken en allerlei buigingen van het lichaam, onzen held

blijkbaar wilde doen verstaan dat hij hem herkende. Vervolgens, terwijl

hij druk bezig was met de vereischte bewegingen, en intusschen allerlei

geluiden maakte en met de vingers boven zijn hoofd klapte, rekte hij,

op eens, zijn zijsprong, zoo dat deze hem bracht waar Waverley stond,

en zich gedurig op de maat bewegende, even als Harlekijn in een

pantomime, duwde hij onzen held een brief in de hand, waarop hij den

dans zonder oponthoud of stoornis op nieuw voortzette. Daar Eduard zag,

dat het adres van Rose’s hand was, verwijderde hij zich om den brief te

lezen, terwijl hij den getrouwen overbrenger zijn lichaamsoefeningen

liet voortzetten, tot het den doedelzakspeler of hem zelven vervelen

zou.

De inhoud van den brief verbaasde hem in hooge mate. Oorspronkelijk was

hij begonnen met „waarde heer!” maar deze woorden waren zorgvuldig

uitgekrabt, en het korte „mijnheer!” daarvoor in de plaats gesteld. De

rest zal in Rose’s eigen taal en stijl gegeven worden.

„Ik vrees, dat ik een ongepaste vrijheid gebruik, met u lastig te

vallen; en toch kan ik het aan niemand anders overlaten, u het een en

ander te doen weten, dat hier voorgevallen is, en waarmede gij

noodzakelijk moet bekend wezen. Vergeef mij, zoo ik verkeerd handel;

want, helaas! mijnheer Waverley, ik heb geen beteren of anderen

raadsman dan mijn eigen gevoel; – mijn lieve vader is van hier gegaan,

en wanneer hij terugkeeren zal om mij bij te staan en te beschermen,

weet God alleen! Gij hebt waarschijnlijk gehoord, dat, ten gevolge van

eenige verontrustende tijdingen uit de Hooglanden, bevelschriften

werden gezonden, om verscheidene heeren in deze streken in hechtenis te

nemen en daaronder ook mijn lieven vader. In weerwil van mijne tranen

en gebeden, dat hij zich aan het Bewind zou overgeven, vereenigde hij

zich met Falconer en eenige andere heeren, en trokken zij gezamenlijk

naar het noorden, met een corps van omstreeks veertig ruiters. Dus ben

ik niet zoo zeer beangst omtrent zijn oogenblikkelijke veiligheid, als

wel over de gevolgen; want dit is slechts het begin van zeer onrustige

tijden. Maar dit alles gaat u niet aan, mijnheer Waverley; ik dacht

slechts dat het u verheugen zou te hooren, dat mijn vader ontsnapt is,

ingeval gij mocht vernomen hebben, dat hij in gevaar was.

„Maar den dag, nadat mijn vader ontkomen was, verscheen er een troep

soldaten op Tully-Veolan; ze gedroegen zich zeer ruw jegens den

rentmeester Mac-Wheeble, ofschoon de officier heel beleefd jegens mij

was; alleen zeide hij, dat zijn plicht hem gebood onderzoek te doen

naar de wapenen en papieren mijns vaders. Maar vader had hiervoor

gezorgd, door al de wapenen weg te nemen, uitgenomen de oude,

nuttelooze dingen, die in de voorzaal hingen, terwijl hij al zijn

papieren geborgen had. Dan, helaas! mijnheer Waverley, hoe zal ik u

zeggen, dat ze een allernauwkeurigst onderzoek naar u deden, en

vroegen, wanneer gij op Tully-Veolan geweest waart, en waar gij u nu

bevondt. De officier is met zijn volk weêr heengegaan, maar een

onderofficier en vier man blijven, als een soort van bezetting, in

huis. Zij hebben zich tot hiertoe zeer goed gedragen, maar wij zijn

genoodzaakt hen in alles te ontzien. De soldaten hebben zich echter

laten ontvallen, dat gij, zoo gij in hun handen vielt, in groot gevaar

zoudt zijn; ik kan niet over mij verkrijgen te schrijven, welke

ondeugende leugens zij vertelden, want ik ben zeker dat het onwaarheden

zijn; maar gij zult zelf best kunnen oordeelen, wat u te doen staat. De

troep die terugkeerde, voerde uw knecht gevangen weg, met uw beide

paarden en al wat ge te Tully-Veolan achtergelaten hebt. Ik hoop dat

God u beschermen zal, en dat gij behouden in Engeland te huis zult

komen, waar ge mij placht te vertellen, dat geen krijgsgeweld of

vechten tusschen de clans geoorloofd was, maar dat alles geschiedde

volgens billijke wetten, die alle weerloozen en onschuldigen

beschermden. Ik hoop dat ge mijn vrijpostigheid zult vergeven dat ik u

schreef; bedrieg ik mij niet, dan staan uwe veiligheid en eer op het

spel. Ik ben verzekerd – ten minste ik geloof, dat mijn vader mijn

schrijven zou goedkeuren; want mijnheer Rubrick is naar zijn neef, te

Duchran, gevlucht, om buiten gevaar van de soldaten en de Whigs te

zijn; en de heer Mac-Wheeble houdt er niet van, (zoo als hij zegt) zich

met eens ander mans zaken te bemoeien; ofschoon ik hoop, dat, hetgeen

mijns vaders vrienden in zulk een tijd van dienst kan zijn, niet als

ongepaste bemoeizucht zal worden aangemerkt. Vaarwel, kapitein

Waverley! ik zal u waarschijnlijk nooit weder zien; want het zou zeer

ongepast zijn te wenschen, dat ge juist nu te Tully-Veolan zoudt

afstappen, al waren deze mannen ook heengegaan; maar ik zal altijd met

dankbaarheid uwe vriendelijkheid herdenken, en de welwillendheid

waarmede ge zulk een onwetende, als ik ben, bijstondt, als mede de

oplettendheden: die ge voor mijn lieven, besten vader hadt. Ik blijf uw

verplichte dienares,

Rose Comyne Bradwardine.”

„P. S. – Ik hoop, dat ge mij een regeltje met David Gellatley zult

zender, om te zeggen, dat ge dezen ontvangen hebt, en voorzichtig zult

zijn; en vergeef mij, zoo ik u, om uw eigen wil verzoek, u volstrekt

niet in deze ongelukkige kabalen te mengen, maar, zoo spoedig mogelijk,

naar uw eigen gelukkig land te vluchten. Mijn groeten aan mijn lieve

Flora en aan Glennaquoich. Is ze niet even mooi en knap, als ik u haar

beschreef?”

Aldus sloot de brief van Rose Bradwardine, welks inhoud Waverley

tegelijk bevreemdde en bedroefde. Dat de Baron, ten gevolge der

beweging onder de aanhangers van het huis van Stuart, verdacht was bij

het Bewind, scheen niet meer dan het natuurlijke gevolg van zijn

staatkundige denkwijze; maar hoe men hem eveneens had kunnen verdenken,

daar hij zich bewust was dat tot op gisteren zelfs geen gedachte bij

hem tegen de regeerende familie was opgekomen, scheen hem

onverklaarbaar. Zoo wel op Tully-Veolan als op Glennaquoich hadden zijn

gastheeren den eed geëerbiedigd, die hem aan het bestaande Bewind

verbond, en ofschoon hij toevallig had kunnen merken, dat de Baron en

het Opperhoofd onder de misnoegde edelen moesten gerangschikt worden,

nog in grooten getale in Schotland aanwezig, had hij echter, tot op het

oogenblik, dat zijn betrekking tot het leger, door het intrekken van

zijn aanstelling had opgehouden, geen reden te veronderstellen, dat ze

eenige rechtstreeks vijandelijke onderneming tegen de bestaande orde

van zaken in den zin hadden. Intusschen gevoelde hij wel, dat, zoo hij

niet haastig besloot den voorslag van Fergus Mac-Ivor te omhelzen, het

van het uiterste belang voor hem was, deze verdachte en gevaarlijke

buurt terstond te verlaten, en zich daarheen te begeven waar zijn

gedrag een voldoend onderzoek kon ondergaan. Hiertoe besloot hij te

gereeder, daar Flora’s raad deze handelwijze begunstigde, en omdat hij

een onbeschrijfelijken afkeer gevoelde van het denkbeeld, om

medeplichtig te zijn aan de rampen van een burgeroorlog. Welke ook de

oorspronkelijke rechten der Stuarts waren, het bedaard nadenken zeide

hem, dat, de vraag daargelaten in hoe verre Jacobus de Tweede de

rechten zijner nakomelingen kon verbeuren, hij toch, volgens de

eenparige stem der gansche natie, de zijne wettiglijk had verbeurd.

Sedert dat tijdperk hadden vier: koningen in vrede en voorspoed over

Brittanje geregeerd, terwijl ze den roem van het volk buiten, en zijn

vrijheden binnen ’s lands gehandhaafd en vermeerderd hadden. De rede

vroeg: was het den moeite waard, een sedert zoolang gevestigd bewind te

verontrusten, en een koninkrijk in al de ellende van den burgeroorlog

te storten, om de afstammelingen van een koning op den troon te

herstellen, door wien die troon willens en wetens verbeurd was? Doch

zoo al, van den anderen kant, zijn volkomene overtuiging van de

rechtvaardigheid hunner zaak, of de bevelen van zijn vader en oom hem

de ondersteuning der Stuarts oplegden, dan was het nogtans

noodzakelijk, dat hij zijn eigene eer handhaafde, door te bewijzen, dat

hij geen stap in die richting gedaan had, zoo als men inderdaad

valschelijk scheen voorgewend te hebben zoolang hij in dienst was van

den regeerenden vorst.

De eenvoudigheid van Rose’s taal, waarin zoo veel genegenheid en

bezorgdheid voor zijn veiligheid doorstraalde, zoo wel als het

denkbeeld dat ze zich zonder beschermer bevond, en niet slechts aan

angst, maar aan wezenlijk gevaar kon zijn blootgesteld, maakte een

diepen indruk op hem, en hij schreef oogenblikkelijk, om haar in de

vriendelijkste bewoordingen dank te zeggen voor haar bezorgdheid te

zijnen aanzien, vergezeld van zijn hartelijke wenschen voor het welzijn

van haar en haar familie, en van verzekeringen die haar omtrent zijn

eigene veiligheid konden geruststellen. Spoedig weken echter de hier

door opgewekte gevoelens weder voor de gedachte aan de

noodzakelijkheid, die thans voor hem bestond, om Flora Mac-Ivor,

misschien voor altijd, vaarwel te zeggen. De beklemdheid, welke deze

gedachte bij hem opwekte, laat zich niet beschrijven; want Flora’s

hooggestemd karakter, haar zelfopoffering voor de zaak die ze omhelsd

had, gevoegd hij haar nauwgezette eerlijkheid, wat de middelen om ze te

dienen betreft, dat alles rechtvaardigde in Eduards oogen de keuze van

zijn hart. Maar de tijd drong; de laster had zijn naam aangevallen; en

ieder uur uitstel versterkte het vergif. Hij moest onmiddellijk

vertrekken.

Na dit besluit genomen te hebben, zocht hij Fergus op, deelde hem den

inhoud van Rose’s brief mede, zijn voornemen om zich oogenblikkelijk

naar Edinburgh te begeven, en den een of ander dier lieden van gewicht

op te zoeken, voor wie hij brieven van zijn vader had, en in hunne

handen de bewijzen te leggen, waardoor hij iedere tegen hem ingebrachte

beschuldiging zou kunnen ontzenuwen.

„Gij loopt met uw hoofd in den muil van den leeuw,” antwoordde

Mac-Ivor. „Gij hebt geen denkbeeld van de gestrengheid eener regeering,

die door welgegronde vrees, en tevens door de bewustheid harer

onwettigheid en onveiligheid verontrust wordt. Ik zal u nog moeten

komen verlossen uit de een of andere ellendige gevangenis op het

kasteel van Stirling of Edinburgh.”

„Mijn onschuld, mijn rang, mijns vaders vriendschapsbetrekking met lord

M –, met den generaal G –, enz. zullen een toereikende bescherming

zijn.”

„Gij zult het tegendeel ondervinden; deze heeren zullen genoeg met

hunne eigene zaken te doen hebben. Nog eens, wilt ge den plaid

aannemen, en mij eenigen tijd ter zijde staan, tusschen de mist en de

kraaien [111] in de loffelijkste zaak, waarvoor ooit een zwaard

ontbloot werd?”

„Om verscheidene redenen, waarde Fergus, moet ge mij daarvan

verschoonen.”

„Nu dan, ik zal u zeker aantreffen, bezig met uw dichterlijk talent te

oefenen in klaagzangen op een gevangenis, of uwe oudheidkundige

bekwaamheden in het verklaren der Oggamsche [112] letters of eenig

Punisch beeldschrift, op de hardsteenen van een oud gewelf; of wat zegt

ge van un petit pendement bien joli. En ik zou niet borg willen staan

dat u dat niet overkomt, als ge een corps gewapende Westlandsche Whigs

ontmoet.”

„En waarom?”

„Om honderd goede redenen. Vooreerst, zijt ge een Engelschman; ten

tweede, een fatsoenlijk man; ten derde, een aanhanger van de

Bisschoppelijke kerk; en ten vierde, hebben ze in langen tijd geen

gelegenheid gehad, om hunne krachten op zoo iemand te beproeven. Maar,

laat u niet ter neêrslaan, geliefde; alles zal geschieden in de vreeze

des Heeren!”

„Welnu, ik zal het wagen.”

„Gij zijt dus besloten?”

„Zeer zeker.”

„Dat is koppigheid!” zeide Fergus. „Maar ge kunt niet te voet gaan, en

ik zal geen paard noodig hebben, daar ik te voet optrekken moet aan het

hoofd der kinderen van Ivor: ge moet dus mijn ros Dermid nemen.”

„Zoo ge hem verkoopen wilt, zal ik me zeker zeer verplicht achten.”

„Zoo uw trotsch Engelsch hart niet besluiten kan om een gift of leening

aan te nemen, zal ik, bij het begin van een veldtocht, geen geld

weigeren; de prijs is twintig guinjes. (Herinner u lezer, dat het

zestig jaar geleden is). En wanneer zijt ge voornemens te vertrekken?”

„Hoe eer hoe liever.”

„Daar hebt ge gelijk in, nu ge toch gaan moet, of liever, gaan wilt, Ik

zal Flora’s hit nemen, en u tot Bally-Brough begeleiden. – Callum Beg!

maak onze paarden gereed, benevens een hit voor u, om mijnheer Waverley

te vergezellen en op zijn bagaadje te passen, tot – (hier noemde hij

een kleine stad), waar hij een paard en gids kan krijgen tot Edinburgh.

Trek een Laaglandsche kleeding aan, en pas wel op dat ge den mond

houdt, zoo ge niet wilt dat ik dien nog wat wijder open snijd; mijnheer

Waverley zal Dermid rijden.” Vervolgens zich tot Eduard keerende, „Wilt

ge afscheid van mijn zuster nemen.”

„Ongetwijfeld – dat wil zeggen, als freule Mac-Ivor me de eer wil

gunnen.”

„Cathleen, laat mijn zuster weten, dat de heer Waverley afscheid van

haar wenscht te nemen, alvorens hij ons verlaat. – Maar Rose

Bradwardine – men moet aan haar toestand denken – ik wenschte dat ze

hier ware, – En waarom zou ze niet? – Er zijn maar vier roodrokken op

Tully-Veolan, en hunne geweren zouden ons zeer goed te pas komen.”

Op deze afgebroken woorden antwoordde Waverley niet; hij hoorde ze wel,

maar zijn ziel was geheel vervuld met de verwachte binnenkomst van

Flora. – De deur ging open. – Het was slechts Cathleen, die de

verontschuldiging van hare meesteres overbracht, alsmede haar beste

wenschen voor mijnheer Waverley’s welvaart en geluk.

Waverley(#75933) · 第 63 / 156 题