OVER HETZELFDE ONDERWERP.

Fergus Mac-Ivor bezat te veel tact en kiesch gevoel, om het gesprek,

dat hij afgebroken had, weer op te vatten. Zijn hoofd was, of scheen

zoo vervuld te zijn met geweeren, sabels, mutsen en dergelijke, dat

Waverley, gedurende eenigen tijd, zijn oplettendheid tot niets anders

bepalen kon.

„Zijt ge voornemens al zoo spoedig te veld te trekken, Fergus, dat ge

al deze oorlogzuchtige toebereidselen maakt?”

„Als wij het eens geworden zijn, dat gij met mij gaat, zult gij alles

weten; anders zou deze kennis u lichtelijk schaden.”

„Maar hebt gij ernstig voorgenomen, om met zulk een geringe macht,

tegen een gevestigd bewind op te staan? Het is waarlijk razernij.”

„Laissez faire à Don Antoine.” – Ik zal voor mijzelven zorgen. Wij

zullen ten minste de beleefdheid van Conan in praktijk brengen, die

nooit een slag kreeg, of hij gaf er een terug. Ik zou echter niet graag

willen,” vervolgde het Opperhoofd, „dat gij mij voor dwaas genoeg

aanzaagt, om mij in beweging te zetten, vóór dat de gelegenheid gunstig

is; ik zal mijn hond niet losmaken, voor dat het wild opgejaagd is. –

Maar nog eens, als gij u bij ons voegen wilt, zult ge alles weten.”

„Hoe kan ik dat doen?” zeide Waverley, „ik, die nog zoo kort geleden

den officiersrang bekleedde, waartoe de aanstelling thans op de

terugreis is tot hen, die ze mij schonken. Door ze eenmaal aan te

nemen, heb ik, onrechtstreeks mijne getrouwheid aan en mijne erkenning

van de wettigheid des bewinds bezworen.”

„Een overhaaste belofte is geen stalen handboei; [106] zij kan

afgeschud worden, vooral wanneer ze bedriegelijk uitgelokt en met

beleediging vergolden werd. Maar als gij niet terstond tot een

schitterende wraak kunt besluiten, keer dan naar Engeland terug, en eer

gij de Tweed over zijt, zult ge tijdingen hooren, waarvan de wereld

gewagen zal; en zoo Sir Everhard de moedige, oude Cavalier is, voor

wien hem eenige onzer „eerlijke” [107] heeren van het jaar zeventien

honderd vijftien houden, zal hij wel een betere compagnie ruiterij en

een betere zaak voor u opsporen, dan die gij verloren hebt.”

„Maar uwe zuster, Fergus?”

„Scheer u weg, booze geest!” hernam het Opperhoofd lachend, „waarom

kwelt gij dezen jongeling! – Spreekt ge van niets dan van de vrouwen?”

„Laat ons ernstig spreken, waarde vriend; ik voel dat het geluk van

mijn volgend leven zal afhangen van het antwoord van freule Mac-Ivor,

op hetgeen ik mij heden morgen verstoutte haar te zeggen.”

„En is u dit inderdaad volkomen ernst,” zeide Fergus, „of dwalen wij

rond in het rijk der verdichting?”

„Volstrekt niet! Hoe kunt ge veronderstellen dat ik over zoo iets zou

schertsen?”

„Dan ben ik, in goeden ernst, zeer verheugd dit te hooren: en ik heb

zulk een hoog denkbeeld van Flora, dat ge de eenige man in Engeland

zijt, wien ik dit zeggen zou. – Maar, alvorens ge mijn hand met zoo

veel vuur drukt, valt er meer te overwegen. – Uwe familie –, zal ze

goedkeuren dat ge u verbindt met de zuster van een hooggeboren

Hooglandschen bedelaar?”

„De omstandigheden van mijn oom, zijn algemeene denkwijze, en zijn

toegevendheid, vergunnen mij te zeggen, dat geboorte en persoonlijke

begaafdheden alles zouden zijn, waarop hij bij zulk een verbindtenis

zien zou. En waar kan ik beide in zulke hooge mate vereenigd vinden als

bij uwe zuster?”

„o Nergens! – cela va sans dire! Maar uw vader zal aanspraak maken op

het vaderlijk recht, van geraadpleegd te worden.”

„Zeker! Maar de breuk die onlangs plaats gehad heeft tusschen hem en de

heerschende partij, verbant alle vrees voor tegenstand van zijn kant,

te meer daar ik overtuigd ben, dat mijn oom met vuur mijn zaak

bepleiten zal.”

„De godsdienst misschien – ofschoon wij niet fanatiek katholiek zijn.”

„Mijn moeder was van de Roomsche Kerk, en haar godsdienst gaf nooit

eenigen aanstoot bij mijn familie. Denk niet om mijn familie, waarde

Fergus! Laat mij liever, uw invloed inroepen, waar die wellicht

noodiger zijn zal om zwarigheden uit den weg te ruimen – ik bedoel, bij

uwe beminnelijke zuster.”

„Mijn beminnelijke zuster,” hernam, Fergus, „is, even als haar

beminnende broeder, best in staat, om een vrij stelligen eigen wil te

hebben, waarnaar gij u, in dit geval, moet schikken; maar het zal aan

mijne deelneming en mijn raad niet ontbreken. En, in de eerste plaats,

wil ik u éen wenk geven. – Getrouwheid aan het huis der Stuarts is haar

heerschende hartstocht. Van het oogenblik af dat zij een Engelsch boek

lezen kon, is ze verliefd geweest op de nagedachtenis van den dapperen

kapitein Wogan, die den dienst van den overheerscher Cromwell vaarwel

zeide, om zich onder den standaard van Karel II te scharen; met een

handvol ruiterij van Londen naar de Hooglanden trok, om zich bij

Middleton te voegen, die destijds voor den Koning streed, en ten

laatste roemrijk sneuvelde voor de koninklijke zaak. Verzoek haar u de

verzen te laten zien, door haar op deze geschiedenis vervaardigd; ze

hebben, ik verzeker het u, niet weinig bewondering ingeoogst. Het

voornaamste daarna is – mij dunkt, ik heb Flora, een poos geleden, naar

den waterval zien opwandelen – volg haar na! man, volg haar! – laat het

garnizoen geen tijd, om in het opgevatte voornemen van tegenstand

bevestigd te worden – Alerte à la muraille! Ga Flora opzoeken, en

verneem haar besluit zoo spoedig mogelijk. Moge Cupido met u zijn;

terwijl ik ga, om sabelriemen en patroontasschen na te zien.”

Waverley sloeg het dal in met een beangst en kloppend hart. De liefde,

met al haar nasleep van vrees, hoop en wenschen, kampte in hem met

andere aandoeningen, van een minder gemakkelijk te omschrijven aard.

Hij kon niet nalaten te overdenken, hoezeer deze morgen zijn lot

veranderd had, en in welk een stroom van moeielijke omstandigheden hij

zich waarschijnlijk ging storten. De opgaande zon had hem nog begroet

als bezitter van een aanzienlijken rang bij het leger, terwijl zijn

vader, naar allen schijn, snel in de gunst van zijn Souverein klom; dit

een en ander was voorbijgegaan als een droom – hij zelf was onteerd,

zijn vader gevallen, en hij was onwillekeurig, zoo niet de

medeplichtige dan toch ten minste vertrouwd geworden met duistere, ver

strekkende en gevaarlijke ontwerpen, die òf de omverwerping moesten te

weeg brengen van het Bewind, dat hij nog kort geleden gediend had, òf

den ondergang van allen, die daarin gedeeld hadden. Al luidde Flora’s

antwoord ook gunstig voor zijn aanzoek, welk vooruitzicht bestond er,

dat het tot een gelukkige uitkomst zou leiden, te midden van het gewoel

van een dreigenden opstand? Of mocht hij zoo eigenbatig zijn, om haar

voor te stellen, Fergus te verlaten, aan wien ze zóó gehecht was, en

zich met hem naar Engeland te begeven, om daar uit de verte de

toeschouwster te zijn van het welslagen van haars broeders onderneming,

of wel er de verwoesting van al zijn uitzichten en bezittingen, af te

wachten? – En, aan den anderen kant, zou hij zich alléen, zonder

anderen bijstand, met de gevaarlijke en overhaaste overleggingen van

het Opperhoofd inlaten? – zou hij zich door hem laten meêslepen en als

deelgenoot van al zijn wanhopige en geweldige ondernemingen, bijna

geheel afstand doen van het recht om zelf te oordeelen of over de

eerlijkheid en wijsheid zijner eigene handelingen! – Dit uitzicht was

te vernederend voor Waverley’s fierheid om er lang bij te verwijlen. En

toch, er bleef geen andere keuze over, zoo niet het afwijzen van zijn

aanzoek door Flora, een keus, waaraan in zijn tegenwoordigen opgewonden

toestand, niet gedacht kon worden, zonder bijkans gevaar te loopen van

krankzinnig te worden. Terwijl hij op deze wijze het onzekere en

gevaarlijke zijner vooruitzichten, overwoog, bereikte hij eindelijk den

waterval, waar hij, gelijk Fergus voorspeld had, Flora vond.

Zij was geheel alleen, en zoodra ze hem zag naderen, stond ze op en

ging hem te gemoet. Eduard poogde iets te zeggen, dat binnen de perken

van de gewone beleefdheid en in den dagelijkschen gezelschapstoon lag,

maar bemerkte dat dit zijn krachten te boven ging. Flora scheen in den

beginne evenzeer verlegen, maar herstelde zich spoediger, en (een

ongunstig teeken voor Waverley) was de eerste die het onderwerp van

hunne laatste ontmoeting opvatte. „Het is, uit welk oogpunt ook

beschouwd, te belangrijk, mijnheer Waverley, dan dat ik mij zou

veroorloven u in het onzekere te laten omtrent mijn gevoelens.”

„Spreek ze niet te spoedig uit,” zeide Waverley met innige ontroering,

„of ze moesten zoodanig zijn, als ik, uit uwe houding, niet durf hopen.

Laat de tijd – laat mijn gedrag – laat uws broeders raad –”

„Vergeef mij, mijnheer Waverley,” zei Flora, met eenigszins verhoogde

kleur, maar op vasten en bedaarden toon; „maar ik zou de zwaarste

schuld op mij laden, indien ik draalde u mijn oprechte overtuiging te

doen kennen, dat ik u nooit andere gevoelens kan toedragen dan die

eener vriendin. Ik zou u het grootste onrecht doen, indien ik dit

slechts éen oogenblik verzweeg. – Ik zie dat deze bekentenis u leed

doet, en dit bedroeft mij, maar beter nu dan later; en, o! duizend

malen beter, mijnheer Waverley, dat gij thans een voorbijgaande

teleurstelling gevoelt, dan die lange, aan het hart knagende grieven,

die de gevolgen zijn van een overhaast en ongelukkig huwelijk.”

„Gerechte hemel! Maar waarom zoudt gij zulke gevolgen veronderstellen

van een vereeniging, waar de geboorte gelijk, waar de fortuin gunstig

is, waar, zoo ik mij verstouten mag dit te zeggen, de smaak genoegzaam

overeenstemt, waar gij geen voorkeur voor een ander aanvoert, en zelfs

een gunstig gevoelen uit van hem, dien zij afwijst.”

„Mijnheer Waverley, ik: koester dat gunstig gevoelen, en zoo sterk,

dat, schoon ik liever had willen zwijgen omtrent de gronden van mijn

besluit, gij ze vernemen kunt, zoo gij dat blijk van mijn achting en

vertrouwen verlangt.”

Zij zette zich op een rotsblok neder, en terwijl Waverley naast haar

plaats nam, drong hij, schoon eenigszins schroomvallig, op de hem

aangeboden verklaring aan.

„Ik durf u,” zeide zij, „mijne gevoelens en gewaarwordingen nauwelijks

blootleggen, daar ze zoo geheel verschillen van die welke men doorgaans

aan jonge meisjes van mijn jaren toeschrijft. Ik durf ternauwernood van

de uwen spreken, uit vrees van aanstoot te geven, waar ik gaarne troost

wensch te verleenen. Wat mijzelve betreft, van mijn kindsheid af tot op

dezen dag, heb ik maar éen wensch gehad – namelijk: de herstelling

mijner koninklijke weldoeners op hun rechtmatigen troon. Het is

onmogelijk u mijn geestdrift op dit punt te doen kennen, en ik zeg

openhartig, dat het mij zoo geheel heeft bezield, dat het alle

gedachten aan mijn eigene positie in de wereld buitensluit. Laat mij

slechts leven om den gelukkigen dag dier herstelling te zien; en een

Hooglandsche hut, een Fransch klooster of een Engelsch paleis zal mij

even onverschillig zijn.”

„Maar, liefste Flora, waarom is uw geestdrift voor de verbannen familie

onbestaanbaar met mijn geluk?”

„Omdat gij in het voorwerp uwer genegenheid een hart zoekt, of behoort

te zoeken, welks voornaamste genot bestaat in de vermeerdering van uw

huiselijk geluk en in de beantwoording uwer liefde, zelfs tot in het

overdrevene toe. Aan een man van minder fijn gevoel, en minder warme

weekheid van hart, zou Flora Mac-Ivor voldoening, zoo al geen geluk,

kunnen schenken; want, waren de onherroepelijke woorden gesproken,

nooit zou ze te kort schieten in de plichten, die ze op zich genomen

had.”

„En waarom, – waarom, freule Mac-Ivor, zoudt ge u een rijker schat

achten voor iemand, die minder in staat is u te beminnen en te

bewonderen, dan ik?”

„Eenvoudig, omdat de aard onzer genegenheid meer in overeenstemming

zijn zou, en omdat zijn mindere hartstochtelijkheid die vurige

wederliefde niet zou vorderen, die ik niet in staat ben te schenken.

Maar gij, mijnheer Waverley, gij zoudt altijd van het huiselijk geluk

alles vorderen wat uw verbeelding u voorspiegelt, en alles wat bij die

ideale voorstelling te kort schoot, zou als koelheid en

onverschilligheid worden aangemerkt; terwijl gij de geestdrift,

waarmede ik het lot der koninklijke familie naga, zoudt beschouwen als

een roof gepleegd aan de wederliefde die ik u verschuldigd zou zijn.”

„Met andere woorden, freule Mac-Ivor, gij kunt mij niet beminnen?” zei

Eduard ter neêrgeslagen.

„Ik zou u even zeer en misschien meer dan eenig man, dien ik ooit

gezien heb, kunnen hoogachten, mijnheer Waverley, maar ik kan u niet

beminnen, zoo als gij moet bemind worden. O! verlang, om uw eigen wil,

zulk een gevaarlijke proef niet. De vrouw, die gij huwt, moet hare

neigingen en gevoelens, naar de uwen wijzigen. Haar gedachten moeten

uwe gedachten zijn; – haar wenschen, haar gewaarwordingen, haar hoop en

haar vrees, moeten alle met de uwen inéensmelten. Zij moet uwen

genoegens verhoogen, uwe zorgen met u deelen en u opbeuren als ge

droefgeestig zijt.”

„En waarom wilt ge, freule Mac-Ivor, die een gelukkige echtvereeniging

zoo goed weet te beschrijven, niet zelve de persoon zijn, die gij

beschrijft?”

„Is het mogelijk dat ge mij nog niet begrijpt? Heb ik u niet gezegd,

dat al mijne gedachten zich enkel en alleen bepalen tot een

gebeurtenis, waarop ik inderdaad geen anderen invloed bezit, dan dien

welken mijne vurige beden mogen uitoefenen.”

„En zou niet het inwilligen van mijn verzoek” zeide Waverley, „zelfs de

zaak kunnen bevorderen, waaraan ge u zoo geheel hebt gewijd? Mijn

familie is rijk en machtig; in haar beginselen het huis van Stuart

genegen, en mocht eenige gunstige gelegenheid –”

„Een gunstige gelegenheid!” hernam Flora, min of meer met trotsche

verachting. – In haar beginselen! – Kan zulk eene lauwe welwillendheid

eervol zijn voor u zelven, of aangenaam aan uw wettigen Souverein! –

Bereken naar mijn tegenwoordig gevoel, wat ik te lijden zou hebben, als

ik lid was eener familie, bij welke de rechten die ik voor de heiligste

houd, onderworpen worden aan koele berekening, en slechts dan

ondersteuning waardig geacht worden, als het blijkt dat ze op het punt

zijn, om ook zonder deze te zegepralen!”

„Uwe twijfelingen,” antwoordde Waverley met levendigheid, „zijn

onrechtvaardig, voor zoo veel mij betreft. De zaak, welke ik omhelzen

zal, zal ik, trots alle gevaren, blijven voorstaan, even onversaagd als

de stoutmoedigste, die ooit het zwaard daarvoor trok.”

„Daaraan,” antwoordde Flora, „kan ik zelfs geen oogenblik twijfelen.

Maar raadpleeg uw eigen gezond verstand liever, dan een in der haast

opgevatte ingenomenheid, waarschijnlijk alleen, omdat gij een jong

meisje, met de gewone begaafdheden eener beschaafde opvoeding bedeeld,

in een afgelegen en romantische landstreek ontmoet hebt. Laat uw

deelgenootschap aan dat groot en gevaarlijk drama op overtuiging

berusten, en niet op een hartstochtelijk, en misschien wel voorbijgaand

gevoel.”

Waverley poogde te antwoorden; maar de woorden ontbraken hem. De door

Flora geuite gevoelens billijkten de sterkte der genegenheid die hij

haar toedroeg; want zelfs haar gehechtheid aan de Stuarts, hoewel

overdreven, was grootsch en edel; ze achtte het beneden zich gebruik te

maken van eenig onrechtstreeksch middel, om de zaak waaraan ze zich

toegewijd had te bevorderen.

Nadat ze het pad dat naar beneden in het dal voerde een kort eind

zwijgend waren afgewandeld, vatte Flora het gesprek aldus weder op. –

„Nog éen woord, mijnheer Waverley, eer wij dit onderwerp voor altijd

laten varen; en vergeef mijn vermetelheid, zoo dat woord zweemt naar

een waarschuwing. Mijn broeder Fergus wenscht vurig, dat ge deel zult

nemen aan de onderneming door hem beraamd. Maar besluit hiertoe niet; –

ge zoudt, door uw persoonlijken bijstand den goeden uitslag weinig

kunnen bevorderen; maar daarentegen onvermijdelijk deelen in zijn val,

zoo het Gods wil is dat hij valt. Uw goede naam zou dus een

onherstelbare schade lijden. Laat mij u smeeken, naar uw eigen land

terug te keeren, en als ge u openlijk hebt los gemaakt van elke

verbintenis met het heerschend geslacht, zult ge, vertrouw ik,

genoegzame reden en gelegenheid vinden, om uw mishandelden Souverein

met kracht te dienen, en even als uwe edele voorouders, moedig optreden

aan het hoofd uwer natuurlijke volgelingen en aanhangers – als een

waardig afstammeling van het huis van Waverley.”

„En als ik zoo gelukkig was, mij aldus te onderscheiden, zou ik dan

mogen hopen –”

„Vergeef me, dat ik u in de reden val. Slechts het tegenwoordige

oogenblik is het onze, en ik kan niet anders, dan u openhartig de

gevoelens doen kennen die ik thans koester; welke wending ze zouden

kunnen nemen door een gunstigen loop van zaken, waarop niet te hopen

valt, zou nutteloos zijn om zelfs te willen gissen. Wees echter

verzekerd, mijnheer Waverley, dat, na de eer en het geluk mijns

broeders, ik steeds oprecht voor de uwe zal bidden.”

Met deze woorden verliet ze hem, want ze waren nu een plaats genaderd,

waar het pad zich in tweeën scheidde. Waverley bereikte het slot onder

een mengeling van tegenstrijdige aandoeningen. Hij vermeed zorgvuldig

elke afzonderlijke ontmoeting met Fergus, daar hij zich niet in staat

gevoelde diens scherts te verdragen, of op zijne vragen te antwoorden.

Het rumoer en de opgewondenheid van het feest, want Mac-Ivor hield open

tafel voor zijn clan, strekten min of meer om zijn gedachten af te

leiden. Toen de maaltijd geëindigd was, begon hij te overleggen, hoe

hij freule Mac-Ivor, na de pijnlijke en belangrijke verklaring van dien

morgen, weer zou ontmoeten. Maar Flora verscheen niet. Fergus, wiens

oog vuur schoot, toen hem door Cathleen gezegd werd, dat haar meesteres

voornemens was dier avond op haar kamer te blijven, ging haar zelf

opzoeken; maar waarschijnlijk waren zijn vertoogen vruchteloos, want

hij kwam terug met een verhoogde kleur en blijkbare teekenen van

misnoegen. Het overige van den avond ging voorbij zonder eenige

toespeling, van Fergus of Waverley, op het onderwerp hetwelk de

gedachten van den laatsten, en misschien van beide, geheel vervulde.

Op zijn kamer teruggekeerd, poogde Eduard al hetgeen dien dag

voorgevallen was, na te gaan. Dat de afwijzing, die hij van Flora had

geleden, voor het oogenblik onveranderlijk was, leed geen twijfel. Maar

kon hij hopen om eindelijk te slagen, als de omstandigheden het

hervatten van zijn aanzoek eens gedoogden? Zou haar getrouwheid aan het

oude koningshuis, die men bijna dweepziek zou kunnen heeten, en welke

in dit oogenblik van spanning aan geene zachtere aandoening toegang

vergunde, den goeden of kwaden uitslag der tegenwoordige staatkundige

woelingen overleven? En zoo ja, kon hij dan hopen, dat de

belangstelling die ze te zijnen aanzien erkend had te gevoelen, wijken

zou voor een vuriger genegenheid? Hij pijnigde zijn geheugen door elk

woord te herhalen, dat ze gebezigd had, terwijl hij zich de blikken en

bewegingen, waardoor ze versterkt waren, evenzeer voor den geest

bracht, en eindigde met zich in denzelfden staat van onzekerheid, te

bevinden. Het was zeer laat, toen de slaap eindelijk het oproer in zijn

hart tot bedaren bracht, na den smartelijksten en onrustigsten dag,

dien hij ooit beleefd had.

Waverley(#75933) · 第 61 / 156 题