EEN OPHELDERING.

De wenk, door het Opperhoofd aangaande Flora gegeven, was niet zonder

bedoeling. Hij had met groot genoegen Waverley’s ontkiemende

genegenheid voor zijn zuster opgemerkt; ook zag hij geenerlei

zwarigheid tegen hun vereeniging, behalve het ambt, door Eduards vader

bij het Ministerie bekleed, en Eduards eigene positie bij het leger van

George II. Deze beletselen waren thans weggeruimd, en op een wijze,

waardoor oogenschijnlijk de weg werd gebaand, om ten minste den zoon

aan een andere partij te verbinden. In elk ander opzicht was het

huwelijk allerverkieslijkst. De veiligheid, het geluk en de eervolle

verzorging van zijn zuster, die hij hartelijk lief had, scheen door de

voorgestelde vereeniging verzekerd te zijn. En zijn hart zwol, wanneer

hij bedacht, hoe de belangrijkheid van zijn eigen persoon zou toenemen

in de oogen des verbannen Konings, dien hij zoo trouw diende, door eene

verzwagering met een dier oude, machtige en rijke Engelsche geslachten

van dezelfde staatkundige richting, en bij wie het van zooveel belang

voor het huis der Stuarts was, de eenigszins voor hunne zaak verzwakte

gehechtheid te verlevendigen. Fergus zag geen zwarigheid hoegenaamd in

dit ontwerp. Blijkbaar had Waverley liefde voor freule Mac-Ivor

opgevat, en daar hij een goed uiterlijk bezat, en zijn neigingen

oogenschijnlijk met die van Flora overeenstemden, verwachtte hij geen

tegenstand van haar kant. Inderdaad, vervuld met zijn denkbeelden van

aartsvaderlijke macht, en die welke hij in Frankrijk had opgedaan, waar

het de beschikking over meisjes tot het huwelijk gold, zou eenige

tegenkanting van zijn zuster, hoe lief Flora hem ook wezen mocht, het

laatste beletsel zijn geweest, waarop hij rekende, al ware hem ook de

verbindtenis minder verkieslijk toegeschenen.

Met deze gevoelens bezield, bracht het Opperhoofd Waverley thans bij

Flora, niet zonder eenige hoop, dat de oogenblikkelijke opgewondenheid

van zijn gast hem de stoutmoedigheid verleenen zou, om, wat hij „den

roman der vrijerij” noemde, maar kortweg af te doen. Zij vonden Flora

met haar getrouwe gezellinnen, Una en Cathleen, bezig met het

vervaardigen van hetgeen Waverley hield voor bruidsgeschenken. Terwijl

hij de onrust die hem bezielde, zooveel mogelijk ontveinsde, vroeg hij,

voor welke heugelijke gelegenheid freule Mac-Ivor zulke omslachtige

toebereidselen maakte.

„Het is voor Fergus’ bruiloft,” zeide ze glimlachende.

„Zoo! – hij heeft zijn geheim goed bewaard. – Ik hoop dat hij mij

veroorloven zal zijn bruidsjonker te zijn.”

„„Dat is de post eens mans, maar niet de uwe,” zooals Beatrix zegt,”

[105] hernam Flora.

„En wie is de schoone dame, als het geoorloofd is te vragen, freule

Mac-Ivor.”

„Heb ik u al niet lang geleden gezegd, dat Fergus geene andere bruid

verlangt, dan de Eer?” was Flora’s antwoord.

„En zou ik dan onwaardig wezen om zijn bondgenoot en raadsman te zijn?”

zeide onze held, sterk kleurende. „Sta ik zoo laag bij u

aangeschreven?”

„Volstrekt niet, kapitein Waverley. Ik zou veel geven, indien het den

Hemel behaagde, u tot de onzen te tellen! Als ik eene uitdrukking

bezigde, die u mishaagt, het is

Omdat gij niet behoort tot onzen raad,

Maar tegen ons als vijand over staat”

„Die tijd is voorbij, zuster, en ge moogt Eduard Waverley (niet langer

Kapitein) geluk wenschen, dat hij bevrijd is van de slavernij eens

overheerschers, waarvan deze zwarte en onheilspellende kokarde het

zinnebeeld is.”

„Ja,” zeide Waverley, terwijl hij de kokarde van zijn hoed nam, „het

heeft den Koning, die mij dit teeken schonk, behaagd het terug te nemen

op een wijze, die mij niet veel reden geeft, om het verlies te

betreuren.”

„God dank!” riep de schoone met geestdrift, „en o, mochten ze blind

genoeg zijn, om iederen man van eer, die hen dient, op dezelfde

onwaardige wijze te behandelen, opdat ik minder te betreuren moge

hebben, als het oogenblik der worsteling gekomen is!”

„En nu, zuster, haast u zijn kokarde door een van veel levendiger kleur

te vervangen. Mij dunkt, het behoorde tot het werk der dames van den

ouden tijd, hun ridders te wapenen en tot groote daden uit te zenden.”

„Niet, voordat de dolende ridder de rechtvaardigheid en het gevaar der

zaak wel overwogen had, Fergus. Mijnheer Waverley is op het oogenblik

te zeer geschokt door nog versche aandoeningen, dan dat ik hem thans

tot een besluit van groot gewicht zou willen opwekken.”

Waverley, in den aanvang iets verontrust door de gedachte, van de leus

aan te nemen van diegenen, die door de meerderheid in het land voor

oproerstokers gehouden werden, kon evenwel zijn gevoeligheid niet

verbergen over de koelheid, waarmede Flora den wenk haars broeders van

de hand wees. „Ik zie dat Freule Mac-Ivor den ridder haar aanmoediging

en gunst onwaardig acht,” zeide hij, eenigszins bits.

„Dat niet, mijnheer Waverley ’’ hernam ze met veel zachtheid. „Waarom

zoude ik mijns broeders hooggeschatten vriend een gunst weigeren, die

ik wel aan den geheelen clan schenk? Van ganscher harte zou ik iederen

man van eer voor de zaak werven, waaraan mijn broeder zich heeft

toegewijd. Maar Fergus heeft zijn besluit met open oogen genomen. Zijn

leven is van zijn wieg af aan deze zaak gewijd geweest; voor hem is de

roeping heilig, al ware ze ook voor hem een roeping tot den dood. Maar

hoe kan ik wenschen, dat gij, mijnheer Waverley, zoo onbekend met de

wereld, zoo ver van iederen vriend, die u kan raden en u behoort te

leiden, op een oogenblik daarenboven van verontwaardiging en toorn –

hoe kan ik wenschen, dat gij u op eens in zulk een wanhopige

onderneming zoudt storten?”

Fergus, die geen begrip van dergelijke kieschheid had, stapte door de

kamer, terwijl hij zich op de lippen beet. Vervolgens voegde hij freule

Mac-Ivor, met een gedwongen glimlach toe: „Nu, zuster, ik laat u uwe

nieuwe rol van bemiddelares tusschen den Keurvorst van Hannover en de

onderdanen van uw wettigen Souverein en weldoener alleen spelen,”

waarop hij het vertrek verliet.

Er volgde een oogenblik van pijnlijke stilte, welke ten laatste door

freule Mac-Ivor werd afgebroken. „Mijn broeder is onrechtvaardig,”

zeide ze, „omdat hij niet dulden kan, dat men zijn getrouwen ijver

zelfs schijnbaar tegenwerkt.”

„En deelt gij dan zijn vurige geestdrift niet?”

„Zou ik niet?” hernam Flora. – „God weet dat de mijne, zoo mogelijk, de

zijne nog overtreft. Maar ik word niet, zoo als hij, door de drukte der

krijgstoerusting, en de tallooze bijzonderheden welke de beraamde

onderneming vereischt, verhinderd de groote beginselen, waarop ons

ontwerp is gegrond in overweging te nemen, die zeker slechts door

maatregelen kunnen bevorderd worden, welke in zich zelven waar en goed

zijn. Maar het zou het een noch het ander zijn, wanneer ik van uwe

tegenwoordige stemming gebruik maakte, mijnheer Waverley, om u tot een

onherroepelijken stap te brengen, waarvan gij het gegronde noch

gevaarlijke bedaard hebt kunnen wikken en wegen.”

„Onvergelijkelijke Flora!” riep Eduard, terwijl hij haar hand greep;

„hoezeer heb ik zulk een raadgeefster noodig!”

„Eene veel betere,” zeide Flora, terwijl ze haar hand zachtkens

terugtrok, „zal de heer Waverley altijd in zijn eigen hart vinden, zoo

hij maar naar deze zachte stem wil luisteren.”

„Neen, freule Mac-Ivor, dat kan ik niet gelooven: duizend

omstandigheden die er mij toe gebracht hebben, mij geheel aan mijn

eigene denkbeelden over te geven, hebben mij meer aan de ingevingen der

verbeelding, dan aan die der rede onderworpen. Indien ik slechts durfde

hopen – als ik slechts denken kon – dat ge u verwaardigen wildet, een

toegenegene, toegevende vriendin voor mij te zijn, die mij kracht zou

geven om mijn fouten te herstellen, mijn volgend leven –”

„Bedaar, waarde heer! nu brengt u de vreugde, dat ge aan de handen van

een Jacobietischen werver ontsnapt zijt, tot overdrevene dankbaarheid.”

„Liefste Flora, speel niet langer met mij! Gij kunt de taal van een

hartstocht niet miskennen, welken ik, ook zonder het te willen, aan den

dag heb gelegd; en nu ik het ijs heb gebroken, laat mijne

stoutmoedigheid mij niet benadeelen. – Mag ik, met uw verlof, uw

broeder zeggen –”

„Om alles ter wereld niet, mijnheer Waverley.”

„Wat moet ik daaruit opmaken?” zeide Eduard. „Bestaat er eenige

noodlottige hinderpaal? – heeft een vroegere genegenheid –?”

„Neen, Mijnheer,” hernam Flora. „Ik ben het aan mij zelve verschuldigd

te zeggen, dat ik nooit iemand ontmoet heb, die mij aanleiding gaf aan

zoo iets als waarvan er thans sprake is, te denken.”

„Misschien is onze korte kennismaking; – als freule Mac-Ivor zich

verwaardigen wilde mij tijd te geven –”

„Ik heb zelfs die verontschuldiging niet. Kapitein Waverley’s karakter

is zoo open, – is, in het kort, van dien aard, dat men het niet

miskennen kan, noch wat sterkte noch wat zwakheid betreft.”

„En om die zwakheid veracht ge mij?” zeide Eduard.

„Vergeef mij, mijnheer Waverley – en herinner u, dat het slechts een

half uur geleden is, dat er nog een hinderpaal tusschen ons bestond van

onoverkomelijken aard, daar ik aan een officier in dienst des

Keurvorsten van Hannover slechts kon denken, als aan een onverschillige

kennis. Veroorloof mij dus over zulk een onverwachte zaak, na te

denken, en in minder dan een uur zal ik gereed zijn u zoodanige redenen

van mijn besluit te geven, die afdoende zijn, al mogten ze ook niet

aangenaam schijnen.” Hiermede ging Flora heen, terwijl ze Waverley

achterliet om na te peinzen over de wijze, waarop zij zijn aanzoek had

ontvangen.

Eer hij bij zichzelven kon nagaan of hij afgewezen was of niet, trad

Fergus het vertrek weêr binnen. „Hoe! à la mort, Waverley?” riep hij,

„kom met mij naar het voorplein, en ge zult een gezicht genieten, de

fraaiste beschrijvingen in uwe romans waardig. Een honderdtal geweeren,

vriend, en even zoo vele sabels, daar pas van goede vrienden gekomen,

en twee of driehonderd stevige knapen bijna vechtende, wie ze zal

bezitten. – Maar laat mij u van naderbij bezien. – Wel! een echte

Hooglander zou zeggen, dat ge door een boos oog betooverd waart. – Of

kan het zijn, dat dit dwaze meisje u uit het veld heeft geslagen? –

Denk om haar niet, beste Eduard; de wijssten van haar geslacht zijn

dwazen, waar het de ernstige belangen des levens geldt.”

„Inderdaad, waarde vriend,” antwoordde Waverley, „al wat ik tegen uwe

zuster inbrengen kan, is, dat zij te knap, te verstandig is.”

„Als dat alles is, dan verwed ik er een louis d’or onder, dat deze bui

overdrijven zal, eer wij vier en twintig uren verder zijn. Geen vrouw

ter wereld is ooit zoo lang achtereen verstandig; en, zoo u dit

genoegen doet, sta ik er voor in, dat Flora morgen zoo onredelijk zal

zijn als iedere andere. Gij moet leeren, waarde Eduard, de vrouwen en

mousquetaire te behandelen.” Dit zeggende, nam hij Waverley onder den

arm, en sleepte hem voort, om zijne krijgstoerustingen te zien.

Waverley(#75933) · 第 59 / 156 题