De brieven, die Waverley tot nu toe van zijn vrienden uit Engeland
ontvangen had, waren niet van dien aard, dat ze eenige bijzondere
vermelding in dit verhaal eischen. Zijn vader schreef hem gewoonlijk
met de hoogdravende gemaaktheid van iemand, die te zeer verdiept was in
openbare zaken, om tijd te kunnen vinden tot het behartigen van die
zijner familie. Tusschenbeide maakte hij gewag van personen van rang in
Schotland, aan wie hij zou wenschen, dat zijn zoon eenige beleefdheden
bewees; maar Waverley, tot hiertoe geheel vervuld met de genoegens, die
hij op Tully-Veolan en Glennaquoich genoot, had gemeend zich niet te
moeten bekreunen om vluchtige wenken, vooral daar de afstand, zijn kort
verlof en wat dies meer zij, gereedelijk tot verontschuldiging konden
strekken. Sedert eenigen tijd echter behelsden des heeren Richards
vaderlijke brieven zekere geheimzinnige wenken omtrent toekomstige
grootheid en gezag, en gaven zijn zoon zekere vooruitzichten op de
snelste bevordering, als hij maar in den krijgsdienst bleef. Sir
Everhard’s brieven waren van geheel anderen inhoud. Ze waren kort; want
de goede Baronet behoorde niet tot die onhebbelijke correspondenten,
wier schrift het grootste blad postpapier vult, en geen plaats overlaat
voor het zegel; maar ze waren vriendelijk en vol liefde, en sloten
zelden zonder eenige toespeling op de paarden van onzen held, eenig
onderzoek naar den staat zijner beurs en een bijzondere navraag naar de
recruten, welke met hem Waverley-Honour verlaten hadden. Tante Rachel
beval hem aan, zorg te dragen voor zijn gezondheid, zich in acht te
nemen voor de Schotsche mistbuien, welke, zooals ze gehoord had, een
Engelschman tot op de huid nat maken, nooit des avonds uit te gaan
zonder overjas, en vooral flanel te dragen op het bloote lijf.
De heer Pembroke had onzen held slechts eens geschreven; maar deze
brief was zesmaal langer dan de epistels uit onze ontaarde dagen, daar
hij, in den gematigden omvang van tien bladzijden folio, dicht
geschreven, een overzicht van een supplementoir kwartijn, van addenda,
delenda en corrigenda bevatte op de twee verhandelingen, die hij
Waverley geschonken had. Dit wilde hij beschouwd hebben als een enkel
brokje, om den honger van Eduards weetgierigheid te stillen, tot hij
gelegenheid zou vinden, om het boekdeel zelf te zenden, daar het veel
te zwaar voor de post, en hij voornemens was er zekere belangrijke
stukjes bij te voegen, onlangs bij zijn vriend den uitgever verschenen.
Met dezen toch had hij een soort van letterkundige briefwisseling
aangehouden, tengevolge waarvan de boekerij van Waverley-Honour met
niet weinig prullen werd vermeerderd, en er jaarlijks een knappe
rekening, zelden in minder dan drie eindcijfers bij de opsomming werd
overgemaakt, waarop Sir Everhard Waverley van Waverley-Honour stond
aangeteekend als schuldig aan Jonathan Grubbet, boekverkooper te
Londen. Dusdanig waren tot hiertoe de brieven geweest, welke Eduard uit
Engeland had ontvangen; maar het paket, dat hem op Glennaquoich ter
hand gesteld werd, was van geheel verschillenden en hoogstbelangrijken
inhoud. Het zou den lezer onmogelijk zijn, – al deelde ik ook de
brieven voluit mede, de wezenlijke reden, waarom ze geschreven waren,
te begrijpen, zonder een blik in het binnenste van het Britsche
kabinet, op het bedoelde tijdstip, geslagen te hebben.
Het gebeurde – juist geen zeldzaam voorval – dat de Ministers van den
dag in twee partijen waren verdeeld. De zwakste zocht, door ijverige
intriges te vergoeden, wat ze in wezenlijk gehalte te kort schoot. Er
waren onlangs eenige bekeerlingen gemaakt, hetgeen hun de hoop gaf, om
hun mededingers de loef af te steken in de gunst huns Souvereins, en
tevens een overwicht op hen te hebben in het huis der Gemeenten. Onder
anderen hadden zij het de moeite waard geacht Richard Waverley tot de
hunnen over te halen. Deze eerzame heer had – door een deftig,
geheimzinnig gedrag, door veel oplettendheid ten aanzien der étiquette
van het bestuur, zoo wel als het wezen er van, en een gemakkelijkheid
in het houden van lange, holle redevoeringen, bestaande in
onwedersprekelijke waarheden en gemeenplaatsen, opgeschikt met de
brabbeltaal van officiëele kunsttermen, die beletten dat men de
nietigheid der redeneering ontdekt, – zich eenigen naam en vertrouwen
als staatsman verworven, ja, ging zelfs bij velen door voor een diep
denker. Wel is waar, zeide men dat hij geen dier schitterende redenaars
was, wier talenten in beeldspraak en vonken van vernuft vervliegen,
maar dat hij iemand was in zaken grondig onderlegd, die zich, gelijk de
dames bij het kiezen eener zijden stof zeggen, „goed zou houden,” en
met grond kon geacht worden geschikt te zijn voor gewoon en alledaagsch
gebruik, ofschoon men moest bekennen dat ze niet geschikt was „om er
een zondagskleed van te laten maken.”
Dit gevoelen omtrent den heer Richard Waverley was zoo algemeen
geworden, dat de partij in het Kabinet, waarvan we gesproken hebben, na
diens gevoelens gepolst te hebben, zoo tevreden was over zijn
gezindheid en bekwaamheden, dat ze hem voorstelde, in geval van zekere
omwenteling in het Ministerie, hem een aanzienlijke plaats in de nieuwe
orde van zaken te doen bekleeden, wel niet van den allereersten rang,
maar toch aanmerkelijk hooger, wat het voordeel betrof, en het gezag,
dan die welke hij thans innam. Er was geen weerstandbieden aan zulk een
verleidelijken voorslag, hoewel ook de groote man, onder wiens
bescherming hij in dienst geraakt was, en wiens banieren hij tot
hiertoe gevolgd had, het voorname doel van den aanval der nieuwe
bondgenooten was. Ongelukkig stierf dit schoone ontwerp der eerzucht,
door een voorbarige openbaring, reeds in den knop. Al de aan het
Gouvernement verbonden heeren die er in betrokken waren, en zwarigheid
maakten om een vrijwillig ontslag te kiezen, ontvingen bericht, dat de
Koning geen verder gebruik van hun dienst kon maken. Richard Waverley
behoorde onder dit aantal, en daar hij in de oogen van den Minister
zich aan zwarte ondankbaarheid schuldig geraakt had, werd hij met iets
dat naar personeele minachting en schande zweemde, ontslagen. Het
algemeen, en zelfs de aanhang, in welks val hij deelde, toonde weinig
medelijden met de teleurstelling van dezen baatzuchtigen staatsman. Hij
begaf zich dus naar buiten, met de aangename gedachte, dat hij
tegelijkertijd zijn goeden naam, zijn crediet en – hetgeen hij lang
niet het minst betreurde – zijn inkomen verspeeld had.
Richard Waverley’s brief aan zijn zoon, bij deze gelegenheid, was een
meesterstuk in zijn soort. Aristides zelf had zich niet over iets
onbillijkers kunnen beklagen. Een onrechtvaardig Vorst en een
ondankbaar land maakten den inhoud van elken schoon geronden volzin
uit. Hij sprak van langdurige diensten en onvergolden opofferingen,
schoon de eerste met zijn salaris meer dan betaald waren, en niemand
raden kon waarin de laatste bestonden; tenzij misschien daarin, dat
hij, niet uit overtuiging, maar uit winstbejag, de staatkundige
beginselen zijner familie had verzaakt. In het slot werd zijn
gevoeligheid, door zijn eigene welsprekendheid tot zulk een hoogte
geprikkeld, dat hij eenige bedreigingen van wraak, hoe onbepaald en
machteloos ook, niet kon bedwingen: en eindelijk maakte hij zijn zoon
bekend met zijn wensch, dat deze zijn gevoeligheid over de harde
behandeling, door zijn vader ondergaan, zou laten blijken, door op het
oogenblik, dat deze brief tot hem kwam, zijn ontslag uit den dienst te
nemen. Dit was, zeide hij, ook het verlangen van zijn oom, zoo als deze
hem te geschikter ure zou doen weten.
Dientengevolge was de eerste brief, die nu door Eduard werd geopend,
van Sir Everhard. De ongenade, waarin zijn broeder gevallen was, scheen
uit zijn rechtgeaarden boezem alle herinnering aan hunne oneenigheden
te hebben uitgewischt; en verwijderd als hij was van alle gelegenheden
om te vernemen, dat deze ongenade inderdaad slechts het rechtvaardige,
zoowel als het natuurlijke, gevolg van Richards mislukte streken was,
hield de goede, maar lichtgeloovige edelman het terstond voor een nieuw
en verschrikkelijk bewijs der onrechtvaardigheid van het bestaande
Bewind. Het was waar, zeide hij, en hij mocht dit zelfs voor Eduard
niet verbloemen, dat zijn vader zulk een beleediging, als nu voor het
eerst aan iemand van zijn huis werd aangedaan, niet zou hebben
ondergaan, zoo hij zich daaraan niet had blootgesteld door het aannemen
van een post onder het tegenwoordig stelsel. Sir Everhard twijfelde
niet, of hij zag en gevoelde nu de grootheid van dezen misslag, en het
zou zijne (Sir Everhards) eerste bemoeiing zijn te zorgen, dat zijn
verdriet niet door geldzorgen vermeerderd werd. Het was voor een
Waverley genoeg aan openbare vernedering bloot gestaan te hebben; het
materiëele nadeel was door het hoofd der familie licht te verhelpen.
Maar het was zoowel des heeren Richards gevoelen, als het zijne, dat
Eduard, de stamhouder van het geslacht van Waverley-Honour, in geen
betrekking behoorde te blijven, die hem aan een dergelijke behandeling
blootstelde als die, welke zijn vader getroffen had. Hij verzocht dus
zijn neef, de meest geschikte en te gelijkertijd de spoedigste
gelegenheid aan te grijpen, om zijn ontslag als officier bij het
Ministerie van oorlog in te zenden, en daarbij te kennen, dat er niet
veel plichtplegingen bij noodig waren, waar men zoo weinig complimenten
omtrent zijn vader had gebezigd. Hij belastte hem te gelijkertijd met
vele groeten voor den baron van Bradwardine.
Een brief aan tante Rachel sprak zelfs nog duidelijker. Zij beschouwde
het ongeluk van broeder Richard als een billijke straf voor de
verzaking zijner gehoorzaamheid aan den wettigen, schoon verbannen
Souverein, en voor de laagheid die hij gehad had, den eed van trouw aan
een vreemdeling te doen; een zwakheid, welke haar grootvader, sir Nigel
Waverley, nooit had willen betoonen, noch tegenover het parlement der
Rondhoofden, noch tegenover Cromwell, toen zijn leven en fortuin in het
grootste gevaar verkeerden. Zij hoopte dat haar lieve Eduard de
voetstappen zijner voorvaderen zou volgen, en zoo spoedig mogelijk de
kenteekenen zijner dienstbaarheid aan de overheerschende dynastie zou
afleggen, daar zij het onrecht, door zijn vader geleden, beschouwde als
een vermaning van den Hemel, dat elke afwijking van den weg der
getrouwheid aan den wettigen Vorst haar eigene straf medebrengt. Ook
zij besloot met hare groeten aan den heer Bradwardine, en verzocht
Waverley haar te berichten, of zijn dochter Rose oud genoeg was, om een
paar heel fraaie oorbellen te dragen, die zij als een blijk harer
genegenheid wenschte te zenden. Insgelijks verlangde de goede dame te
mogen weten, of de heer Bradwardine nog zoo veel Schotsche snuif
gebruikte en zoo onvermoeid danste, als toen hij, omtrent dertig jaar
geleden, op Waverley-Honour was.
Deze brieven, gelijk te wachten was, wekten Waverley’s verontwaardiging
in hooge mate op. Ten gevolge van zijn slecht geregelde studie, bezat
hij geen enkele bepaald staatkundige meening, die hij tegenover de
smart en den toorn kon stellen, die hij bij zijns vaders veronderstelde
verongelijking gevoelde. Van de ware oorzaak zijner ongenade was Eduard
ten eenemale onkundig, daar zijn leefwijze hem geen aanleiding gegeven
had, om de staatkunde van den dag te onderzoeken, of de intrigues, in
welke zijn vader zulk een levendig deel had genomen, te ontwarren. Om
de waarheid te zeggen, de eenige indrukken, die hij van de bestaande
partijschappen ontvangen had, waren, ten gevolge van het gezelschap, op
Waverley-Honour, eer ongunstig dan gunstig voor het tegenwoordig Bewind
en de regeerende dynastie. Hij deelde dus zonder de minste aarzeling de
verontwaardiging zijner bloedverwanten, die het meeste recht hadden, om
hem regels voor zijn gedrag voor te schrijven; en misschien deed hij
dit niet minder gaarne, als hij zich de verveling in zijn garnizoen
voor den geest riep, en de onbeduidende rol die hij onder de officieren
van zijn regiment had gespeeld. Zoo hij evenwel nog eenigen twijfel
omtrent de zaak had kunnen koesteren, zou ze beslist zijn geworden door
den volgenden brief van zijn Chef, dien wij, daar hij zeer kort is,
hier letterlijk zullen inlasschen.
„Mijnheer!
Daar ik de grenzen van mijn plicht eenigszins overschreden heb door een
toegevendheid, die het licht ons door de natuur geschonken, en veel
meer dat des Christendoms, ons voorschrijft omtrent misslagen, welke
uit jeugd en gemis aan ondervinding voortspruiten, en dit geheel zonder
vrucht gebleven is, word ik mijns ondanks gedwongen, bij de
tegenwoordige crisis, het eenige middel te bezigen, dat nog in mijn
macht is. Derhalve beveel ik u bij dezen naar **, het hoofdkwartier van
uw regiment, terug te keeren, binnen drie dagen na datum dezes
schrijvens. Zoo gij in gebreke blijft aan dit bevel gehoor te geven,
moet ik u bij het Ministerie van oorlog aangeven als afwezig zonder
verlof, en te gelijk andere stappen doen, die onaangenaam zullen zijn
voor u, zoo wel als voor,
Mijnheer,
Uw gehoorzamen dienaar,
J. Gardiner, luitenant-kolonel,
kommandeerende het ** regiment dragonders.”
Eduards bloed kookte, terwijl hij dezen brief las. Hij was sedert zijn
vroegste kindsheid gewend geweest, volkomen meester van zijn tijd te
zijn, en had zich dus gewoonten eigen gemaakt, die de regels der
krijgstucht hem even onaangenaam hadden gemaakt in dit, als in sommige
andere opzichten. Het denkbeeld, dat ze in zijn geval niet zeer streng
zouden toegepast worden, had zich bovendien bij hem gevestigd, wat ook
tot hiertoe, door de toegevendheid van zijn Luitenant-Kolonel
gerechtvaardigd werd. Ook was er, voor zoover hij wist, niets gebeurd,
dat zijn Overste kon bewogen hebben, zonder eenige andere waarschuwing,
dan de wenken, waarvan wij op het einde des veertienden hoofdstuks
melding maakten, op eens een harden, en zooals Eduard het noemde,
onbeschaamden toon van dictatoriaal gezag aan te nemen. Terwijl hij dit
in verband bracht met de brieven, juist door hem van zijn familie
ontvangen, kon hij niet anders veronderstellen, dan dat het er op
aangelegd was, om hem, in zijn tegenwoordige omstandigheden, de hand
des gezags even zwaar te doen gevoelen als zijn vader, en dat het
geheel een afgesproken plan was, om elk lid der familie Waverley te
vervolgen en te vernederen.
Zonder uitstel dus schreef Eduard eenige koele regels, waarin hij zijn
Kolonel voor vroegere beleefdheden bedankte, en zijn leedwezen
betuigde, dat hij had kunnen goedvinden de herinnering daaraan uit te
wisschen, door jegens hem een geheel anderen toon aan te nemen. De
strekking van zijn brief, zoowel als hetgeen Eduard begreep zijn plicht
te zijn, in de tegenwoordige crisis, drongen hem zijn ontslag in te
zenden. Hij sloot dus zijn formeelen afstand van een betrekking in, die
hem tot zulk eene onaangename briefwisseling noodzaakte, en verzocht
kolonel Gardiner de goedheid te willen hebben, om dien aan de bevoegde
autoriteit op te zenden.
Toen hij dezen hooghartigen brief geschreven had, wist hij niet recht,
in welke bewoordingen hij zijn ontslag moest aanvragen, en hij besloot
Fergus Mac-Ivor dienaaangaande te raadplegen. In het voorbijgaan moeten
wij aanmerken, dat de stoute en vlugge wijze van denken, handelen en
spreken, welke dit jonge Opperhoofd eigen was, hem een aanmerkelijken
invloed op Waverley had verschaft. Met ten minste gelijke
verstandsvermogens begaafd, en met veel meer smaak, bezweek Eduard
nogtans voor de onversaagde en vastberadene werkzaamheid van een geest,
die zoowel door de gewoonte om naar een voorbedacht en geregeld stelsel
te handelen, als door uitgebreide wereldkennis gescherpt was.
Toen Eduard bij zijn vriend kwam, had de laatste nog de courant in
handen, die hij doorgeloopen had, en ging hem te gemoet met de
verlegenheid van iemand, die onaangenaam nieuws heeft mede te deelen.
„Bevestigen uwe brieven het onaangename bericht, kapitein Waverley, dat
ik in dit blad vind?”
Hij reikte hem het blad over, waarin met de bitterste bewoordingen,
waarschijnlijk overgenomen uit een Londensch dagblad, verslag werd
gedaan van zijns vaders ongenade. Aan het einde van het stuk stond deze
opmerkelijke zinspeling:
„Wij vernemen dat deze Richard, welke al het genoemde gedaan heeft, het
eenig voorbeeld niet is van de weifelende eer van W.v.r.l.y-H.n.r. Zie
de Staats-courant van heden.”
Met bevende en koortsachtige drift zocht onze held de aangehaalde
plaats, en vond daarin vermeld: „Eduard Waverley, kapitein bij het **
regiment dragonders, geschorst wegens afwezigheid zonder verlof;” en op
de lijst der bevorderingen bij hetzelfde regiment, ontdekte hij
vervolgens deze woorden: „Luitenant Julius Butler, kapitein, ter
vervanging van Eduard Waverley, geschorst.”
Het hart van onzen held gloeide van de verontwaardiging, welke
onverdiende en blijkbaar opzettelijke beleediging wel moest opwekken
bij iemand, die naar eer had gestreefd, en nu zoo schandelijk aan
openbaren hoon en minachting werd prijs gegeven. Toen hij de
dagteekening des briefs van zijn Kolonel met die van het artikel in de
courant vergeleek, ontwaarde hij, dat aan de bedreiging om van zijn
afwezigheid rapport te maken, letterlijk gevolg was gegeven, en naar
het scheen zonder het geringste onderzoek, of Eduard zijn aanmaningen
ontvangen had, of gezind was zich daarnaar te gedragen. Het geheel
scheen dus een vastberaamd plan, om hem in de oogen van het publiek te
vernederen; en het denkbeeld, dat dit geslaagd was, vervulde hem met
zulke bittere aandoeningen, dat hij, na verscheidene pogingen om ze te
verbergen, zich ten laatste in de armen van Mac-Ivor wierp, en vrijen
loop liet aan de tranen, door schaamte en verontwaardiging hem
afgeperst.
Het behoorde niet tot de gebreken van het Opperhoofd, dat hij
onverschillig was omtrent het onrecht zijnen vrienden aangedaan; en
voor Eduard koesterde hij, onafhankelijk van zekere plannen, die hij
gesmeed had, en waarin deze voor een gedeelte betrokken was, een
hartelijke en oprechte belangstelling. Deze handelwijze kwam hem even
vreemd voor, als Eduard ze gevonden had. Hij wist, wel is waar, beter
dan Waverley, de redenen, waarom hij zoo stellig bevel had ontvangen om
zich bij zijn regiment te vervoegen. Maar dat de bevelvoerende
Officier, geheel strijdig met zijn algemeen bekend karakter, zonder
verder onderzoek naar omstandigheden of onoverkomelijke beletselen, op
zulk een barsche en ongewone wijze was te werk gegaan, bleef hem een
onoplosbaar raadsel. Hij troostte intusschen onzen held zoo goed hij
kon, en begon diens gedachten met het uitzicht op wraak voor zijn
beleedigde eer te streelen.
Eduard greep dit denkbeeld met vuur aan. „Wilt gij een uitdaging voor
mij aan kolonel Gardiner brengen, mijn waarde Fergus, en mij levenslang
verplichten?”
Fergus zweeg een poos. „Het is een vriendschapsdienst, waarover ge
zoudt mogen beschikken, als die van nut kon zijn, of er toe leiden om
uwe eer te herstellen; maar in het tegenwoordige geval twijfel ik, of
uw Overste u een ontmoeting zou toestaan, op grond dat hij maatregelen
genomen heeft, die, hoe hard en pijnlijk ook, toch binnen de grenzen
van zijn plicht lagen. Daarenboven is Gardiner een strenge Hugenoot,
die zekere denkbeelden koestert omtrent het zondige der tweegevechten,
welke men hem niet gemakkelijk kan doen verzaken, vooral daar zijn moed
boven alle verdenking verheven is. En bovendien, ik – ik – om de
waarheid te zeggen – ik durf, om zeer gewichtige redenen, mij op dit
oogenblik, niet zoo dicht bij deze of gene garnizoensplaats van het
tegenwoordig bewind begeven.”
„En moet ik dan rustig en stil het mij aangedane onrecht dragen?”
„Dat zal ik mijn vriend nooit aanraden. Maar ik zou liever zien dat de
wraak het hoofd en niet de hand trof; – het overheerschend en
onderdrukkend bewind, dat deze opzettelijke en herhaalde beleedigingen
beoogde en bestuurde, maar niet de officiëele werktuigen, die het
bezigt om ze ten uitvoer te brengen.”
„Het bewind!”
„Ja,” hernam de onstuimige Hooglander, „het troonoverweldigend huis van
Hannover, dat uw grootvader evenmin zou gediend hebben, als dat hij
gloeiend goud tot loon en dank van den Satan zelven zou hebben
aangenomen.”
„Maar sedert den tijd van mijn grootvader hebben twee geslachten van
deze dynastie den troon bekleed.”
„Juist, – en omdat wij hun zoo lang lijdelijk gelegenheid gegeven
hebben, om hun aangeboren aard te toonen, – omdat gij zoo wel als ik in
stille onderwerping hebben geleefd, en ons zelf zoo naar den tijd
geschikt hebben, dat wij officiersaanstellingen van hen aannamen, en
hen dus in staat stelden ons in het openbaar te krenken, door ze terug
te nemen, mogen wij daarom geen beleedigingen wreken, die onze vaderen
slechts voorzien, maar die wij werkelijk ondergaan hebben? Of is de
zaak van de ongelukkige familie Stuart minder rechtvaardig geworden,
omdat haar recht is afgedaald op een erfgenaam, die men niet
beschuldigen kan van een slecht Vorst te zijn, zooals vader? –
Herinnert ge u de regels van uw lievelingsdichter niet?
Trad Richard ongedwongen van den troon,
Geen vorst beschikt over iets in heel zijn teven,
Dan over wat ’s Heeren gunst hem heeft gegeven;
En had hem God begiftigd met een zoon,
Het koningsrecht ware aan dien zoon verbleven.
Gij ziet, mijn waarde Waverley, dat ik zoowel dichters kan aanhalen,
als Flora en gij. Maar kom, bedaar wat, en laat het aan mij over, u een
eervollen weg aan te wijzen tot een spoedige en roemvolle wraak. Laat
ons Flora opzoeken, die ons misschien meer nieuws te vertellen heeft
van hetgeen er in onze afwezigheid is voorgevallen. Zij zal zich
verheugen te hooren, dat gij van uwe slavernij ontslagen zijt. Maar
voeg eerst een postscriptum bij uw brief, waarin gij den datum
aangeeft, waarop gij de eerste oproeping van dezen Calvinistischen
kolonel ontvangen hebt; en geef uw leedwezen te kennen, dat zijn
overhaaste maatregelen u belet hebben ze te voorkomen, door het
inzenden van uw vrijwillig ontslag. En laat hem dan blozen over zijn
onrechtvaardigheid!”
Na dit alles werd de brief, die een dienststuk behelsde, waarin hij
zijn ontslag vroeg, verzegeld; en Mac-Ivor verzond dien, met eenige
brieven van hemzelven, door een bijzonderen bode, met last om ze op het
naastbijgelegen postkantoor in de Laaglanden te bezorgen.