NIEUWS UIT ENGELAND.

De brieven, die Waverley tot nu toe van zijn vrienden uit Engeland

ontvangen had, waren niet van dien aard, dat ze eenige bijzondere

vermelding in dit verhaal eischen. Zijn vader schreef hem gewoonlijk

met de hoogdravende gemaaktheid van iemand, die te zeer verdiept was in

openbare zaken, om tijd te kunnen vinden tot het behartigen van die

zijner familie. Tusschenbeide maakte hij gewag van personen van rang in

Schotland, aan wie hij zou wenschen, dat zijn zoon eenige beleefdheden

bewees; maar Waverley, tot hiertoe geheel vervuld met de genoegens, die

hij op Tully-Veolan en Glennaquoich genoot, had gemeend zich niet te

moeten bekreunen om vluchtige wenken, vooral daar de afstand, zijn kort

verlof en wat dies meer zij, gereedelijk tot verontschuldiging konden

strekken. Sedert eenigen tijd echter behelsden des heeren Richards

vaderlijke brieven zekere geheimzinnige wenken omtrent toekomstige

grootheid en gezag, en gaven zijn zoon zekere vooruitzichten op de

snelste bevordering, als hij maar in den krijgsdienst bleef. Sir

Everhard’s brieven waren van geheel anderen inhoud. Ze waren kort; want

de goede Baronet behoorde niet tot die onhebbelijke correspondenten,

wier schrift het grootste blad postpapier vult, en geen plaats overlaat

voor het zegel; maar ze waren vriendelijk en vol liefde, en sloten

zelden zonder eenige toespeling op de paarden van onzen held, eenig

onderzoek naar den staat zijner beurs en een bijzondere navraag naar de

recruten, welke met hem Waverley-Honour verlaten hadden. Tante Rachel

beval hem aan, zorg te dragen voor zijn gezondheid, zich in acht te

nemen voor de Schotsche mistbuien, welke, zooals ze gehoord had, een

Engelschman tot op de huid nat maken, nooit des avonds uit te gaan

zonder overjas, en vooral flanel te dragen op het bloote lijf.

De heer Pembroke had onzen held slechts eens geschreven; maar deze

brief was zesmaal langer dan de epistels uit onze ontaarde dagen, daar

hij, in den gematigden omvang van tien bladzijden folio, dicht

geschreven, een overzicht van een supplementoir kwartijn, van addenda,

delenda en corrigenda bevatte op de twee verhandelingen, die hij

Waverley geschonken had. Dit wilde hij beschouwd hebben als een enkel

brokje, om den honger van Eduards weetgierigheid te stillen, tot hij

gelegenheid zou vinden, om het boekdeel zelf te zenden, daar het veel

te zwaar voor de post, en hij voornemens was er zekere belangrijke

stukjes bij te voegen, onlangs bij zijn vriend den uitgever verschenen.

Met dezen toch had hij een soort van letterkundige briefwisseling

aangehouden, tengevolge waarvan de boekerij van Waverley-Honour met

niet weinig prullen werd vermeerderd, en er jaarlijks een knappe

rekening, zelden in minder dan drie eindcijfers bij de opsomming werd

overgemaakt, waarop Sir Everhard Waverley van Waverley-Honour stond

aangeteekend als schuldig aan Jonathan Grubbet, boekverkooper te

Londen. Dusdanig waren tot hiertoe de brieven geweest, welke Eduard uit

Engeland had ontvangen; maar het paket, dat hem op Glennaquoich ter

hand gesteld werd, was van geheel verschillenden en hoogstbelangrijken

inhoud. Het zou den lezer onmogelijk zijn, – al deelde ik ook de

brieven voluit mede, de wezenlijke reden, waarom ze geschreven waren,

te begrijpen, zonder een blik in het binnenste van het Britsche

kabinet, op het bedoelde tijdstip, geslagen te hebben.

Het gebeurde – juist geen zeldzaam voorval – dat de Ministers van den

dag in twee partijen waren verdeeld. De zwakste zocht, door ijverige

intriges te vergoeden, wat ze in wezenlijk gehalte te kort schoot. Er

waren onlangs eenige bekeerlingen gemaakt, hetgeen hun de hoop gaf, om

hun mededingers de loef af te steken in de gunst huns Souvereins, en

tevens een overwicht op hen te hebben in het huis der Gemeenten. Onder

anderen hadden zij het de moeite waard geacht Richard Waverley tot de

hunnen over te halen. Deze eerzame heer had – door een deftig,

geheimzinnig gedrag, door veel oplettendheid ten aanzien der étiquette

van het bestuur, zoo wel als het wezen er van, en een gemakkelijkheid

in het houden van lange, holle redevoeringen, bestaande in

onwedersprekelijke waarheden en gemeenplaatsen, opgeschikt met de

brabbeltaal van officiëele kunsttermen, die beletten dat men de

nietigheid der redeneering ontdekt, – zich eenigen naam en vertrouwen

als staatsman verworven, ja, ging zelfs bij velen door voor een diep

denker. Wel is waar, zeide men dat hij geen dier schitterende redenaars

was, wier talenten in beeldspraak en vonken van vernuft vervliegen,

maar dat hij iemand was in zaken grondig onderlegd, die zich, gelijk de

dames bij het kiezen eener zijden stof zeggen, „goed zou houden,” en

met grond kon geacht worden geschikt te zijn voor gewoon en alledaagsch

gebruik, ofschoon men moest bekennen dat ze niet geschikt was „om er

een zondagskleed van te laten maken.”

Dit gevoelen omtrent den heer Richard Waverley was zoo algemeen

geworden, dat de partij in het Kabinet, waarvan we gesproken hebben, na

diens gevoelens gepolst te hebben, zoo tevreden was over zijn

gezindheid en bekwaamheden, dat ze hem voorstelde, in geval van zekere

omwenteling in het Ministerie, hem een aanzienlijke plaats in de nieuwe

orde van zaken te doen bekleeden, wel niet van den allereersten rang,

maar toch aanmerkelijk hooger, wat het voordeel betrof, en het gezag,

dan die welke hij thans innam. Er was geen weerstandbieden aan zulk een

verleidelijken voorslag, hoewel ook de groote man, onder wiens

bescherming hij in dienst geraakt was, en wiens banieren hij tot

hiertoe gevolgd had, het voorname doel van den aanval der nieuwe

bondgenooten was. Ongelukkig stierf dit schoone ontwerp der eerzucht,

door een voorbarige openbaring, reeds in den knop. Al de aan het

Gouvernement verbonden heeren die er in betrokken waren, en zwarigheid

maakten om een vrijwillig ontslag te kiezen, ontvingen bericht, dat de

Koning geen verder gebruik van hun dienst kon maken. Richard Waverley

behoorde onder dit aantal, en daar hij in de oogen van den Minister

zich aan zwarte ondankbaarheid schuldig geraakt had, werd hij met iets

dat naar personeele minachting en schande zweemde, ontslagen. Het

algemeen, en zelfs de aanhang, in welks val hij deelde, toonde weinig

medelijden met de teleurstelling van dezen baatzuchtigen staatsman. Hij

begaf zich dus naar buiten, met de aangename gedachte, dat hij

tegelijkertijd zijn goeden naam, zijn crediet en – hetgeen hij lang

niet het minst betreurde – zijn inkomen verspeeld had.

Richard Waverley’s brief aan zijn zoon, bij deze gelegenheid, was een

meesterstuk in zijn soort. Aristides zelf had zich niet over iets

onbillijkers kunnen beklagen. Een onrechtvaardig Vorst en een

ondankbaar land maakten den inhoud van elken schoon geronden volzin

uit. Hij sprak van langdurige diensten en onvergolden opofferingen,

schoon de eerste met zijn salaris meer dan betaald waren, en niemand

raden kon waarin de laatste bestonden; tenzij misschien daarin, dat

hij, niet uit overtuiging, maar uit winstbejag, de staatkundige

beginselen zijner familie had verzaakt. In het slot werd zijn

gevoeligheid, door zijn eigene welsprekendheid tot zulk een hoogte

geprikkeld, dat hij eenige bedreigingen van wraak, hoe onbepaald en

machteloos ook, niet kon bedwingen: en eindelijk maakte hij zijn zoon

bekend met zijn wensch, dat deze zijn gevoeligheid over de harde

behandeling, door zijn vader ondergaan, zou laten blijken, door op het

oogenblik, dat deze brief tot hem kwam, zijn ontslag uit den dienst te

nemen. Dit was, zeide hij, ook het verlangen van zijn oom, zoo als deze

hem te geschikter ure zou doen weten.

Dientengevolge was de eerste brief, die nu door Eduard werd geopend,

van Sir Everhard. De ongenade, waarin zijn broeder gevallen was, scheen

uit zijn rechtgeaarden boezem alle herinnering aan hunne oneenigheden

te hebben uitgewischt; en verwijderd als hij was van alle gelegenheden

om te vernemen, dat deze ongenade inderdaad slechts het rechtvaardige,

zoowel als het natuurlijke, gevolg van Richards mislukte streken was,

hield de goede, maar lichtgeloovige edelman het terstond voor een nieuw

en verschrikkelijk bewijs der onrechtvaardigheid van het bestaande

Bewind. Het was waar, zeide hij, en hij mocht dit zelfs voor Eduard

niet verbloemen, dat zijn vader zulk een beleediging, als nu voor het

eerst aan iemand van zijn huis werd aangedaan, niet zou hebben

ondergaan, zoo hij zich daaraan niet had blootgesteld door het aannemen

van een post onder het tegenwoordig stelsel. Sir Everhard twijfelde

niet, of hij zag en gevoelde nu de grootheid van dezen misslag, en het

zou zijne (Sir Everhards) eerste bemoeiing zijn te zorgen, dat zijn

verdriet niet door geldzorgen vermeerderd werd. Het was voor een

Waverley genoeg aan openbare vernedering bloot gestaan te hebben; het

materiëele nadeel was door het hoofd der familie licht te verhelpen.

Maar het was zoowel des heeren Richards gevoelen, als het zijne, dat

Eduard, de stamhouder van het geslacht van Waverley-Honour, in geen

betrekking behoorde te blijven, die hem aan een dergelijke behandeling

blootstelde als die, welke zijn vader getroffen had. Hij verzocht dus

zijn neef, de meest geschikte en te gelijkertijd de spoedigste

gelegenheid aan te grijpen, om zijn ontslag als officier bij het

Ministerie van oorlog in te zenden, en daarbij te kennen, dat er niet

veel plichtplegingen bij noodig waren, waar men zoo weinig complimenten

omtrent zijn vader had gebezigd. Hij belastte hem te gelijkertijd met

vele groeten voor den baron van Bradwardine.

Een brief aan tante Rachel sprak zelfs nog duidelijker. Zij beschouwde

het ongeluk van broeder Richard als een billijke straf voor de

verzaking zijner gehoorzaamheid aan den wettigen, schoon verbannen

Souverein, en voor de laagheid die hij gehad had, den eed van trouw aan

een vreemdeling te doen; een zwakheid, welke haar grootvader, sir Nigel

Waverley, nooit had willen betoonen, noch tegenover het parlement der

Rondhoofden, noch tegenover Cromwell, toen zijn leven en fortuin in het

grootste gevaar verkeerden. Zij hoopte dat haar lieve Eduard de

voetstappen zijner voorvaderen zou volgen, en zoo spoedig mogelijk de

kenteekenen zijner dienstbaarheid aan de overheerschende dynastie zou

afleggen, daar zij het onrecht, door zijn vader geleden, beschouwde als

een vermaning van den Hemel, dat elke afwijking van den weg der

getrouwheid aan den wettigen Vorst haar eigene straf medebrengt. Ook

zij besloot met hare groeten aan den heer Bradwardine, en verzocht

Waverley haar te berichten, of zijn dochter Rose oud genoeg was, om een

paar heel fraaie oorbellen te dragen, die zij als een blijk harer

genegenheid wenschte te zenden. Insgelijks verlangde de goede dame te

mogen weten, of de heer Bradwardine nog zoo veel Schotsche snuif

gebruikte en zoo onvermoeid danste, als toen hij, omtrent dertig jaar

geleden, op Waverley-Honour was.

Deze brieven, gelijk te wachten was, wekten Waverley’s verontwaardiging

in hooge mate op. Ten gevolge van zijn slecht geregelde studie, bezat

hij geen enkele bepaald staatkundige meening, die hij tegenover de

smart en den toorn kon stellen, die hij bij zijns vaders veronderstelde

verongelijking gevoelde. Van de ware oorzaak zijner ongenade was Eduard

ten eenemale onkundig, daar zijn leefwijze hem geen aanleiding gegeven

had, om de staatkunde van den dag te onderzoeken, of de intrigues, in

welke zijn vader zulk een levendig deel had genomen, te ontwarren. Om

de waarheid te zeggen, de eenige indrukken, die hij van de bestaande

partijschappen ontvangen had, waren, ten gevolge van het gezelschap, op

Waverley-Honour, eer ongunstig dan gunstig voor het tegenwoordig Bewind

en de regeerende dynastie. Hij deelde dus zonder de minste aarzeling de

verontwaardiging zijner bloedverwanten, die het meeste recht hadden, om

hem regels voor zijn gedrag voor te schrijven; en misschien deed hij

dit niet minder gaarne, als hij zich de verveling in zijn garnizoen

voor den geest riep, en de onbeduidende rol die hij onder de officieren

van zijn regiment had gespeeld. Zoo hij evenwel nog eenigen twijfel

omtrent de zaak had kunnen koesteren, zou ze beslist zijn geworden door

den volgenden brief van zijn Chef, dien wij, daar hij zeer kort is,

hier letterlijk zullen inlasschen.

„Mijnheer!

Daar ik de grenzen van mijn plicht eenigszins overschreden heb door een

toegevendheid, die het licht ons door de natuur geschonken, en veel

meer dat des Christendoms, ons voorschrijft omtrent misslagen, welke

uit jeugd en gemis aan ondervinding voortspruiten, en dit geheel zonder

vrucht gebleven is, word ik mijns ondanks gedwongen, bij de

tegenwoordige crisis, het eenige middel te bezigen, dat nog in mijn

macht is. Derhalve beveel ik u bij dezen naar **, het hoofdkwartier van

uw regiment, terug te keeren, binnen drie dagen na datum dezes

schrijvens. Zoo gij in gebreke blijft aan dit bevel gehoor te geven,

moet ik u bij het Ministerie van oorlog aangeven als afwezig zonder

verlof, en te gelijk andere stappen doen, die onaangenaam zullen zijn

voor u, zoo wel als voor,

Mijnheer,

Uw gehoorzamen dienaar,

J. Gardiner, luitenant-kolonel,

kommandeerende het ** regiment dragonders.”

Eduards bloed kookte, terwijl hij dezen brief las. Hij was sedert zijn

vroegste kindsheid gewend geweest, volkomen meester van zijn tijd te

zijn, en had zich dus gewoonten eigen gemaakt, die de regels der

krijgstucht hem even onaangenaam hadden gemaakt in dit, als in sommige

andere opzichten. Het denkbeeld, dat ze in zijn geval niet zeer streng

zouden toegepast worden, had zich bovendien bij hem gevestigd, wat ook

tot hiertoe, door de toegevendheid van zijn Luitenant-Kolonel

gerechtvaardigd werd. Ook was er, voor zoover hij wist, niets gebeurd,

dat zijn Overste kon bewogen hebben, zonder eenige andere waarschuwing,

dan de wenken, waarvan wij op het einde des veertienden hoofdstuks

melding maakten, op eens een harden, en zooals Eduard het noemde,

onbeschaamden toon van dictatoriaal gezag aan te nemen. Terwijl hij dit

in verband bracht met de brieven, juist door hem van zijn familie

ontvangen, kon hij niet anders veronderstellen, dan dat het er op

aangelegd was, om hem, in zijn tegenwoordige omstandigheden, de hand

des gezags even zwaar te doen gevoelen als zijn vader, en dat het

geheel een afgesproken plan was, om elk lid der familie Waverley te

vervolgen en te vernederen.

Zonder uitstel dus schreef Eduard eenige koele regels, waarin hij zijn

Kolonel voor vroegere beleefdheden bedankte, en zijn leedwezen

betuigde, dat hij had kunnen goedvinden de herinnering daaraan uit te

wisschen, door jegens hem een geheel anderen toon aan te nemen. De

strekking van zijn brief, zoowel als hetgeen Eduard begreep zijn plicht

te zijn, in de tegenwoordige crisis, drongen hem zijn ontslag in te

zenden. Hij sloot dus zijn formeelen afstand van een betrekking in, die

hem tot zulk eene onaangename briefwisseling noodzaakte, en verzocht

kolonel Gardiner de goedheid te willen hebben, om dien aan de bevoegde

autoriteit op te zenden.

Toen hij dezen hooghartigen brief geschreven had, wist hij niet recht,

in welke bewoordingen hij zijn ontslag moest aanvragen, en hij besloot

Fergus Mac-Ivor dienaaangaande te raadplegen. In het voorbijgaan moeten

wij aanmerken, dat de stoute en vlugge wijze van denken, handelen en

spreken, welke dit jonge Opperhoofd eigen was, hem een aanmerkelijken

invloed op Waverley had verschaft. Met ten minste gelijke

verstandsvermogens begaafd, en met veel meer smaak, bezweek Eduard

nogtans voor de onversaagde en vastberadene werkzaamheid van een geest,

die zoowel door de gewoonte om naar een voorbedacht en geregeld stelsel

te handelen, als door uitgebreide wereldkennis gescherpt was.

Toen Eduard bij zijn vriend kwam, had de laatste nog de courant in

handen, die hij doorgeloopen had, en ging hem te gemoet met de

verlegenheid van iemand, die onaangenaam nieuws heeft mede te deelen.

„Bevestigen uwe brieven het onaangename bericht, kapitein Waverley, dat

ik in dit blad vind?”

Hij reikte hem het blad over, waarin met de bitterste bewoordingen,

waarschijnlijk overgenomen uit een Londensch dagblad, verslag werd

gedaan van zijns vaders ongenade. Aan het einde van het stuk stond deze

opmerkelijke zinspeling:

„Wij vernemen dat deze Richard, welke al het genoemde gedaan heeft, het

eenig voorbeeld niet is van de weifelende eer van W.v.r.l.y-H.n.r. Zie

de Staats-courant van heden.”

Met bevende en koortsachtige drift zocht onze held de aangehaalde

plaats, en vond daarin vermeld: „Eduard Waverley, kapitein bij het **

regiment dragonders, geschorst wegens afwezigheid zonder verlof;” en op

de lijst der bevorderingen bij hetzelfde regiment, ontdekte hij

vervolgens deze woorden: „Luitenant Julius Butler, kapitein, ter

vervanging van Eduard Waverley, geschorst.”

Het hart van onzen held gloeide van de verontwaardiging, welke

onverdiende en blijkbaar opzettelijke beleediging wel moest opwekken

bij iemand, die naar eer had gestreefd, en nu zoo schandelijk aan

openbaren hoon en minachting werd prijs gegeven. Toen hij de

dagteekening des briefs van zijn Kolonel met die van het artikel in de

courant vergeleek, ontwaarde hij, dat aan de bedreiging om van zijn

afwezigheid rapport te maken, letterlijk gevolg was gegeven, en naar

het scheen zonder het geringste onderzoek, of Eduard zijn aanmaningen

ontvangen had, of gezind was zich daarnaar te gedragen. Het geheel

scheen dus een vastberaamd plan, om hem in de oogen van het publiek te

vernederen; en het denkbeeld, dat dit geslaagd was, vervulde hem met

zulke bittere aandoeningen, dat hij, na verscheidene pogingen om ze te

verbergen, zich ten laatste in de armen van Mac-Ivor wierp, en vrijen

loop liet aan de tranen, door schaamte en verontwaardiging hem

afgeperst.

Het behoorde niet tot de gebreken van het Opperhoofd, dat hij

onverschillig was omtrent het onrecht zijnen vrienden aangedaan; en

voor Eduard koesterde hij, onafhankelijk van zekere plannen, die hij

gesmeed had, en waarin deze voor een gedeelte betrokken was, een

hartelijke en oprechte belangstelling. Deze handelwijze kwam hem even

vreemd voor, als Eduard ze gevonden had. Hij wist, wel is waar, beter

dan Waverley, de redenen, waarom hij zoo stellig bevel had ontvangen om

zich bij zijn regiment te vervoegen. Maar dat de bevelvoerende

Officier, geheel strijdig met zijn algemeen bekend karakter, zonder

verder onderzoek naar omstandigheden of onoverkomelijke beletselen, op

zulk een barsche en ongewone wijze was te werk gegaan, bleef hem een

onoplosbaar raadsel. Hij troostte intusschen onzen held zoo goed hij

kon, en begon diens gedachten met het uitzicht op wraak voor zijn

beleedigde eer te streelen.

Eduard greep dit denkbeeld met vuur aan. „Wilt gij een uitdaging voor

mij aan kolonel Gardiner brengen, mijn waarde Fergus, en mij levenslang

verplichten?”

Fergus zweeg een poos. „Het is een vriendschapsdienst, waarover ge

zoudt mogen beschikken, als die van nut kon zijn, of er toe leiden om

uwe eer te herstellen; maar in het tegenwoordige geval twijfel ik, of

uw Overste u een ontmoeting zou toestaan, op grond dat hij maatregelen

genomen heeft, die, hoe hard en pijnlijk ook, toch binnen de grenzen

van zijn plicht lagen. Daarenboven is Gardiner een strenge Hugenoot,

die zekere denkbeelden koestert omtrent het zondige der tweegevechten,

welke men hem niet gemakkelijk kan doen verzaken, vooral daar zijn moed

boven alle verdenking verheven is. En bovendien, ik – ik – om de

waarheid te zeggen – ik durf, om zeer gewichtige redenen, mij op dit

oogenblik, niet zoo dicht bij deze of gene garnizoensplaats van het

tegenwoordig bewind begeven.”

„En moet ik dan rustig en stil het mij aangedane onrecht dragen?”

„Dat zal ik mijn vriend nooit aanraden. Maar ik zou liever zien dat de

wraak het hoofd en niet de hand trof; – het overheerschend en

onderdrukkend bewind, dat deze opzettelijke en herhaalde beleedigingen

beoogde en bestuurde, maar niet de officiëele werktuigen, die het

bezigt om ze ten uitvoer te brengen.”

„Het bewind!”

„Ja,” hernam de onstuimige Hooglander, „het troonoverweldigend huis van

Hannover, dat uw grootvader evenmin zou gediend hebben, als dat hij

gloeiend goud tot loon en dank van den Satan zelven zou hebben

aangenomen.”

„Maar sedert den tijd van mijn grootvader hebben twee geslachten van

deze dynastie den troon bekleed.”

„Juist, – en omdat wij hun zoo lang lijdelijk gelegenheid gegeven

hebben, om hun aangeboren aard te toonen, – omdat gij zoo wel als ik in

stille onderwerping hebben geleefd, en ons zelf zoo naar den tijd

geschikt hebben, dat wij officiersaanstellingen van hen aannamen, en

hen dus in staat stelden ons in het openbaar te krenken, door ze terug

te nemen, mogen wij daarom geen beleedigingen wreken, die onze vaderen

slechts voorzien, maar die wij werkelijk ondergaan hebben? Of is de

zaak van de ongelukkige familie Stuart minder rechtvaardig geworden,

omdat haar recht is afgedaald op een erfgenaam, die men niet

beschuldigen kan van een slecht Vorst te zijn, zooals vader? –

Herinnert ge u de regels van uw lievelingsdichter niet?

Trad Richard ongedwongen van den troon,

Geen vorst beschikt over iets in heel zijn teven,

Dan over wat ’s Heeren gunst hem heeft gegeven;

En had hem God begiftigd met een zoon,

Het koningsrecht ware aan dien zoon verbleven.

Gij ziet, mijn waarde Waverley, dat ik zoowel dichters kan aanhalen,

als Flora en gij. Maar kom, bedaar wat, en laat het aan mij over, u een

eervollen weg aan te wijzen tot een spoedige en roemvolle wraak. Laat

ons Flora opzoeken, die ons misschien meer nieuws te vertellen heeft

van hetgeen er in onze afwezigheid is voorgevallen. Zij zal zich

verheugen te hooren, dat gij van uwe slavernij ontslagen zijt. Maar

voeg eerst een postscriptum bij uw brief, waarin gij den datum

aangeeft, waarop gij de eerste oproeping van dezen Calvinistischen

kolonel ontvangen hebt; en geef uw leedwezen te kennen, dat zijn

overhaaste maatregelen u belet hebben ze te voorkomen, door het

inzenden van uw vrijwillig ontslag. En laat hem dan blozen over zijn

onrechtvaardigheid!”

Na dit alles werd de brief, die een dienststuk behelsde, waarin hij

zijn ontslag vroeg, verzegeld; en Mac-Ivor verzond dien, met eenige

brieven van hemzelven, door een bijzonderen bode, met last om ze op het

naastbijgelegen postkantoor in de Laaglanden te bezorgen.

Waverley(#75933) · 第 57 / 156 题