Zal dit een kort of een lang hoofdstuk zijn? – Dat is een vraag, waarin
ge, geachte lezer, geen stem hebt, hoezeer ge ook in de gevolgen moogt
betrokken wezen; juist zooals ge (even als ik zelf) niets te maken hebt
met het opleggen eener nieuwe belasting, uitgenomen de onbeduidende
omstandigheid, dat gij ze betalen moet. Evenwel zijt ge zeker ruim zoo
gelukkig in het tegenwoordige geval; want ofschoon het aan mij staat,
mijn stof naar verkiezing te rekken, kan ik u echter niet voor den
rechter dagen, zoo het u mocht goeddunken mijn verhaal niet te lezen.
Laat mij dus eens overleggen. Het is waar, dat de jaarboeken en
stukken, die ik in handen heb, slechts weinig van deze Hooglandsche
jacht zeggen; maar daarentegen kan ik elders overvloedige bouwstoffen
vinden, om er een beschrijving van te geven. Want de oude Lindsay [95]
van Pitscottie ligt naast me opengeslagen, met zijn beschrijving der
jacht in het Atholsche bosch, en „zijn hoog en geribd paleis van groen
hout, met allerlei soort van drank, die men krijgen kon in steden en in
dorpen, als ale, bier, wijn, muskadel, malvoizij, hypocras en aqua
vitæ; benevens wittebrood, bruinbrood, koek, ossenvleesch,
schapenvleesch, lamsvleesch, kalfsvleesch, wild, ganzen, jonge varkens,
kapoenen, konijnen, kraanvogels, zwanen, patrijzen, pluivieren, eenden,
pauwen, zwarte faizanten, korhoenders, enz.”, niet te vergeten „de
kostelijke ligging, het vaatwerk en tafellinnen,” en minst van allen
„de bekwame hofmeesters, allerknapste baksters, voortreffelijke koks en
suikerbakkers, zoo min als de ingelegde en gedroogde confituren voor
het nagerecht.” Behalve de bijzonderheden, die men verzamelen kan in de
beschrijving van dit Hooglandsche feest, (welks luister des Pausen
Legaat noopte om een gevoelen te verzaken, dat hij tot hiertoe
gekoesterd had, namelijk dat Schotland het – ja, het uiterste einde van
de wereld was); behalve deze bijzonderheden, zou ik immers mijn verhaal
wel mogen opluisteren met behulp van Taylor den waterpoëet [96], die
deze jachtpartij beschreef op de heide van Mar:
Langs heide en mos, door poel en kreek,
waarin het vorschje kwaakt;
Op ruwen rotstop en gebergt,
waarlangs de bliksem blaakt;
Wordt haas en bok en ree gejaagd,
gejaagd door mensch en hond;
En in een tweetal uren dekt
een twintigtal den grond.
o Laagland! laag is steeds uw jacht,
als wat ge biedt aan ’t oog;
Maar als het Hoogland jaagt of speelt,
is ’t altijd stout en hoog.
Maar zonder mijn lezers langer te kwellen, of mijn uitgebreide
belezenheid verder uit te kramen, zal ik me tevreden stellen met het
aanhalen van een enkele bijzonderheid uit de merkwaardige jacht te
Lude, welke in de Verhandeling over de Caledonische Harp van den
geleerden heer Gunn voorkomt; en ik derhalve mijn geschiedenis
vervolgen met al de kortheid, welke mijn eigene wijze van stellen (die
wel iets heeft van hetgeen door geleerden de omschrijvende en
uitvoerige manier, maar door het gemeen met den naam van omslachtige
bestempeld wordt), mij vergunnen zal.
Om onderscheidene redenen werd de groote jachtpartij drie weken
uitgesteld. De tusschentijd werd door Waverley met veel genoegen te
Glennaquoich gesleten; want de indruk, dien Flora, bij de eerste
ontmoeting, op hem had gemaakt, nam met iederen dag toe. Ze was juist
iemand, om een jong mensch van levendige verbeelding te betooveren.
Hare manieren, hare gesprekken, hare gaven in de poëzij en de muzijk,
zetten aan haar persoonlijke bevalligheid nieuwe bekoorlijkheden bij.
Zelfs in haar vroolijke oogenblikken was ze, in zijn schatting, boven
de gewone dochters van Eva verheven, en scheen ze slechts voor enkele
oogenblikken zich te vernederen tot die uitspanningen en nietigheden,
waarvoor zoovele vrouwen schijnen te leven. Door den omgang met deze
betooverende schoone, terwijl de jacht zijn morgenuren in beslag man,
en de avond met dans en gezang voorbijging, werd Waverley met iederen
dag meer ingenomen met zijn gullen gastheer, en meer verliefd op diens
bekoorlijke zuster.
Eindelijk brak de bepaalde tijd voor de aangekondigde jachtpartij aan,
en Waverley en het Opperhoofd vertrokken naar de plaats der
vereeniging, een dagreize noordwaarts van Glennaquoich gelegen. Fergus
had bij deze gelegenheid een gevolg van omstreeks driehonderd
manschappen uit zijn clan, wel gewapend en uitgerust in hun besten
tooi. Waverley schikte zich in zoo verre naar de gewoonte des lands,
dat hij de trews droeg, maar kon er niet toe besluiten om den kilt aan
te nemen; ook droeg hij de brogues en de muts als de meest geschikte
kleeding voor de jacht die hij bijwonen zou, en welke hem daarenboven
minder blootstelde om als vreemdeling te worden aangegaapt, wanneer zij
op de bepaalde plek aankwamen. Zij troffen ter bedoelde plaatse een
aantal aanzienlijke Opperhoofden aan. Waverley werd plechtig aan deze
voorgesteld en met hartelijkheid door hen ontvangen. Hunne vazallen en
clanslieden, tot wier leenplicht het behoorde op zulke bijeenkomsten te
verschijnen, kwamen zoo talrijk op, dat ze een klein leger vormden.
Deze vlugge lieden verspreidden zich wijd en zijd over het land,
terwijl ze om mij van den kunstterm te bedienen, een kring of tinchel
vormden. Deze kring, die hoe langer hoe nauwer werd, dreef de herten in
troepen bijeen naar het dal, waar de Opperhoofden en voorname jagers op
hen loerden. In den tusschentijd bivakkeerden de groote heeren op de
bloemrijke heide, in hun plaid gewikkeld, welke wijze om een zomernacht
door te brengen, door Waverley lang niet onaangenaam gevonden werd.
Gedurende verscheidene uren na zonsopgang, heerschte er op de heuvels,
bergruggen en passen de gewone stilte en eenzaamheid; de Opperhoofden,
met hun gezelschap, vermaakten zich met allerhande tijdkortingen,
waaronder de genoegens van „de schelp,” zooals Ossian die beschrijft,
niet vergeten werden. Anderen waren ter zijde gezeten op een afgelegen
heuvel; waarschijnlijk even diep verzonken in de behandeling van
staatszaken en nieuwstijdingen, als Milton’s geesten in hunne
metaphysische gesprekken. Eindelijk werd het signaal gegeven dat het
naderen van het wild aankondigde. In de verte aangeheven kreten
weergalmden van dal tot dal, naarmate de verschillende afdeelingen der
Hooglanders, onder het beklimmen der rotsen, het doorworstelen van het
kreupelhout, het doorwaden der beken, het kruipen door riet en
struiken, meer en meer elkander naderden, en de verbaasde herten en
andere wilde dieren, die voor hen henen vluchtten, in een nauwer omtrek
voor zich uitdreven. Elk oogenblik vernam men het geluid van
geweerschoten door duizenden echo’s teruggekaatst. Het bassen der
honden voegde zich welhaast bij het koor, dat met ieder oogenblik
luider en luider werd. Op het laatst begon de voorhoede der herten
zichtbaar te worden, en toen ze bij twee of drietallen den bergpas
kwamen afspringen, toonden de Opperhoofden hunne bedrevenheid in het
uitkippen der vetste beesten, en hunne behendigheid in het dooden der
dieren met hunne jachtroeren. Fergus legde een bijzondere vaardigheid
aan den dag, en Eduard was mede zoo gelukkig, de opmerkzaamheid der
jagers tot zich te trekken en hunne toejuiching te verwerven.
Maar nu begon de gansche hoop van herten zich in het dal te vertoonen
en maakte, in een zeer nauwen doorgang bijeen gejaagd, zulk een
ontzaglijke phalanx uit, dat hun gewei op een afstand, op de
aangrenzende hoogte, een bladerloos bosch scheen te vormen. Hun aantal
was zeer groot; en, op het zien van de dreigende houding die ze
aannamen, terwijl ze zich in slagorde schaarden met de grootste der
herten vooraan, onder het aangapen van de groep, welke hun den
doortocht van het dal betwistte, begonnen de bedrevenste jagers gevaar
te voorspellen. Doch nu ving tevens het werk der verwoesting aan alle
kanten aan. Honden en jagers waren aan het werk, en geweerschoten
weerklonken uit iederen hoek. De herten, tot wanhoop gedreven, deden
ten laatste een vreeselijken aanval juist op de plek, waar de beste
schutters zich geplaatst hadden. Er werd terstond gewaarschuwd in het
Gaelsch, dat men zich op het aangezicht zou werpen; maar Waverley, voor
wiens Engelsche ooren de klank verloren ging, was bijna het slachtoffer
geworden van zijn onkunde in deze aloude taal. Fergus, die het gevaar
bemerkte, sprong op en wierp hem juist op het oogenblik tegen den
grond, dat de geheele kudde op hem losbrak. Daar de aandrang
onwederstaanbaar was, en de wonden van een hertengewei hoogst
gevaarlijk zijn [97], zoo kan men gerust zeggen, dat de vlugheid van
het Opperhoofd, bij deze gelegenheid zijn gast het leven gered had. Hij
hield hem met vaste hand op den grond uitgestrekt, tot de geheele kudde
over hen heen was gevlogen. Nu wilde Waverley opstaan; maar hij voelde
dat hij eenige belangrijke kneuzingen ontvangen had, en bij nader
onderzoek bleek het, dat hij zijn enkel geweldig verstuikt had.
Dit stoorde de vreugde der bijeenkomst; ofschoon de Hooglanders, aan
zulke voorvallen gewoon en daarop voorbereid, zelven geen last geleden
hadden. In een oogenblik was er een hut opgericht, waarin Eduard op een
leger van heide werd nedergelegd. De chirurgijn, of hij die zich als
zoodanig aanmeldde, scheen de hoedanigheden van een paardendocter en
een toovenaar in zich te vereenigen. Hij was een oude, uitgedroogde
Hooglander, met een eerwaardigen grijzen baard, en wiens geheele
kleeding uit een rok van donkere tartan bestond, waarvan de panden tot
op de knie afdaalden, en, daar hij van voren dicht was, tevens tot
wambuis en broek diende [98]. Hij naderde Eduard met groote deftigheid,
en wilde, ofschoon onze held van pijn kromp, niet tot eenige
kunstbewerking overgaan, om ze te verligten, voor en aleer hij zijn bed
driemaal was rondgegaan, waarbij hij zich van het oosten naar het
westen, volgens den loop der zon bewoog. Dit, de Deasil [99] genoemd,
scheen door den dokter en de omstanders beschouwd te worden als een
zaak van het uiterste belang, alvorens de kuur volbracht werd; en
Eduard, wien de pijn buiten staat stelde, iets daartegen in te brengen,
en die zich ook inderdaad weinig heil daarvan voorspelde, onderwierp
zich stilzwijgend.
Nadat deze plechtigheid behoorlijk volbracht was, tapte de oude
Esculaap Eduard, door middel van een kopglas, met vrij wat
behendigheid, eenig bloed af, en begon, terwijl hij gedurig bij zich
zelven in het Gaelsch mompelde, zekere kruiden te koken, waarvan hij
een pap maakte. Daarop legde hij deze op de deelen, die geleden hadden,
terwijl hij geen oogenblik met het mompelen van gebeden of bezweeringen
ophield. Waverley kon niet onderscheiden, welke van beide het waren,
daar zijn oor niets opving dan Gasper-Melchior-Balthazar-maxprax-frax,
en dergelijke brabbeltaal. Het pappen miste de gewenschte uitwerking
niet: de pijn en de zwelling verminderden, hetgeen door onzen held aan
de kracht der kruiden of het gevolg der warmte, doch door de omstanders
eenstemmig aan de tooverspreuken, welke de operatie hadden vergezeld,
werd toegeschreven. Men gaf Eduard te verstaan, dat geen enkele der
geneesmiddelen geplukt was, dan bij volle maan, en dat de kruidkenner,
onder het inzamelen, onophoudelijk een tooverspreuk had opgezegd, die
in het Engelsch aldus luidde:
O wees gegroet, gij heilig kruid,
Ontkiemd op heilgen grond;
’t Was op d’ Olijfberg, dat men u
Het allereerste vond.
Voor menig kneuzing hebt gij baat,
Gij heeldet menig wond;
In naam van onze Lieve Vrouw
Raap ik u van den grond. [100]
Eduard merkte, niet zonder verwondering, op, dat zelfs Fergus, in
weerwil van zijn kennis en opvoeding, in de bijgeloovige denkbeelden
zijner landgenooten scheen te deelen, hetzij omdat hij het
onstaatkundig achtte den twijfelaar uit te hangen in een zaak die
algemeen geloof vond, of, wel zoo waarschijnlijk, omdat, daar de meeste
menschen niet diep noch ernstig over zulke zaken nadenken, er een
overblijfsel van bijgeloof in zijn ziel was overgebleven, dat tegen de
vrijheid zijner uitdrukkingen en handelingen bij andere gelegenheden
moest opwegen. Waverley maakte derhalve geen aanmerkingen op de wijze
van behandelen, maar beloonde den hoogleeraar in de geneeskunst met een
mildheid, die zijn stoutste verwachtingen verre te boven ging. Hij
uitte, bij deze gelegenheid, zoo vele onsamenhangende zegenwenschen in
het Gaelsch en in het Engelsch, dat Mac-Ivor, eenigszins geërgerd over
het buitensporige zijner erkentelijkheid, daaraan op eens een einde
maakte, door uit te roepen: „Ceud mile mhalloich ort!” dat wil zeggen:
„Honderd duizend vloeken over u!” en zoo dreef hij den weldoener der
menschheid de hut uit.
Zoodra Waverley alleen gelaten werd, deed hem de uitputting, door pijn
en vermoeidheid veroorzaakt – want de inspanning van den ganschen dag
was zwaar geweest – in een diepen, maar koortsachtigen slaap vallen,
die inzonderheid het gevolg was van een drankje, door den ouden
Hooglander uit een afkooksel van zekere kruiden uit zijn apotheek
toebereid.
Den volgenden morgen vroegtijdig – daar de jacht geëindigd, en hunne
vroolijkheid een weinig gestoord was door Waverley’s ongeval, waarin
Fergus en al zijn vrienden de grootste deelneming betoonden – werd het
de vraag, hoe men met den gewonden jager zou handelen. De zaak werd
beslist door Mac-Ivor, die een draagbaar had doen vervaardigen, „van
berk en hazelaar” [101] welke door zijn lieden zoo bij uitstek
voorzichtig en behendig werd gedragen, dat het niet onwaarschijnlijk
is, dat zij de voorouders geweest zijn dier Gaelsche knapen, welke
thans het geluk hebben, de schoonen van Edinburgh in hare draagstoelen
naar tien verschillende partijen op éénen avond te brengen. Toen Eduard
op hunne schouders geheven werd, kon hij niet nalaten zich te
verlustigen in den romantischen indruk, die het opbreken van dit
woudleger te weeg bracht. [102]
De verschillende stammen vergaderden, elk op den doedelzak van zijn
eigen clan, ieder door zijn aartsvaderlijk Hoofd aangevoerd. Enkele van
dezen, die reeds begonnen waren zich te verwijderen, zag men tegen de
heuvelen opklimmen, of de bergpassen afdalen, die naar het tooneel
hunner afgeloopen jachtpartij geleidden; terwijl het geluid der
doedelzakken nog in hunne ooren weergalmde. Anderen vertoonden een nog
bonter schilderij op de vlakte, en vormden daar verschillende
afwisselende groepen, terwijl hunne vederen en loshangende plaids in
het morgenkoeltje fladderden, en hunne wapens in de opgaande zon
schitterden. De meeste hunner Opperhoofden kwamen afscheid van Waverley
nemen, en hunne levendige hoop betuigen, dat zij elkander nogmaals, en
spoedig, mochten wederzien; maar Fergus droeg zorg dit vaarwel te
bekorten. Nadat zijn eigen manschappen ten laatste verzameld en
gemonsterd waren, gaf Mac-Ivor het sein tot den aftocht, maar beval hun
een anderen weg te nemen dan dien, waarlangs ze gekomen waren. Hij gaf
Waverley te verstaan, dat, daar het grootste gedeelte zijner
onderhoorigen, thans op de been, bestemd was tot een verren tocht, en
dat, zoodra hij Waverley in het huis zou bezorgd hebben van iemand dien
hij wist dat hem alle mogelijke oplettendheid zou bewijzen, hij zelf in
de noodzakelijkheid zou wezen zijne manschappen het grootste gedeelte
van den weg te vergezellen, maar dat hij niet verzuimen zou, zich
zoodra mogelijk bij zijn vriend te vervoegen.
Waverley was eenigszins verrast, dat Fergus van deze verdere bestemming
zijner lieden geen melding had gemaakt, toen ze op de jacht trokken;
maar zijn toestand veroorloofde hem niet vele vragen tot Fergus te
richten. Het grootste gedeelte der clanslieden ging vooruit, onder
geleide van den ouden Ballenkeiroch en van Evan Dhu Maccombich,
blijkbaar vol geestdrift en vroolijkheid. Eenige weinigen bleven
achter, om het Opperhoofd tot wacht te strekken, die ter zijde van
Eduards draagbaar liep en hem met onvermoeide zorg gadesloeg. Omstreeks
den middag, na een tocht, dien de aard van het vervoermiddel, de pijn
zijner kwetsuren en de ongelijkheid van den weg, onuitsprekelijk
moeielijk maakten, werd Waverley gastvrij ontvangen in het huis van een
heer, een bloedverwant van Fergus, die hem al de gemakken had bereid,
waartoe de eenvoudige leefwijze, toen in de Hooglanden algemeen, hem in
staat stelde. In dezen nieuwen gastheer, een oud man van bij de
zeventig jaren, bewonderde Eduard een overblijfsel van de
oorspronkelijke eenvoudigheid. Hij droeg geen kleederen, dan die zijn
landgoed opleverde; het laken was van de wol zijner eigene schapen,
geweven door zijn eigen knechts, en geverwd met behulp der kruiden en
mossoorten, die op de omliggende heuvels groeiden. Zijn linnen was door
zijn dochters en dienstmeiden, van zijn eigen vlas gesponnen; ook bood
zijn tafel, schoon overvloedig voorzien, en afgewisseld met wild en
visch, geen enkelen schotel aan, die niet het voortbrengsel was van
zijn eigene goederen.
Daar hij voor zich geen aanspraak maakte op de rechten als Hoofd van
een clan of als leenman, achtte hij zich gelukkig door het
bondgenootschap en de bescherming van Vich Ian Vohr en eenige andere
stoute en ondernemende Hoofden, een bescherming die hem het vreedzaam,
ingetogen leven, dat door hem geleid werd, waarborgde. Het is waar, dat
de op zijn gronden geboren jongelieden dikwijls in verzoeking kwamen
hem, voor de dienst bij zijn meer bedrijvige vrienden, te verlaten;
maar eenige oude bedienden en landhuurders schudden gewoonlijk de
grijze lokken, als ze hun meester over gebrek aan moed hoorden
berispen, en maakten de aanmerking, dat „als de wind stil is, de bui
zacht neêr komt.” Deze goede oude man, wiens liefdadigheid en
gastvrijheid geene grenzen kenden, zou Waverley met vriendelijkheid
hebben ontvangen, al ware hij de gemeenste Saksische boer geweest,
alleen omdat zijn toestand hulp vereischte. Maar nu hij in hem een
vriend en gast van Vich Ian Vohr ontmoette, waren zijn zorgen even
onvermoeid als ontelbaar. Er werden nieuwe pappen op het gekwetste been
aangebracht, en nieuwe tooverspreuken aangewend. Eindelijk na meer
bezorgdheid dan misschien voordeelig voor de gezondheid des lijders
was, nam Fergus voor eenige dagen afscheid van Waverley, om vervolgens,
gelijk hij zeide, naar Tomanrait terug te keeren, waar hij dan hoopte,
Waverley in staat te vinden een der Hooglandsche hitten van zijn
gastheer te bestijgen, en op die wijze naar Glennaquoich terug te
reizen.
Den volgenden dag, zoodra zijn goede oude gastheer hem bezocht, vernam
Eduard, dat zijn vriend met het krieken van den dag vertrokken was,
terwijl hij geen anderen bediende dan Callum Beg, de soort van page,
die hem gewoonlijk oppaste, had achtergelaten, met last om Waverley ten
dienst te staan. Op de vraag aan zijn gastheer, of deze wist waarheen
het Opperhoofd vertrokken was, zag de oude hem strak aan, met iets
geheimzinnigs en droefgeestigs in den glimlach, die zijn eenig antwoord
was. Waverley herhaalde zijn vraag, waarop de gastheer met een
spreekwoord antwoordde:
„Het bracht den schelmschen bode aan lang geen prettig end
Als hij den weg ging vragen, hem al te goed bekend.” [103]
Hij was op het punt er nog meer bij te voegen, maar Callum Beg zeide,
zooals het Eduard voorkwam, min of meer beleefd, dat Ta Tighearnach
(dat is, het Opperhoofd) niet wilde, dat men den Saksischen heer met
veel gepraat kwelde, daar hij zich verre van wel bevond. Hieruit maakte
Waverley op, dat hij zijn vriend ongenoegen zou doen, bij een
vreemdeling naar het doel der reis te vernemen, dat hij zelf niet goed
gevonden had hem mede te deelen.
Het is niet noodig de genezing van onzen held van dag tot dag na te
gaan. De zesde morgen was aangebroken, en hij was in staat met een stok
te loopen, toen Fergus met omtrent twintig man terugkeerde. Hij scheen
zeer opgewonden, wenschte Waverley geluk met zijn aanvankelijke
herstelling, en daar hij bevond dat deze in staat was te paard te
zitten, stelde hij hem voor, onmiddellijk naar Glennaquoich terug te
keeren. Waverley nam dit voorstel gretig aan; want het beeld zijner
schoone had, gedurende al den tijd zijner gevangenschap, zijn droomen
opgeluisterd.
Nu reed hij verder door moer en door mos,
Langs heuvel en menig eng dal.
Terwijl Fergus gedurende den geheelen weg onafgebroken aan de zijde van
zijn vriend bleef, en zijn trawanten, die met een onvermoeiden tred
voortliepen, zich alleen verwijderden, om een schot op een ree of een
veldhoen te doen, begon Waverley’s hart sterk te kloppen, toen zij den
ouden toren van Ian nan Chaistel naderden en hij de schoone gestalte
onderscheiden kon, die hen te gemoet kwam.
Fergus begon oogenblikkelijk, met zijn gewone vroolijke opgewondenheid,
haar toe te roepen: „Open uwe poorten, onvergelijkelijke prinses, voor
den gewonden Moor Abindarez, dien Rodrigo de Narvaez, constabel van
Antiquera, naar uw kasteel voert, of open ze zoo ge dit liever doet,
voor den beroemden markies van Mantua, den ongelukkigen metgezel van
zijn half stervenden vriend Baldovinos van het gebergte [104]. Och,
zacht ruste uwe ziel, Cervantes! hoe zou ik, zonder uwe woorden aan te
halen, mijn taal buigen om romantische zielen te behagen!”
Thans kwam Flora bij hen, en terwijl ze Waverley welkom heette,
betuigde ze haar leedwezen over het hem overkomen ongeluk, waarvan ze
de bijzonderheden reeds vernomen had, terwijl ze hare bevreemding te
kennen gaf, dat haar broeder geen betere zorg gedragen had, om den
vreemdeling te waarschuwen tegen de gevaren van een tijdverdrijf,
waartoe hij hem uitgenoodigd had. Eduard haastte zich het Opperhoofd te
verontschuldigen, daar hij inderdaad, met gevaar van zijn eigen leven,
dat van Waverley gered had.
Na het wisselen dezer eerste groeten, sprak Fergus drie of vier woorden
tot zijn zuster, in het Gaelsch. Oogenblikkelijk kwamen haar de tranen
in de oogen; maar het schenen tranen van dankbaarheid of vreugde te
zijn; want ze blikte hemelwaarts en vouwde de handen, als tot een
plechtig gebed of dankzegging. Na een stilte van weinige minuten,
overhandigde zij Eduard eenige brieven, die gedurende zijn afwezigheid
van Tully-Veolan waren opgezonden, en tegelijkertijd reikte zij er
eenigen aan haren broeder over. Den laatsten gaf ze insgelijks drie of
vier nommers van den Caledonischen Merkuur, de eenige courant, die toen
ten noorden van de Tweed verscheen.
De beide heeren verwijderden zich om de ontvangen brieven te lezen; en
Eduard zag weldra in, dat de zijnen zaken van zeer groot belang
bevatten.