WAVERLEY VERLENGT ZIJN VERBLIJF TE GLENNAQUOICH.

Nauwelijks had Flora haar lied geëindigd, of Fergus stond voor hen. „Ik

wist, dat ik ook zonder de hulp van mijn vriend Bran, u hier zou

vinden. Iemand met een eenvoudigen smaak, zoo als de mijne, en die niet

naar het verhevene zoekt, zou aan de springende fontein van Versailles

boven dezen waterval, met al zijn rotswerk en geplas de voorkeur geven;

maar, kapitein Waverley, dit is Flora’s Parnassus, en deze stroom haar

Helicon. Ze zou mijn kelders geen geringe dienst bewijzen, zoo zij haar

coadjutor, Mac-Murrough, van de uitnemende kracht dezer bron kon

overtuigen; hij heeft nog pas een halve flesch brandewijn opgedronken,

om, zoo als hij zeide, de koude van den rooden wijn wat te temperen.

Kom, laat mij de kracht er eens van beproeven.” Hij slurpte een weinig

water uit de holte van de hand, en begon dadelijk met een theatrale

houding:

„Gegroet, o schoone der woestijn!

Der Gaelsche zangkunst oogelijn!

In ’t fraai en vruchtbaar land verwekt,

Waar gras noch graan den grond bedekt.”

„Maar de Engelsche poëzij gelukt nooit onder den invloed eens

Hooglandschen Helicons: Allons, courage! De Fransche taal zal mij beter

van dienst zijn:

O vous qui buvez à tasse pleine

A cette heureuse fontaine,

Où l’on ne voit sur le rivage

Que quelques vilains troupeaux

Suivis de nymphes de village,

Qui les escortent sans sabots.”

In ’s hemels naam, lieve Fergus, verschoon ons van deze

allervervelendste en laffe personages uit Arcadië. Laat, bid ik u,

Coridon en Lindor niet op ons los.”

„Wel! zoo ge geen smaak kunt vinden in den herderstaf en de schalmei,

dan zal ik u op een heldendicht onthalen.”

„Beste Fergus, gij hebt zeker meer geproefd uit Mac-Murrough’s beker,

dan uit den mijnen.”

„Dat ontken ik, ma belle demoiselle, al moet ik ook verklaren, dat die

mij het best van de twee zou behagen. Wie uwer ijlhoofdige Italiaansche

romancedichters zegt er:

Io d’ Elicona niente

Mi curo, in fe de Dio, che’l bere d’acque

(Bea chi ber ne vuol) sempre mi spiacque. [93]

Maar zoo gij aan het Gaelsch de voorkeur geeft, kapitein Waverley, zal

hier de kleine Cathleen Drimmindhu voor u zingen. – Kom, Cathleen,

(mijn beste), begin slechts; geene komplimenten!”

Cathleen droeg zeer levendig een Gaelsch liedje voor, waarin een

landman op tragi-komische wijze het verlies zijner koe betreurt. Schoon

Waverley niets verstond van de taal waarin ze het zong, moest hij meer

dan eens om het komieke van de voordracht lachen.” [94]

„Uitmuntend, Cathleen,” riep het Opperhoofd, „ik moet binnen kort een

knap man voor u onder mijn clanslieden uitzoeken.”

Cathleen lachte, bloosde en verschool zich achter haar gezellin.

Op hun terugtocht naar het kasteel, drong het Opperhoofd bij Waverley

met warmte aan een paar weken te blijven, ten einde getuige te wezen

van een jachtpartij, waaraan hij en eenige andere Hooglandsche heeren

voornemens waren deel te nemen. De tooverkracht van schoonheid en

muziek had te diepen indruk op het hart van Waverley achtergelaten, dan

dat hij in staat zou geweest zijn voor deze vriendelijke uitnoodiging

te bedanken. Men kwam dus overeen, dat hij een briefje naar den baron

van Bradwardine zou zenden, waarin hij zijn voornemen te kennen gaf, om

een veertien dagen te Glennaquoich te blijven, terwijl hij hem verzocht

door den brenger (een gilly, of loopjongen, van het Opperhoofd) de

brieven te laten bezorgen, die voor hem mochten gekomen zijn.

Dit bracht het gesprek op den Baron, dien Fergus als edelman en soldaat

hoog roemde. Zijn karakter werd nog wel zoo juist en fijn geschetst

door Flora, die beweerde dat hij inderdaad het model was van een oud

Schotschen ridder, met al zijn zonderlingheden en deugden. „Het is een

soort van mensch, kapitein Waverley, die langzamerhand verdwijnt; want

de edelste trek er van, was eerbied voor zich zelf, dien men tot nu toe

nooit uit het oog verloren had. Maar thans worden de heeren, wier

beginselen hun niet toelaten aan het tegenwoordige Bewind hun hof te

maken, verwaarloosd en vernederd, en velen gedragen zich daarnaar, en

onderwerpen zich, gelijk enkele lieden, die ge op Tully-Veolan ontmoet

hebt, aan gewoonten en gezelschap, die onbestaanbaar zijn met hunne

geboorte en in strijd met hun opvoeding. De onbarmhartige partijwoede

schijnt de slachtoffers, die zij, hoe onrechtvaardig ook, brandmerkt,

inderdaad te vernederen. Maar laat ons hopen dat er een helderder dag

aanbreekt; dat een Schotsch landedelman een geleerde zal kunnen zijn,

zonder de pedanterie van onzen vriend den Baron; een liefhebber van de

jacht zonder de onfatsoenlijke manieren van den heer Falconer; en een

oordeelkundig landbouwer, zonder een lompe tweebeenige os te worden,

als Killancureit.”

Aldus voorspelde Flora een omwenteling, die inderdaad door den tijd is

teweeg gebracht, ofschoon op eene geheel andere wijze, dan zij zich

voorstelde.

Zij sprak vervolgens over de beminnelijke Rose, en hield de warmste

lofspraken op haar schoonheid, manieren en inborst. „Een onwaardeerbare

schat,” zeide Flora, „zal den man ten deel vallen die het voorwerp van

Rose Bradwardine’s genegenheid wordt; het bezit van haar hand en haar

hart zal hem voorzeker gelukkig maken. Ze is geheel en al bezield met

haar „t’huis”, en ze smaakt in de uitoefening van al de vreedzame

deugden der huiselijkheid haar hoogste genoegen. Haar echtgenoot zal

voor haar zijn, wat haar vader nu is, het voorwerp van al haar zorg,

teederheid en liefde. Ze zal niets zien, en aan niets anders denken dan

door hem en aan hem. Zoo hij een verstandig en braaf man is, zal ze

zijn verdriet met hem gevoelen, zijn zorgen verzachten, zijn vermaken

deelen. Wordt ze de vrouw van een strengen echtgenoot, of van iemand,

die haar verwaarloost, dan zal ze zich insgelijks naar zijn zin

schikken, want ze zal zijn onvriendelijke behandeling niet lang

beleven. En, helaas! hoe groot is de kans, dat zulk een onwaardig lot

mijn arme vriendin te beurt zal vallen! Waarom ben ik geen Koningin, om

den beminnelijksten en waardigsten jongeling van mijn rijk te kunnen

bevelen zijn geluk, te gelijk met de hand van Rose Bradwardine, te

zoeken!”

„Intusschen zou ik wel wenschen, dat ge haar geliefdet te bevelen, en

attendant mijne hand aan te nemen,” zei Fergus lachende.

Ik weet niet door welke opwelling het kwam, dat deze wensch, hoewel in

scherts geuit, Eduard eenigszins schokte, in weerwil van zijn

toenemende genegenheid voor Flora, en zijn onverschilligheid omtrent

Freule Bradwardine. Dit is een dier geheimen van het menschelijk hart,

welke wij vermelden, zonder te pogen er een verklaring van te geven.

„Uwe hand, broeder?” antwoordde Flora, terwijl ze hem strak in het

gelaat zag. „Neen! ge hebt een andere bruid – de Eer; en de gevaren die

ge loopen moet om het bezit harer mededingster, zouden de arme Rose het

hart breken.”

Onder dit gesprek bereikten ze het kasteel, en Waverley had spoedig

zijn brief voor Tully-Veolan gereed gemaakt. Daar hij wist dat de Baron

op zulke zaken zeer nauwlettend was, wilde hij zijn schrijven

verzegelen met het familiewapen, doch hij vond het cachet niet aan zijn

horlogie, en begreep dat hij het op Tully-Veolan had laten liggen. Hij

sprak met een paar woorden over dit geleden verlies, en verzocht

intusschen het zegel van zijn gastheer te mogen gebruiken.

„Zeker,” zeide freule Mac-Ivor, „Donald Bean Lean zou niet –”

„Ik sta met mijn leven borg voor hem in zulke omstandigheden,”

antwoordde haar broeder: „daarenboven zou hij gewis het horloge niet

vergeten hebben.”

„Hoe het zij, Fergus,” zeide Flora, „en wat ik ook toegeef, het

verbaast mij toch, dat ge dien man kunt voorspreken.”

„Ik hem voorspreken! – Mijn vriendelijke zuster zou u wel diets maken,

kapitein Waverley, dat ik zijn medeplichtige ben, – of, om duidelijker

te spreken, dat de roover, bij wijze van schatting, een deel van zijn

buit heeft moeten afstaan aan den landheer, over wiens gebied hij met

zijn prooi getrokken is. Twijfel er geen oogenblik aan, zoo ik geen

middel weet te vinden om Flora’s tong te breidelen, dan zal nog de

generaal Blakeney een sergeant met eenige manschappen uit Stirling

zenden, (dit zeide hij op trotschen en spotachtigen toon) om Vich Ian

Vohr, zoo als men mij noemt, in zijn eigen kasteel gevangen te nemen.”

„Kom, kom, Fergus! moet onze gast niet gevoelen, dat dit alles

kinderpraat en gekheid is? Ge hebt lieden genoeg tot uw dienst, zonder

bandieten er onder op te nemen, en uw eigen eer is boven allen blaam

verheven. – Waarom zendt ge dezen Donald Bean Lean, dien ik om zijn

lage vleierij en dubbelhartigheid, nog meer dan om zijn rooverij haat,

niet dadelijk uw land uit? Niets ter wereld zou mij kunnen bewegen om

zulk een mensch te dulden.”

„Niets ter wereld, Flora?” zei het Opperhoofd, met nadruk.

„Niets, Fergus! zelfs dat niet, wat mij het naast aan het hart ligt.

Bespaar me het ongeluk van zulke onwaardige bondgenooten te hebben.”

„Maar, hoor, zuster!” hernam het Opperhoofd op vroolijken toon, „ge

denkt niet aan mijn achting voor la belle passion. Evan Dhu Maccombich

is verliefd op Donald’s dochter Alice, en ge kunt niet verwachten, dat

ik hem in zijn liefde zal dwarsboomen. Wel, de geheele clan zou zeggen,

dat het schande was! Ge kent een hunner wijze gezegden, dat een

bloedverwant een gedeelte is van iemands lichaam; maar dat een

zoogbroeder een gedeelte is van iemands hart.”

„Nu, Fergus, er is met u geen twisten; ik wensch maar dat alles goed

afloopen moge.”

„Een vrome wensch, mijn lieve en profetische zuster! en het best

mogelijke middel om een eind te maken aan een zwak argument. Maar,

hoort ge de doedelzakken niet, kapitein Waverley? Misschien zult ge

meer lust hebben, om bij den klank dier muziek te dansen, dan door de

harmonie te worden doof gemaakt, zonder deel te nemen in de

lichaamsbeweging, waartoe ze ons uitngodigen.”

Waverley nam Flora’s hand. Het dansen, zingen en feestvieren werd druk

voortgezet, en besloot den vroolijken dag op het kasteel van Vich Ian

Vohr. Eduard trok zich eindelijk terug; maar, door een aantal nieuwe en

strijdige gewaarwordingen geslingerd, kon hij gedurende langen tijd

geen rust vinden, terwijl hij in dien niet onaangenamen toestand

gehouden werd, waarbij de verbeelding het roer in handen neemt, en de

geest veeleer lijdelijk voortdrijft op den snellen en ongeregelden

stroom der gedachten, dan wel eenige moeite doet, om ze aan te vatten,

te schikken of te onderzoeken. Hij viel laat in slaap, en in zijn

droomen stond het beeld van Flora Mac-Ivor voor hem.

Waverley(#75933) · 第 53 / 156 题