HOOGLANDSCHE DICHTKUNST.

Toen de eerste groeten gewisseld waren, zeide Fergus tot zijn zuster:

„Mijn lieve Flora, alvorens ik tot de barbaarsche plechtigheden onzer

voorvaderen terugkeer, moet ik u zeggen, dat kapitein Waverley een

bewonderaar is van de Celtische Muze, en misschien wel het meest, omdat

hij geen woord van de taal verstaat. Ik heb hem gezegd, dat gij een

buitengewoon talent in het vertalen van Hooglandsche poëzij bezit, en

dat Mac-Murrough uwe overzettingen zijner gezangen op denzelfden grond

bewondert, als kapitein Waverley het oorspronkelijke, – omdat hij ze

niet verstaat. Wilt gij de goedheid hebben, onzen gast in het Engelsch

dien wonderlijken ris van namen, dien Mac-Murrough in het Gaelsch heeft

aaneengeregen, voor te lezen of voor te dragen? Ik verwed mijn leven

tegen een haneveder, dat gij een vertaling bezit; want ik weet, dat ge

in al de beraadslagingen van den bard deelt, en ge al zijn zangen kent,

lang voor dat hij ze ons in de zaal laat hooren.”

„Hoe kunt ge zoo spreken, Fergus! Ge weet toch wel, hoe onmogelijk het

is dat deze verzen, een Engelschen vreemdeling belang kunnen

inboezemen, al kon ik ze ook, zoo als ge voorgeeft, vertalen.”

„Ze zullen hem niet minder dan mij belang inboezemen, schoone dame!

Vandaag heeft mij uw vereenigde arbeid – want ik houd vol, dat ge voor

de helft deel aan het werk van den bard hebt – den laatsten zilveren

beker, die er op het kasteel is, gekost, en ik denk dat binnen kort,

als ik cour plénière houd, het mij nog meer zal kosten, als de

zanggodin haren invloed op Mac-Murrough laat gelden; want ge kent ons

spreekwoord: als de hand van het Opperhoofd ophoudt met te geven,

bevriest de adem van den bard bij de voordracht. – Wel, ik zou graag

zien, dat het spoedig gebeurde: er zijn drie dingen, die nutteloos zijn

voor een hedendaagschen Hooglander, – een zwaard, dat hij niet mag

trekken, – een bard om daden te bezingen, die hij niet durft navolgen,

– een ruime geitenvellen beurs, zonder een gouden Louis om er in te

steken.”

„Wel, broeder, daar ge mijn geheimen verraadt, kunt ge niet verwachten,

dat ik de uwe bewaren zal. – Ik verzeker u, kapitein Waverley, dat

Fergus te trotsch is, om zijn zwaard te verruilen tegen een

maarschalksstaf; dat hij Mac-Murrough voor een veel grooter dichter

houdt dan Homerus, en dat hij zijn geitenvellen beurs niet zou geven

voor al de Louis d’or die ze bevatten kon.”

„Goed geantwoord, Flora; slag om slag, zooals Conan [86] tegen den

duivel zeide. Maar ik laat u beide over barden en poëzij, zoo al niet

over beurzen en klingen praten, terwijl ik terug ga, om de laatste eer

te bewijzen aan de oudsten van den stam van Ivor.” En met deze woorden,

verliet hij de kamer.

Het gesprek werd tusschen Flora en Waverley voortgezet; want twee wel

gekleede jonge meisjes, die zoo wat het midden hielden tusschen

makkertjes en afhangelingen, namen er geen deel aan. Ze zagen er beide

zeer goed uit, maar dienden slechts om de bevalligheid en schoonheid

harer meesteres nog te verhoogen. Het onderhoud volgde den loop, door

het Opperhoofd daaraan gegeven, en Waverley werd evenzeer verrast als

onderhouden door hetgeen de dame hem mededeelde aangaande de Celtische

poëzij.

„Het opzeggen,” zeide Flora, „van gedichten, die de daden der helden,

de klachten der minnaars en de oorlogen van strijdvoerende stammen

verheerlijken, is in de Hooglanden het voornaamste winteravondvermaak

bij het hoekje van den haard. Men zegt, dat sommige dezer gedichten

zeer oud zijn; en zoo ze ooit in een der talen van het beschaafde

Europa worden overgebracht, zullen ze ongetwijfeld een diepen en

algemeenen indruk maken. Andere zijn van jonger dagteekening; ze zijn

het werk dier famieliebarden, welke de edelste en machtigste

Opperhoofden, als de dichters en geschiedschrijvers van hunnen stam er

op nahouden. Hunne werken bezitten natuurlijk zeer ongelijke

verdiensten; maar de heerlijke geest daarvan moet bij een vertaling,

verloren gaan voor hen, die in de vurige gevoelens van den dichter niet

deelen.”

„En wordt uw bard, wiens uitstortingen heden zulk een uitwerking

schenen te hebben op het gezelschap, onder de lievelingsdichters der

bergbewoners gerekend?”

„Dat is een moeielijke vraag. Hij staat zeer hoog onder zijn

landslieden aangeschreven, en gij moet niet verwachten, dat ik zijn

roem verkleinen zal.” [87]

„Maar het lied, Freule Mac-Ivor, scheen al deze krijgers jong en oud,

in vervoering te brengen.”

„Het lied is, zoo te zeggen, niet veel meer dan een catalogus van namen

der Hooglandsche clans, met de bijzonderheden waardoor zij zich

onderscheiden, en een tot hen gerichte vermaning, om de daden hunner

voorvaderen in herinnering te houden en na te volgen.”

„En dwaal ik ten aanzien van de gissing, hoe vreemd zij ook schijne,

dat er eenige toespeling op mij in de verzen voorkwam, die hij zong?”

„Gij zijt een vlugge opmerker, kapitein Waverley, en hebt u hierin niet

bedrogen. De Gaelsche taal, zoo ongemeen rijk in klinkletters, eigent

zich bijzonder voor vlug vervaardigde en voor de vuist gedichte poëzij;

en het gelukt een bard meestal de uitwerking van een vooraf bedacht

lied te verhoogen door er eenige coupletten in te lasschen, die,

gedurende het zingen, door de omstandigheden aan de hand worden

gegeven.”

„Ik zou mijn beste paard er voor willen missen, om te weten wat de

Hooglandsche bard te zeggen had van zulk een onbekenden bewoner van het

Zuiden, als ik ben.” [88]

„Het zal u zelfs geen lok van zijn manen kosten. – Una, mijn lieve!”

(zij sprak eenige woorden tot een der aanwezige jonge meisjes, die

terstond een buiging maakte en zich verwijderde). – „Ik heb Una

gezonden, om aan den bard eenige uitdrukkingen te gaan vragen, waarvan

hij zich bediend heeft, en gij moogt vrij over mijn weinige bekwaamheid

als tolk beschikken.”

Una kwam na verloop van eenige minuten terug, en herhaalde voor hare

meesteres eenige regels in het Gaelsch. Flora scheen zich een oogenblik

te bedenken, en vervolgens een weinig blozende, wendde ze zich tot

Waverley. – „Het is onmogelijk, kapitein Waverley, uwe nieuwsgierigheid

te voldoen, zonder een vermetel waagstuk. Indien gij mij echter eenige

oogenblikken tot overdenking wilt toestaan, zal ik mijn best doen, den

zin dezer regels in eene door mij ondernomen Engelsche vertaling van

een gedeelte des oorspronkelijken lieds, te geven. Het schijnt dat de

theetafel mijne tegenwoordigheid niet meer eischt, en daar de avond

schoon is, zal Una u den weg wijzen naar een mijner lievelingsplekjes,

en Cathleen en ik zullen u daarheen volgen.”

Nadat Una in haar moedertaal de bevelen harer meesteres ontvangen had,

geleidde ze Waverley door een anderen uitgang, dan dien waardoor hij

het vertrek was binnengekomen. Op eenigen afstand hoorde hij nog de

groote zaal weergalmen van het geluid der doedelzakken en van de luide

toejuichingen der gasten. Toen Una en Eduard door een achterdeur in de

open lucht gekomen waren, wandelden ze de woeste, donkere en nauwe

vallei, waarin het huis gelegen was, een eind op, en volgden den loop

van een riviertje, dat door het dal heenkronkelde. Op een plek,

omstreeks een kwartier van het kasteel, vereenigden zich twee beken. De

breedste der twee vloeide in het lange, barre dal af, dat zich,

schijnbaar zonder eenige verandering of verheffing uitstrekte, zoo ver

de heuvels, waardoor het begrensd werd, het oog lieten reiken. Maar de

andere, die haar oorsprong nam tusschen de bergen ter linker zijde van

den doorgang, scheen uit een zeer nauwe en donkere opening van zware

rotsen voort te komen. Beide stroomen leverden dan ook een geheel

verschillend gezicht op. De breedste was bedaard en zelfs traag in zijn

loop, terwijl hij zich in diepe draaikolken verloor, of in donkerblauwe

poelen wegdommelde; maar de andere bewoog zich met een geweldige vaart,

en sprong van tusschen de steilten, even als een zinnelooze uit zijn

gevangenis te voorschijn, en was geheel schuim en oproer.

Langs dezen stroom werd Waverley nu, als een ridder in een roman, door

de schoone Hooglandsche juffer, zijn zwijgende geleidster, heengevoerd.

Een smal paadje, dat op vele plaatsen ten gevalle van Flora verbeterd

was, bracht hem te midden van tooneelen van een geheel anderen aard,

dan die welke hij zoo even verlaten had. Rondom het kasteel was alles

kaal, bar en woest, ofschoon er toch iets rustigs in deze woestheid

lag; maar dit op zulk een kleinen afstand gelegen nauwe dal, scheen den

toegang te openen tot een of ander toovergebied. De rotsen namen

duizenderlei zonderlinge en afwisselende vormen aan. Op een plaats

verhief een geweldige en vooruitschietende rots haar reusachtige

gedaante, alsof ze den voorbijganger allen verderen toegang met geweld

wilde betwisten; en eerst toen Waverley tot aan den voet genaderd was,

bemerkte hij de onverwachte en scherpe wending van het voetpad, dat

rondom deze schrikverwekkenden hinderpaal zijn kronkeling voortzette.

Op een andere plek waren de rotsen, die aan wederzijde van deze kloof

voorover hingen, elkander zoo dicht genaderd, dat twee over elkander

gelegde en met zoden bedekte pijnboomstammen, een ruwe brug vormden, op

een hoogte van ten minste honderd en vijftig voet. Zij was zonder

leuning en nauwelijks drie voet breed.

Deze gevaarlijke brug scheen niets dan een zwarte lijn, aan het blauw

des hemels over de smalle strook getrokken, welke door de aan

weerszijde overhellende rotsen zichtbaar gelaten was. Terwijl Waverley

hier naar keek, zag hij met een gevoel van ontzetting, Flora en haar

gezellin verschijnen, die, aan bovenaardsche wezens gelijk, als het

ware, hoog in de lucht op deze slingerende brug zweefden. Toen zij hem

beneden ontdekten, hield ze stil, en wuifde hem met een bevallige

ongedwongenheid, die hem een huivering door de leden joeg, met haar

zakdoek toe. Door het gevoel van duizeligheid bij hem opgewekt, was hij

buiten staat den groet te beantwoorden, en nooit gevoelde hij zich meer

verlicht, dan toen de schoone gedaante de gevaarlijke, door haar met

zoo veel gerustheid overgetrokken brug verlaten had, en aan de andere

zijde verdwenen was.

Eenige schreden verder onder de brug, waarvan het gezicht hem zoo veel

schrik had veroorzaakt, liep het pad, naarmate het zich meer van den

stroom verwijderde, steiler naar boven, en verbreedde zich het dal tot

een boschrijke kom, bezet met berken, jonge eiken en hazelaren,

waartusschen zich hier en daar een taxisboom verhief. De rotsen weken

thans naar achteren, ofschoon ze nog voortdurend haar grijze en ruige

toppen hier en daar zichtbaar lieten tusschen het kreupelhout. Nog

hooger op ontwaarde men andere rotsen, wier spitsen, gedeeltelijk kaal,

gedeeltelijk met boschaadjes bekleed waren, terwijl sommigen rond en

purperkleurig met de bloeiende heiplanten en andere gespleten,

verbrokkeld en verdeeld zich aan het oog voordeden. Na een korte

wending bracht het pad dat nu eenigen tijd buiten het gezicht van den

stroom had voortgeloopen, Waverley op eens vlak voor een schoonen

waterval. Deze was minder opmerkelijk om de hoogte, vanwaar hij

nederstortte en zijn groote waterstraal, dan om de bijkomende

schoonheden, die de plek versierden. Na een gebroken val van omtrent

twintig voet, werd de stroom opgevangen in een ruime, door de natuur

gevormde kom, tot aan den rand met water gevuld, hetwelk, waar het

schuim van den val ophield, zoo bij uitstek helder was, dat, in weerwil

van de geweldige diepte, het oog elk steentje op den bodem kon

onderscheiden. In deze soort van ketel ronddraaiende, vond de stroom

een uitgang over een soort van gebroken rotsrand, en vormde een tweeden

val, die in den afgrond zelven stortte: waarna hij vantusschen de

zwarte rotsen stroomende, die door de eeuwen gepolijst en glad gemaakt

waren, kabbelende in de vallei wegdreef en de beek vormde, langs welker

oevers Waverley zoo even gewandeld had. [89] Alles wat deze

schilderachtige kom omringde was even schoon; maar het was een

schoonheid die iets statigs en stouts bijna iets groots had. De met mos

begroeide oeverzoomen werden afgewisseld door geweldige rotsbrokken, en

versierd met boomen en heesters, waarvan sommigen onder Flora’s leiding

geplant waren, maar met zooveel overleg, dat ze het bevallige van het

landschap bevorderden, zonder de schilderachtige trotschheid er van in

het minst te benadeelen.

Hier trof Waverley Flora aan, terwijl ze in den waterval staarde,

gelijk een dier bevallige gestalten, waarmede de landschappen van

Poussin zijn opgeluisterd. Twee schreden achter haar meesteres stond

Cathleen, die een kleine schotsche harp droeg, welke Flora had leeren

bespelen en wel van Rory Dall, een der laatste harpspelers der

Westersche Hooglanden. De zon, die nu in het westen daalde, wierp een

rijken afwisselenden glans over al de voorwerpen, welke Waverley

omringden, en scheen een bovenaardschen luister bij te zetten aan de

diepe uitdrukking van Flora’s zwart glinsterend oog, en de bevalligheid

en de reinheid harer gelaatstrekken, waarbij nog hare heerlijke en

betooverende gestalte, dien luister kwam verhoogen. Eduard zeide in

zich zelven, dat hij nooit, zelfs in zijn dolste droomen, zich een

gedaante had voorgesteld die met deze in schoonheid en beminnelijkheid

te vergelijken was. De woeste pracht van de afgezonderde plek, die zich

als door een tooverslag aan hem voordeed, verhoogde de gemengde

gewaarwordingen van geluk en eerbied, waarmede hij haar naderde, alsof

ze een toovernimf van Boyardo of Ariosto ware, op wier wenk plotseling

een Eden in de wildernis scheen ontstaan te zijn.

Flora kende, even als iedere schoone vrouw, de macht harer

bekoorlijkheden, en met groot genoegen bespeurde ze de uitwerking

daarvan in de eerbiedige, beschroomde toespraak van den jeugdigen

krijgsman. Maar, daar ze een uitnemend goed verstand bezat, schreef ze

aan het romaneske van het tooneel en aan andere toevallige

omstandigheden, een goed deel toe van de ontroering, waaraan Waverley

blijkbaar ten prooi scheen te wezen. Daar ze noch zijn levendige

verbeelding, noch zijn ligt ontvlambaar karakter kende, zag ze in zijn

hulde niets dan de voorbijgaande bewondering, welke zelfs een vrouw van

veel mindere bekoorlijkheden, onder zulke omstandigheden, zou hebben

mogen verwachten. Ze sloeg dus zeer bedaard den weg in naar een plek,

op zulk een afstand van den waterval, dat het geruisch van den

nederstortenden stroom eer haar stem en de begeleiding ter hulpe moest

komen dan nadeelig zijn, en, terwijl ze zich op een met mos begroeiden

rotsblok nederzette, nam ze de harp uit Cathleen’s handen.

„Ik heb u de moeite gegeven, kapitein Waverley,” zeide ze, „naar deze

plek te komen, zoo wel omdat ik meende dat het landschap zelf u belang

zou inboezemen, als omdat een Hooglandsch gezang nog meer door mijn

onvolkomene overzetting zou lijden, als niets van het woeste en

daarmede overeenstemmende er bij kwam. Om mij van de dichterlijke

uitdrukking van mijn land te bedienen: de Celtische Muze woont in de

nevelen van een verborgen, eenzamen heuvel, en haar stem is het

gemurmel van den bergstroom. Hij die haar zoeken wil, moet aan de barre

rots boven de vruchtbare vallei, en aan de eenzame woestijn boven de

vroolijke feestzaal de voorkeur geven.”

Bezwaarlijk kon iemand het schoone meisje deze verklaring met een

bezielde stem hooren doen, zonder uit te roepen, dat de door haar

vereerde Muze nooit een bevoegder plaatsvervangster kon vinden. Maar

ofschoon deze gedachte zich aan zijn ziel opdrong, had Waverley den

moed niet om ze uit te spreken. Inderdaad, het overweldigende genot,

waarmede hij de eerste tonen door haar uit de harp gelokt hoorde, werd

hem bijna pijnlijk. Om al de schatten der wereld zou hij zijn plaats

aan hare zijde niet verlaten hebben; en toch verlangde hij naar de

eenzaamheid, om rustig en ongestoord de verschillende gewaarwordingen

te ontleden en te onderzoeken, waardoor zijn hart bestormd werd.

Flora had het eentonig en afgemeten recitatief van den bard vervangen

door de muziek van een aloud Hooglandsch krijgslied, dat wegsleepend en

verheven van aard was. Op eenige weinige onregelmatige akkoorden volgde

een præludium, woest en zonderling, maar in volkomen overeenstemming

met het gemurmel van den verwijderden waterval en het zuchten van het

avondkoeltje, dat in de bladeren van een espenboom ritselde, welke

boven de zitplaats der harpspeelster zijn takken uitbreidde. De

volgende verzen zullen slechts een gering denkbeeld geven van den

indruk, dien ze, aldus voorgedragen en begeleid, op Waverley maakten:

Zie de mist kleurt het dal en den heuveltop vaal,

Maar de slaap is nog zwaarder des zoons van den Gael;

De overheerscher gebiedt: – in zijn juk zucht het land,

Ieders hart is verstijfd, en verlamd ieders hand.

Als begraven in ’t stof, ligt het schild en het zwaard,

Waar het oog slechts het rood van den roestvlek ontwaart;

En al draagt men een roer door ’t gebergt met zich meê,

Och, ’t is enkel noodlottig voor veldhoen of ree.

Brengt de roem van de vaadren de barden in gloed,

Door een blos of een slag zij hun lied dan begroet!

Tedre luitsnaar word’ stom, en gesust iedre toon,

Die herinnert aan glorie, sinds lang al ontvloôn.

Maar de nacht is geweken, de slaap is voorbij,

In het eind maakt de morgen de bergen weêr blij,

En Glenadala’s spitsen weêrkaatsen zijn glans,

En het lachend Glenfinnan [90] gaat golvend ten dans!

Onverschrokkene Moray! [91] gij balling zoo dier,

O verhef bij ’t ontwaken des dags uw banier!

Dat ze statiglijk wappere op d’ adem van ’t noord,

Zooals ’t zonlicht een wijl door de stormvlagen gloort.

Moet, o teelt van den sterke, als die morgen genaakt,

U de harpe des grijsaards herinren: ontwaakt!

Op der voorvaadren oog straalde nimmer zijn rood,

Of hij wekte iedren hoofdman ter zege of ten dood.

O gij nakroost der vorsten uit Islay’s gebied,

Trotsche heerschers van Ranald, Glengary en Sleat,

Vereent u als drie stroomen, een sneeuwberg ontsnelt,

En stort los op den vijand, en uwer zij ’t veld!

Trouwe zoon van Sir Evan Lochiel, zoo vermaard,

Hang uw schild aan den schouder, en wet er uw zwaard!

Vul de klank van uw hoorn, woeste Keppoch, het dal,

En het ver Corryarick weerkaats zijn geschal.

Koene zoon van Lord Kenneth, gij hoofd van Kintail!

Dat het hert in uw standaard in ’t windgefluit speel!

Dat de stam van Glenkillan zoo vrij als getrouw,

Ons Glenlivat herinner, Dundee, of Harlaw!

Dat het nakroost van Fingon, die clan zoo vermaard,

Om zijn mart’laars bij God, en zijn helden op aard,

Saam vereend met den stam van ’t beroemd Rorrimore,

Thans de vaartuigen sture in het glorievol spoor!

Van geneugt juicht Mac-Shimei, op ’t zien van ’t helmet,

Door zijn clanhoofd op sneeuwwitte kruin zich gezet,

En de stam van Alpine en Glencoe plast verwoed,

Door de wrake gespoord in der vijanden bloed.

O, gij zonen diens Dermids, die streedt met den beer,

O, Mac-neil van het eiland, en Moy van het meer,

Voor de wrake, voor de eer en de vrijheid ontwaakt!

En Mac Cullum Mores naam u thans waardig gemaakt!

Op dit oogenblik kwam een groote jachthond, die door het dal vloog,

tegen Flora opspringen, en haar muziek door zijn lastige liefkozingen

storen. Op een in de verte klinkend gefluit keerde hij zich om, en

snelde het pad weder met de vlugheid van een pijl af. „Dit is de trouwe

medgezel van Fergus, kapitein Waverley, en dat was zijn signaal,”

merkte het meisje op. „Hij houdt van geen poëzij, tenzij van het

luimige genre, en komt juist van pas, om den langen catalogus af te

breken van stammen, welke een uwer ondeugende Engelsche dichters

omschreven heeft als:

„Een ongeschoeide troep van hooggeboren bedelaren,

Hoogmoedig op het mac dat ze met hun namen paren.” [92]

Waverley betuigde zijn leedwezen over deze stoornis.

„o Gij kunt niet gelooven, hoeveel ge verloren hebt! De bard heeft,

volgens zijn verschuldigden plicht, drie lange coupletten gericht tot

Vich Ian Vohr, waarin hij diens groote eigenschappen optelt, en niet

vergeten heeft in te vlechten, dat hij een vriend is van den harpenaar

en den bard – „een gever van milde giften.” Daarenboven zoudt ge een

treffende toespraak hebben gehoord aan den schoongelokten zoon des

vreemdelings, levende in het land, waar het gras altijd groen is – den

ruiter op het glinsterend krijgsros, welks huid is als dat der raven,

en welks brieschen als het geschreeuw van den arend, die hunkert naar

den strijd. Deze dappere ruiter wordt met warmte bezworen zich te

herinneren, dat zijn voorvaderen zich zoo wel onderscheidden door hun

getrouwheid aan den vorst, als door hun moed. – Dit hebt ge alles

gemist; maar daar uwe nieuwsgierigheid niet voldaan is, zoo maak ik uit

het verre fluiten mijns broeders op, dat ik nog even den tijd zal

hebben om de slotcoupletten te zingen, eer hij komt om met mijn

vertaling den spot te drijven.”

Dappre zoons van ’t gebergte, van eiland en meer,

Stroomt uw heuvelen af, daagt van heinde en van veer, –

Hoort! de horen schalt rond, maar hij roept niet ter jacht,

Hoort! de zakpijp gonst luid, maar geen feest dat u wacht.

Maar hij roept er de helden ter zege of ten val,

Als de vaandelen wuiven om heuvel en dal!

Maar hij roept om den dolk, om het schild, om het zwaard,

Tot den marsch, tot den aanval – uw vaderen waard!

Voere elk hoofdman het wraakstaal, als Fingal de held!

Stroome ’t bloed door zijn aadren met bruisend geweld!

Breekt het juk van den vreemde als uw vaadren weleer,

Of sterft als die vaadren, en duldt het niet meer!

Waverley(#75933) · 第 51 / 156 题