De gezelschapskamer van Flora Mac-Ivor was op de eenvoudigste wijze
gemeubeleerd; want op Glennaquoich werd iedere andere soort van
uitgaven zooveel mogelijk vermeden, opdat het Opperhoofd steeds in
staat zou zijn, op een onbekrompen wijze gastvrijheid uit te oefenen,
en het getal zijner aanhangers en vazallen onverminderd te behouden en
te vermeerderen. Maar er was geen zweem van deze zuinigheid in de
kleeding der dame zelve te bespeuren, die wat de stof betreft, keurig
en zelfs rijk was, en opgemaakt op een wijze, welke gedeeltelijk
overeenkwam met de Parijsche mode, en gedeeltelijk met de eenvoudiger
dracht der Hooglanders, en met oordeel en smaak gekozen was. Het haar
was niet misvormd door de kunst des kappers, maar viel in losse krullen
langs haar hals, alleen teruggehouden door een rijk met diamanten
bezetten haarband. Hierin schikte ze zich naar de vooroordeelen der
Hooglanders, die niet verdragen konden, dat het hoofd eener vrouw, vóor
haar huwelijk, bedekt werd.
Flora Mac-Ivor geleek sprekend op haar broeder Fergus; zoo sterk zelfs,
dat zij Viola en Sebastiaan [83] hadden kunnen spelen, met hetzelfde
schitterend gevolg, als mevrouw Henry Siddons [84] en haar broeder de
heer William Murray, in deze rollen. Zij hadden hetzelfde antieke
regelmatige profiel; dezelfde donkere oogen en wenkbrauwen; blanke
huid; behalve dat Fergus door de zon een weinig bruiner geworden was;
terwijl Flora al de fijnheid, waardoor haar geslacht zich onderscheidt,
bezat. Maar de hooghartige en eenigszins strenge regelmatigheid van
Fergus’ trekken was op eene wonderbaarlijke wijze in die van Flora
verzacht. Hunne stemmen hadden ook veel overeenkomst met elkaâr, maar
verschilden van toon. Die van Fergus, inzonderheid als hij aan zijn
manschappen bij hunne krijgsoefeningen bevelen gaf, herinnerde Eduard
aan een lievelingsplaats in de beschrijving van Emetrius:
„Wiens stem in ’t ronde klonk, luid als de krijgstrompet
Met zilver-zuivren klank.”
Die van Flora, daarentegen, was zacht en liefelijk; „eene uitnemende
gaaf bij een vrouw;” maar wanneer ze daarentegen over het een of ander
uitverkoren onderwerp sprak, zoo als ze dikwijls met een natuurlijke
welsprekendheid deed, bezat ze zoo wel de klanken, die ontzag en ernst
inboezemen, als die van wegslepende overreding. De scherpe blik van het
vurige, zwarte oog, die, in het Opperhoofd, het ongeduld verried zelfs
over de stoffelijke hinderpalen die hij ontmoette, had in dat van zijn
zuster een zekeren liefelijken ernst. De oogen des broeders schenen den
roem, de macht, kortom al datgene te zoeken, wat hem boven anderen
verheffen kon; terwijl die van de zuster, zich harer verstandelijke
meerderheid bewust, eerder diegenen schenen te beklagen dan te
benijden, welke naar eenige andere onderscheiding streefden. Hare
gevoelens waren volkomen in overeenstemming met de uitdrukking van haar
gelaat. Door de vroegste indrukken harer opvoeding, was haar hart
zoowel als dat van haar broeder, met de innigste gehechtheid voor het
verjaagde huis van Stuart bezield. Zij achtte het een heiligen plicht
van haar broeder, van zijn clan, van iederen bewoner van
Groot-Brittanje, om ten koste van welk persoonlijk gevaar ook, tot de
herstelling mede te werken, waarop de aanhangers van den Ridder van St.
George niet hadden opgehouden te hopen. Hiervoor was ze gereed alles te
doen, alles te lijden, alles ten offer te brengen. Maar hare
getrouwheid aan het verbannen geslacht, zoo ze die van haar broeder ook
al in geestdrift te boven ging, won het tevens in zuiverheid van hem.
Aan kleine intriges gewoon, in duizenderlei nietige en baatzuchtige
overleggingen met anderen gewikkeld, even eerzuchtig van aard als hij
zelf, was Fergus’ staatkundige trouw, zoo al niet besmet dan toch
verdacht wegens de uitzichten op persoonlijk belang en bevordering, zoo
ligt daarmede te verbinden; en op het oogenblik, dat hij zijn zwaard
ontblootte, zou het moeielijk zijn te zeggen, of hij het meer deed met
oogmerk om Jacobus Stuart tot koning, of Fergus Mac-Ivor tot graaf te
maken. Het is waar, deze gemengde gevoelens durfde hij zich niet
bekennen, maar dit nam niet weg dat ze inderdaad bestonden.
In Flora’s borst integendeel brandde het vuur der getrouwheid aan den
vorst zuiver, en zonder met eenig baatzuchtig gevoel vermengd te zijn;
ze zou even ligt de godsdienst tot het masker van eer- en baatzuchtige
bedoelingen gemaakt hebben, als dergelijke plannen te verbergen onder
de gevoelens, die ze geleerd had voor vaderlandsliefde aan te zien.
Zulke voorbeelden van verknochtheid waren niet zeldzaam onder de
voorstanders van het ongelukkige huis van Stuart, waarvan een aantal
merkwaardige bewijzen den meesten mijner lezers voor den geest zullen
treden. Maar de bijzondere oplettendheid van den Ridder van St. George
en van zijn gemalin voor de ouders van Fergus en zijn zuster, en
inzonderheid voor beiden toen ze weezen waren, had hunne getrouwheid
versterkt. Fergus was, na den dood zijner ouders, eenigen tijd page
geweest in het gevolg van des Ridders gemalin, en, om zijn schoonheid
en levendige geaardheid, werd hij steeds door haar met de hoogste
onderscheiding behandeld. Deze nu strekte zich insgelijks uit tot
Flora, die gedurende eenigen tijd, voor rekening van de Prinses, in een
klooster van den eersten rang werd geplaatst, en van daar overgebracht
in haar eigen hofgezin, waar ze twee jaren sleet. Beiden, broeder en
zuster, bleven daarna voortdurend de innigste dankbaarheid voor deze
vriendelijkheid der Prinses koesteren.
Na aldus de voornaamste beginselen en drijfveeren van Flora’s karakter
geschilderd te hebben, behoef ik het overige slechts te schetsen. Ze
was met groote bekwaamheden bedeeld, en had de bevallige manieren,
welke men verwachten kan van iemand, die op jeugdigen leeftijd in het
gezelschap eener prinses heeft verkeerd; maar ze had niet geleerd wat
ze inderdaad voelde onder een zeker vertoon van beleefdheid te
verbergen. Toen ze zich in de eenzame streken van Glennaquoich
gevestigd zag, bemerkte ze dat de kennis, die ze van de Fransche,
Engelsche en Italiaansche letterkunde bezat, zeer weinig, en dan nog
slechts ongeregeld, voortgezet kon worden; en, daar ze den overigen
tijd wenschte aan te vullen, wijdde ze een gedeelte daarvan aan de
muziek en de dichterlijke overleveringen der Hooglanders. Ze begon
werkelijk een genoegen in deze tijdkorting te vinden, hetwelk haar
broeder, wiens gevoel voor letterkundig genot niet zoo ontwikkeld was,
eer voorwendde, om zich bij het volk bemind te maken, dan dat hij het,
zooals zijn zuster, werkelijk smaakte. Het uitstekende welgevallen,
haar door diegenen betuigd, bij wie ze zich om onderricht vervoegde,
bevestigde haar in haar voornemen om hare nasporingen voort te zetten.
De liefde tot haar clan, die ze als een erfdeel in haar hart koesterde,
had even als hare trouw aan het koninklijke huis, een zuiverder
beginsel dan die van haar broeder. Fergus was een te degelijk
staatsman, en beschouwde zijn aartsvaderlijk gezag te zeer als een
middel om zijn eigene grootheid te bevorderen, dan dat wij hem het
voorbeeld van een Hooglandsch Opperhoofd noemen zouden. Flora ijverde
insgelijks, om hunne patriarchale heerschappij aan te kweeken en uit te
breiden; maar het was met de grootmoedige bedoeling, om diegenen voor
armoede, of ten minste voor gebrek en vreemde onderdrukking te bewaren,
over wie haar broeder, volgens de begrippen van dien tijd, door zijn
geboorte geroepen was te heerschen. Wat ze van haar inkomen besparen
kon, want ze trok een gering jaargeld van de prinses Sobieski [85],
werd besteed, niet om de geriefelijkheden des levens voor den
boerenstand te vermeerderen – want dat was een woord, hetwelk ze
verstonden noch waarschijnlijk wenschten te verstaan, – maar om in
hunne volstrekte behoeften, bij ziekte of ouderdom te gemoet te komen.
Op iederen anderen tijd sloofden deze lieden zich veeleer af, om iets
te winnen, dat ze met den Hoofdman zouden kunnen deelen, als een bewijs
van hunne gehechtheid, dan dat ze van hem op eenigen anderen bijstand
rekenden boven hetgeen de eenvoudige gastvrijheid van zijn kasteel, en
de algemeene verdeeling en onderverdeeling zijner landgoederen onder
hen opleverden. Ze waren zoo zeer aan Flora gehecht, dat, toen
Mac-Murrough een lied had vervaardigd, waarin hij al de bijzondere
schoonheden van het district opsomde, hij eindigde met haar den
voorrang boven alles toe te kennen, en wel door het beeld, „dat de
schoonste appel aan den hoogsten tak hing.” Hij ontving daarvoor, in
geschenken van enkele leden des clans, meer zaaigerst, dan voldoende
was om zijn Hooglandschen Parnassus, dien men gewoon was den Bardentuin
te noemen, tienmalen te bezaaien.
Zoowel door omstandigheden, als uit verkiezing, was de omgang van
Freule Mac-Ivor zeer beperkt. Haar vertrouwdste vriendin was Rose
Bradwardine geweest, aan wie ze zeer gehecht was; en bij elkander
zouden zij den kunstenaar twee uitstekend fraaie modellen van de
vroolijke en droefgeestige zanggodin hebben opgeleverd. Inderdaad werd
Rose zoo teeder door haar vader bemind, en was de kring harer wenschen
zoo beperkt, dat er nooit een bij haar opkwam waaraan hij niet geneigd
was te voldoen en zelden was er een, welks vervulling niet binnen het
bereik zijner macht viel. Met Flora was het geheel anders. Toen ze nog
een kind was, had ze allerlei lot-wisselingen ondergaan; uit een staat
van glans en luister was ze tot volslagen eenzaamheid en betrekkelijke
armoede vervallen; en de denkbeelden en wenschen, die ze hoofdzakelijk
koesterde, hadden betrekking op groote nationale gebeurtenissen en
omwentelingen, die niet zonder gevaar en bloedstorting tot stand te
brengen waren, en waaraan inderdaad niet dan met hoogen ernst gedacht
kon worden. Hare houding was bijgevolg hoog ernstig, ofschoon ze hare
talenten gaarne aanwendde tot vervroolijking van het gezelschap, en ze
zeer hoog stond aangeschreven in de achting van den ouden Baron, die
gewoon was met haar de Fransche duetten van Lindor en Chloris enz. te
zingen, die omstreeks het einde der regeering van „Louis le Grand” in
de mode waren.
Men geloofde algemeen, hoewel niemand den baron van Bradwardine hiervan
iets had durven laten blijken, dat Flora’s beden geen gering aandeel
hadden aan het bedwingen van Fergus’ gramschap, bij gelegenheid van hun
twist. Ze vatte haar broeder van de zwakke zijde aan, door eerst stil
te staan bij den ouderdom van den Baron, en door vervolgens het nadeel
aan te wijzen, dat de groote zaak lijden kon, zoo ook bij den smet voor
zijn goeden naam te duchten, waar er sprake was van wijze gematigdheid,
zoo noodig voor een staatkundig agent, indien hij voornemens bleef den
twist tot het uiterste te laten komen. Zonder deze bedenkingen zou het
waarschijnlijk op een tweegevecht zijn uitgeloopen, zoowel omdat de
Baron, bij een vroegere gelegenheid, het bloed van den clan gestort
had, hoewel de zaak in der tijd geschikt was – als op grond van den
grooten roem, dien den grijsaard in het voeren van den degen had
verworven, en dien Fergus niet nalaten kon te benijden. Om die reden
had ze te meer op hunne verzoening aangedrongen, waarin het Opperhoofd
te gereeder toestemde, daar ze eenige door hem uitgedachte plannen
begunstigde.
Aan deze jonge dame, die thans over het vrouwengebied van de theetafel
heerschte, stelde Fergus kapitein Waverley voor, en zij ontving hem met
de gewone door de wellevendheid voorgeschreven vormen.