EEN HOOGLANDSCH FEEST.

Eer Waverley de feestzaal binnentrad, werd hem de aartsvaderlijke

verfrissching van een voetbad aangeboden, wat wegens den tocht door de

moerassen die hij doorwaad had, en bij het heete zomerweder, hem hoogst

welkom was. Hij werd zeker bij deze gelegenheid niet zoo weelderig als

de heldenreizigers in de Odyssea bediend, daar de taak der besproeiing

en afdrooging niet volvoerd werd door een schoone jonkvrouw, die er op

geleerd was om

Vermoeide leden te bestrijken

En geurige olie uit te storten,

maar door een zwart en gerimpeld Hooglandsch oud wijf, dat zich niet

bijzonder vereerd gevoelde met den haar opgelegden plicht, maar

tusschen de tanden mompelde: „De kudden onzer vaderen hebben niet zoo

dicht bij elkander geweid, dat ik u deze dienst behoorde te bewijzen.”

Een kleine gift evenwel bevredigde de oude dienstmaagd ten volle voor

de veronderstelde vernedering, en, terwijl Eduard zich naar de zaal

begaf, schonk ze hem haar zegen, onder het uiten van het Gaelsche

spreekwoord: „Moge de open hand het overvloedigst gevuld worden!”

De zaal, waarin het feest werd bereid besloeg de gansche ruimte van Ian

nan Chaistel’s oorspronkelijk verblijf, en een zware eiken tafel nam de

geheele lengte daarvan in. Het middagmaai was eenvoudig, ja zelfs meer

dan eenvoudig, en het gezelschap zoo talrijk, dat het elkander bijna

verdrong. Aan het hoofd van de tafel waren de hoofdman, met Eduard en

twee of drie Hooglandsche bezoekers van naburige clans gezeten. Daarop

volgden in rang de oudsten van zijn eigen stam, wadsetters en tacksmen

[79], gelijk ze genoemd werden, die gedeelten van zijn landerijen als

pachters of huurders bewoonden. Een weinig lager dan zij, zaten hunne

zoons, neven en zoogbroeders, de officieren der huishouding van het

Opperhoofd, ieder overeenkomstig zijn rang; en het laagst van allen,

aan het einde van de tafel, de meiers of boeren, die inderdaad den

grond bewerkten. Zelfs voorbij deze lange reeks van gasten kon Eduard

op het veld, waarheen een paar zware geopende vleugeldeuren voerden,

een menigte Hooglanders zien van nog lageren stand, die eveneens als

gasten werden beschouwd, en zoowel hun deel hadden aan den door den

gastheer ten toon gespreiden luister, als aan de goede sier van den

dag. Op een afstand, en als golvende rondom het feestmaal, bevond zich

een bonte groep van vrouwen, havelooze knapen en meisjes, bedelaars,

jong en oud, groote windhonden, dashonden en speurhonden, en rekels van

de slechtste soort; welke allen, meer of min onmiddellijk, aan het maal

deel namen.

Deze schijnbaar onbeperkte gastvrijheid was echter aan zekere,

zuinigheidsregelen gebonden. Er was eenige zorg besteed aan het

toebereiden der schotels visch, wild, enz., die men aan het boveneinde

van de tafel en onmiddellijk onder het oog van den Engelschen

vreemdeling zette. Meer naar beneden stonden groote, grove stukken

schapen- en ossenvleesch, die, behalve dat er geen varkensvleesch

gevonden werd, waarvan men in de Hooglanden een afkeer had [80], de

ruwe feesten der minnaars van Penelope voor den geest riepen. Maar de

hoofdschotel bestond uit een eenjarig in zijn geheel gebraden lam. Het

stond op zijn pooten, met een bos pieterselie in den mond, en was

waarschijnlijk in dien vorm opgezet, om de ervarenheid van den kok te

doen uitkomen, die zich evenwel meer op den overvloed, dan op het

sierlijke van zijns meesters tafel beroemde. De ribben van het arme

dier werden woedend aangevallen door de clanslieden, sommige met

dolken, de anderen met zakmessen gewapend, welke gemeenlijk in dezelfde

schede staken met den dolk, zoodat het spoedig een deerniswaardig

schouwspel opleverde. Verder naar beneden schenen de spijzen nog veel

eenvoudiger, ofschoon in voldoende hoeveelheid. Brood, uien, kaas, en

het overschot van den maaltijd verkwikten de zonen van Ivor’s stam, die

in de open lucht deelnamen aan het feest.

De drank werd in dezelfde evenredigheid en onder gelijke bepalingen

rondgediend. Uitnemende roode wijn en champagne werden overvloedig

geschonken onder de onmiddellijke tafelburen van den Hoofdman;

brandewijn zuiver of aangelengd, en zwaar bier verkwikten hen die meer

aan het lager einde gezeten waren. En deze ongelijkheid van bedeeling

scheen niemand in het minste te beleedigen. Ieder daar tegenwoordig

wist, dat zijn smaak zich schikken moest naar den rang, dien hij aan de

tafel bekleedde, en bijgevolg betuigden de tacksmen en hunne

afhangelingen altijd, dat de wijn te koud was voor hunne magen, en

riepen, oogenschijnlijk uit verkiezing, om den drank, welke uit

zuinigheid voor hen bestemd was [81]. De doedelzakspelers, drie in

getal, lieten niet na, onder den maaltijd, een verschrikkelijken

oorlogsdeun te doen hooren. De terugkaatsing van de gewelfde zoldering,

en het geschal van den Gaelschen tongval, brachten zulk een Babelsch

geraas te weeg, dat Waverley bevreesd werd dat zijn gehoorvlies er

onder lijden zou. Mac-Ivor verzocht hem echter het geweld, door zulk

een druk gezelschap veroorzaakt, te willen vergeven, en beriep zich op

den door hem bekleeden rang, die hem eene onbeperkte gastvrijheid als

plicht oplegde. „Deze mijne niet minder ledigloopende dan dappere

aanverwanten,” zeide hij, „beschouwen mijne bezittingen als een

algemeen goed, dat ik slechts bestuur om hen te onderhouden; en ik moet

hun ossenvleesch en bier bezorgen, terwijl de guiten voor zichzelven

niets doen, dan de sabel hanteeren, of rondslenteren langs de heuvelen,

om te jagen, te visschen, te drinken en met de meisjes in den omtrek te

vrijen. Maar wat zal ik er aan doen, kapitein Waverley? Ieder ding moet

naar zijn aard behandeld worden, of het een valk of een Hooglander is.”

Eduard liet niet na, in het verwachte antwoord een compliment in te

vlechten over het bezit van zoo vele moedige en aan hem verkleefde

manschappen.

„Het is waar,” hernam het Opperhoofd, „indien ik, als mijn vader,

gezind was mij bloot te stellen, om een slag op het hoofd te ontvangen,

dan geloof ik, dat de deugnieten mij niet in den steek zouden laten.

Maar wie denkt daar tegenwoordig aan, nu de grondregel is – Beter een

oude vrouw met een beurs in de hand, dan drie mannen met degens op

zijde.” En terwijl hij zich vervolgens tot het gezelschap keerde,

stelde hij in: „De gezondheid van kapitein Waverley, een waardig vriend

van mijn lieven nabuur en bondgenoot, den baron van Bradwardine.”

„Hij is hier welkom,” zeide een der oudsten, „zoo hij van Cosmo Comyne

Bradwardine komt.”

„Dat zeg ik niet!” antwoordde een oud man, die niet voornemens scheen

met den toast in te stemmen. „Dat zeg ik niet! – zoo lang er een groen

blad in het bosch is, zal er bedrog in een Comyne zijn.”

„Er is geen kwaad haar aan den baron van Bradwardine,” hernam een

andere der oudsten, „en de gast die hier van hem komt behoort welkom te

zijn, al kwam hij met bebloede handen, als het maar niet het bloed is

van den stam van Ivor.”

De oude man, wiens beker gevuld bléef, hervatte: „Er is bloed genoeg

van den stam van Ivor aan de handen van Bradwardine geweest.”

„Ach, Ballenkeiroch!” luidde het antwoord des eersten, „gij denkt meer

aan het geweervuur te Tully-Veolan, dan aan het flikkeren van het

zwaard, dat te Proud-Preston voor de goede zaak gestreden heeft.”

„En daar heb ik reden toe,” antwoordde Ballenkeiroch, „het geweervuur

kostte mij een blonden jongen, en het flikkeren van het zwaard heeft

niet veel voor koning Jacobus uitgewerkt.”

Fergus verhaalde aan Waverley met een paar woorden, in het Fransch, dat

de Baron, nu omtrent zeven jaar geleden, in een schermutseling bij

Tully-Veolan, den zoon van dezen ouden man had neêrgeschoten; waarna

hij zich haastte om de vooringenomenheid van Ballenkeiroch weg te

nemen, door hem mee te deelen, dat Waverley een Engelschman was, die

door geboorte noch huwelijk in betrekking stond tot het geslacht van

Bradwardine; en hierop nam de grijsaard den tot hiertoe onaangeroerden

beker op, en dronk beleefdelijk op zijn gezondheid. Na deze

plichtpleging, gaf het Opperhoofd een wenk aan de doedelzakken om te

zwijgen, en zeide overluid; „Waar is de zang verborgen, mijn vrienden,

dat Mac-Murrough dien niet kan vinden?”

Mac-Murrough, de familie-zanger, een bejaard man, gehoorzaamde terstond

aan den wenk, en begon met zachte stem en snel achter elkander, een

aantal Celtische verzen op te zingen, die door de toehoorders met

geestdrift toegejuicht werden. Naarmate hij met zijn declamatie

voortging, scheen zijn vuur toe te nemen. Hij had eerst gesproken met

de oogen op den grond gevestigd; maar nu sloeg hij ze in het rond,

alsof hij oplettendheid verzocht, zoo al niet gebood, en de klanken

gingen in wilde en hartstochtelijke tonen over, met daarbij passende

gebaren. Het kwam Eduard, die met groote belangstelling naar hem

luisterde, voor, alsof hij een aantal eigennamen noemde, de dooden

beweende, de afwezigen aansprak en aanwezigen vermaande, smeekte,

bezielde. Waverley meende zelfs zijn eigen naam daartusschen te

onderscheiden, en werd in die meening bevestigd, daar de oogen van al

de gasten, op dat oogenblik, zich te gelijk naar hem keerden. De

geestdrift van den dichter scheen zich aan de toehoorders mede te

deelen. Hunne woeste en door de zon verbrande aangezichten namen een

fiere en meer bezielde uitdrukking aan; allen hielden het hoofd naar

den zanger gericht; verscheidene sprongen op en zwaaiden hunne wapens

in geestvervoering, terwijl sommigen de hand aan het zwaard sloegen.

Toen het gezang ophield, volgde er een diepe stilte, totdat eindelijk

de opgewekte aandoeningen van den dichter en zijn hoorders

langzamerhand bedaarden, en ieder zijn kalmte herkregen had.

Fergus, die, gedurende dit tooneel, eer de bij zijn gasten door den

Bard opgewekte aandoeningen scheen bespied, dan hunne geestdrift

gedeeld te hebben, vulde een kleinen zilveren beker, die naast hem

stond, met rooden wijn.

„Breng dezen,” zeide hij tot een knecht, „aan Mac-Murrough nan fonn

(d.i. der gezangen) en wanneer hij het druivensap gedronken heeft,

verzoek hem dan ter wille van Vich Ian Vohr, de schelp te bewaren,

waarin het vervat was.” Dit geschenk werd door Mac-Murrough met innige

dankbaarheid aangenomen; hij dronk den wijn uit, en na den beker gekust

te hebben, verborg hij dien eerbiedig in den plaid, die op zijn borst

was toegevouwen. Vervolgens hief hij op nieuw een, zooals Waverley met

recht begreep, voor de vuist vervaardigd lied aan, om zijn dank aar

zijn Opperhoofd toe te brengen, en om hem te verheerlijken. Dit werd

met toejuiching ontvangen, maar had niet zooveel uitwerking als zijn

eerste gedicht. Het was echter blijkbaar, dat allen de edelmoedigheid

van hun Opperhoofd hoogelijk goedkeurden. Een aantal luide toegejuichte

Gaelsche dronken werden thans ingesteld, van welke het Opperhoofd

sommigen aldus voor zijn gast vertaalde:

„Aan hem die vriend noch vijand ooit den rug toekeert” „Aan hem die

zijn makker nooit verlaten heeft” „Aan hem die de gerechtigheid nooit

gekocht of verkocht heeft” „Gastvrijheid den ballingen, en gebroken

beenderen den tiran” „De jongens met de kilts,” [82] „Hooglanders,

schouder aan schouder,” – benevens nog een aantal vurige uitdrukkingen

van gelijken aard.

Eduard was bijzonder verlangend om den zin van dat gezang te kennen,

dat zoo zeer de hartstochten van het gezelschap scheer te doen

ontvlammen, en verborg voor zijn gastheer dezen wensch niet. „Daar ik

bemerkte,” zeide Fergus, „dat gij de flesch driemaal hebt laten

voorbijgaan, was ik op het punt u voor te stellen, om ons van hier te

begeven, om bij mijn zuster de thee te gaan gebruiken; zij is beter dan

ik in staat u zoo iets te verklaren. Ofschoon ik mijn clan niet kan

stuiten in den gewonen loop van zijn feestviering, zoo ben ik echter

niet verplicht aan zijn uitspattingen deel te nemen; ook houd ik,”

voegde hij er lachende bij, „er geen beer op na, om het verstand van

diegenen te verslinden, die het wel weten te gebruiken.”

Eduard stemde gereedelijk met dit voorstel in, en nadat het Opperhoofd

eenige woorden aan degenen die rondom hem zaten, had toegevoegd,

verliet hij met Waverley de tafel. Zoodra was de deur niet achter hem

toegedaan, of Eduard hoorde de gezondheid van Vich Ian Vohr instellen,

met een woeste en levendige vroolijkheid, waaruit het genoegen der

gasten en hun innige verknochtheid aan zijn dienst allerduidelijkst

bleek.

Waverley(#75933) · 第 47 / 156 题