HET OPPERHOOFD EN ZIJN VERBLIJF.

De vernuftige Licentiaat Francisco de Ubeda klaagt in den aanvang

zijner geschiedenis van La Picara Justina Diez, – hetwelk, in het

voorbijgaan gezegd, een van de zeldzaamste boeken der Spaansche

letterkunde is, – dat er een haar in zijne pen geraakt is, en begint

terstond daarop, met meer welsprekendheid dan gezond verstand, een

vriendelijken redetwist met dit nuttige werktuig, het verwijtende, dat

het de slagpen is van een gans – een vogel van nature lichtzinnig, daar

hij in drie elementen, water, aarde en lucht leeft, en gevolgelijk, bij

éen ding nooit standvastig is. Nu verklaar ik u bescheiden, lezer, dat

ik, wat deze zaak betreft, veel verschil van Francisco de Ubeda, en dat

ik het voor de nuttigste eigenschap van mijne pen houd, dat ze spoedig

kan overgaan van het deftige tot het vroolijke, en van beschrijving en

samenspraken tot verhaal en karakterschildering. Als dus mijne pen geen

andere eigenschap van hare moeder de gans bezit, dan hare

veranderlijkheid, zal ik er mij waarlijk wel goed bij bevinden, en

alles leidt er toe dat ook gij, mijn waarde vriend, er niet boos om

wezen zult. Van het onverstaanbaar gesnap der Hooglandsche knapen, ga

ik derhalve over tot het karakter van hun Opperhoofd. Het is een

gewichtig onderzoek, en daarom moeten wij, gelijk Dogberry [73], al ons

verstand er bij te hulp roepen.

De stamvader van Fergus Mac-Ivor had, voor omstreeks drie eeuwen,

aanspraak gemaakt om als opperhoofd erkend te worden van den talrijken

en machtigen clan, waartoe hij behoorde, en waarvan het niet noodig is,

den naam op te geven. Toen hij de neêrlaag geleden had door een

tegenstander, die meer recht, of ten minste meer macht bezat, begaf hij

zich met degenen die hem aanhingen, zuidwaarts, om, als een tweede

Æneas, nieuwe woonplaatsen te zoeken. De toestand waarin de Hooglanden

van het graafschap Perth verkeerden, begunstigde zijn ontwerp. Een der

voornaamste Baronnen van die landstreek, was onlangs ontrouw geworden

aan de kroon; Ian, zoo was de naam van onzen gelukzoeker, vereenigde

zich met hen die door den Koning waren afgezonden met den last om hem

te tuchtigen, en bewees zulke goede diensten, dat hem de landerijen

werden geschonken, waarop hij en zijn nakomelingen zich later

vestigden. Hij volgde den Koning ook, toen deze den oorlog naar de

vruchtbare gewesten van Engeland overbracht, waar hij zijn vrije uren

zoo nuttig besteedde in het heffen van onderstandsgelden bij de

landlieden van Northumberland en Durham, dat hij, bij zijn terugkeer,

in staat was een steenen toren, of sterkte, te bouwen, die zoo zeer de

bewondering zijner onderhoorigen en naburen opwekte, dat hij, die tot

hiertoe den naam had gevoerd van Ian Mac-Ivor, of Jan, de zoon van

Ivor, daarna, zoowel in gezangen als geslachtsregisters, met den

grootschen titel van Ian van Chaistel, of Jan van den Toren werd

onderscheiden. De nakomelingen van dezen waardigen man waren zoo

trotsch op hem, dat het regeerend Opperhoofd altijd den geslachtsnaam

droeg van Vich Ian Vohr, zoon van Jan den Groote en de clan in het

algemeen, om niet met dien, van welken hij zich afgescheiden had,

verward te worden, werd Sliochd nan Ivor, de stam van Ivor, genoemd.

De vader van Fergus, de tiende in de rechte lijn van Jan van den Toren,

wijdde zich met hart en ziel aan den opstand van 1715, en werd

genoodzaakt naar Frankrijk te vluchten, na den treurigen afloop van de

ten gunste der Stuarts dat jaar gewaagde onderneming. Gelukkiger dan

andere vluchtelingen, verkreeg hij een aanstelling in Fransche dienst,

en huwde eene dame van zekeren rang in dat koninkrijk, uit welk

huwelijk twee kinderen, Fergus en zijn zuster Flora, sproten. De

Schotsche goederen waren verbeurd verklaard en te koop aangeslagen,

maar werden voor geringen prijs gekocht op naam van den jongen

eigenaar, die zich toen op zijn erfgoederen kwam nederzetten [74]. Men

bemerkte weldra, dat hij iemand was van een bijzonder geslepen en

eerzuchtig karakter, dat, naarmate hij meer en meer met den toestand

des lands bekend werd, een zonderlinge mengelmoes van hoedanigheden

aanbood, alleen een zestigtal jaar geleden mogelijk.

Zoo Fergus Mac-Ivor zestig jaar vroeger geleefd had, zou hij, naar alle

waarschijnlijkheid, de beschaafde manieren en wereldkennis gemist

hebben, waardoor hij zich thans onderscheidde; en indien hij zestig

jaar later geleefd had, zouden zijn eer- en heerschzucht het voedsel

gemist hebben, dat de tegenwoordige omstandigheden opleverden. Hij was

inderdaad, binnen zijn kleinen sfeer, een even volkomen staatsman als

Castruccio Castrucani zelf. Hij legde zich met den grootsten ernst toe,

om alle veeten en twisten, die dikwijls tusschen de clans in zijn

nabuurschap ontstonden, te sussen, zoodat hij telkens door hen als

scheidsman werd ingeroepen. Zijn eigene, aartsvaderlijke macht

vermeerderde hij door vele geldelijke opofferingen, en wendde zijn

middelen inderdaad vrijgevig aan, om die ruwe, maar overdadige

gastvrijheid te onderhouden, welke de meest gewaardeerde eigenschap van

een Opperhoofd was. Om dezelfde reden bezette hij zijn landerijen met

boeren, gehard en geschikt voor den oorlog, maar die het getal ver te

boven gingen, dat de grond in staat was te voeden. Zijn voornaamste

macht bestond uit lieden van zijn eigen clan, van welke hij nooit

duldde dat iemand zijn landen verliet, als hij in de mogelijkheid was

het te beletten. Maar hij onderhield daarenboven ook een groot aantal

gelukzoekers, die een minder oorlogzuchtig, hoewel rijker Opperhoofd

verlieten, om Fergus Mac-Ivor te huldigen. Ook andere personen, die

zelfs dit voorwendsel niet hadden, werden toegelaten om hem trouw te

zweren; hetgeen inderdaad aan niemand geweigerd werd, die, zoo als

Poins [75], hunne handen tot hunne dienst hadden, en genegen waren den

naam van Mac-Ivor aan te nemen.

Het gelukte hem deze manschappen aan orde en tucht te gewennen, toen

hij het bevel verkreeg over een der onafhankelijke compagniën, door de

regeering opgericht, om de rust in de Hooglanden te bewaren. In deze

betrekking gaf hij bewijzen van kracht en moed, en handhaafde hij de

grootste orde in de onder zijne tucht gestelde landerijen. Hij liet

zijn vazallen bij beurten in zijne compagnie opnemen, en er voor

zekeren tijd bij dienen, waardoor hun allen een algemeen begrip van

krijgstucht werd ingeboezemd. In zijn veldtochten tegen de bandieten

merkte men op, dat hij zich in de hoogste mate die willekeurige macht

aanmatigde en uitoefende, welke, daar de wet en het recht geen vrijen

loop in de Hooglanden hadden, begrepen werd het recht der militaire

macht te zijn, die te hulp geroepen was om de orde te bewaren. Hij

ging, bij voorbeeld, met groote en min of meer verdachte zachtheid te

werk jegens die vrijbuiters, welke, aan zijn oproeping gevolg gaven, en

zich persoonlijk aan hem onderwierpen; terwijl hij al zulke

boosdoeners, die zijn aanmaningen of bevelen durfden versmaden, streng

vervolgde, en aan de justitie uitleverde. En aan den anderen kant, als

eenige rechterlijke ambtenaren, geregelde militaire kolonnes, of

anderen zich verstoutten, zonder zijn toestemming of medewerking,

dieven of struikroovers te vervolgen op zijn grondgebied, was het zeker

dat ze een belangrijke nederlaag zouden lijden; bij welke gelegenheden

Fergus Mac-Ivor de eerste was om hen te beklagen; en, na hen over hunne

onvoorzichtigheid vriendelijk gekapitteld te hebben, liet hij nooit na,

den wetteloozen toestand des lands luide te bejammeren. Deze klachten

zusten echter de verdenkingen niet, waaronder hij lag, en welhaast

werden de zaken in dier voege aan het Hoog Bewind voorgesteld, dat ons

Opperhoofd van zijn militair gouvernement werd ontslagen [76].

Wat hij bij deze gelegenheid ook gevoelde, hij bezat de kunst, om elken

schijn van ontevredenheid geheel te verbergen; maar weldra begon het

omliggende land de droevige gevolgen zijner afzetting te ondervinden.

Van Donald Bean Lean en de andere lieden van zijn soort, wier

rooverijen zich tot nog toe tot de omliggende streken hadden bepaald,

bleek het dat ze zich van toen af op deze ongelukkige kust hadden

nedergezet; en hunne strooperijen vonden weinig tegenstand, daar de

Laaglandsche grondbezitters voornamelijk Jacobieten en ontwapend waren,

Dit dwong een aantal inwoners, om contracten aangaande beschermgeld met

Fergus Mac-Ivor te sluiten, waardoor hij niet alleen hun Beschermheer

werd, en hij zich grooten invloed op al hunne handelingen verschafte,

maar hij daarenboven fondsen verkreeg om die ridderlijke gastvrijheid

te bestrijden, welke door het intrekken van zijn traktement anders ligt

aanmerkelijk had moeten ingekort worden.

Met zich aldus te gedragen, had Fergus een veel uitgestrekter doel, dan

alleen de groote heer in den omtrek te spelen en onbepaald over een

kleinen clan te heerschen. Van zijn kindsheid af had hij zich toegewijd

aan de zaak van het verbannen koningshuis, en zich overtuigd, niet

slechts dat de herstelling der Stuarts op den troon van Groot-Brittanje

spoedig zou plaats hebben, maar tevens dat zij, die tot dat doel zouden

hebben medegewerkt, tot eer en aanzien zouden verheven worden. Met dit

vooruitzicht deed hij het mogelijke om de Hooglanders te verzoenen, en

zijn eigene macht zóo veel mogelijk uit te breiden, ten einde bij de

eerste gelegenheid de beste dadelijk tot den opstand gereed te zijn.

Met ditzelfde oogmerk zocht hij de gunst te winnen van zoodanige

Laaglandsche heeren in de nabuurschap, die de goede zaak waren

toegedaan; en om dezelfde reden bediende hij zich, nu hij ongelukkig in

twist geraakt was met den baron van Bradwardine, die, in weerwil van

zijn zonderling karakter, zeer gezien was in den omtrek, van den

strooptocht van Donald Bean Lean, om het geschil, op de wijze door ons

beschreven, uit den weg te ruimen. Sommigen waren inderdaad van

meening, dat Fergus zelf Donald tot die onderneming had doen aansporen,

met oogmerk om den weg ter verzoening te banen, welke, indien die

veronderstelling gegrond was, den heer van Bradwardine twee goede

melkkoeien kostte. Dezen ijver voor haar zaak beloonde de familie

Stuart met veel vertrouwen in hem te stellen, met een telkens

herhaalden onderstand in Louis d’or, een overvloed van schoone woorden

en een perkament met een zwaar zegel er aan vastgehecht, hetwelk een

grafelijk patent moest verbeelden, van wege geen geringer personage,

dan Jacobus III, Koning van Engeland, en VIII Koning van Schotland, aan

zijn bijzonderen, lieven, getrouwen Fergus Mac-Ivor van Glennaquoich,

in het graafschap Perth en het koninkrijk Schotland.

Met het oog op deze toekomstige grafelijke waardigheid, nam Fergus een

zeer werkzaam deel aan de onderhandelingen en samenzweringen van dat

ongelukkig tijdstip. Even als alle ijverige deelnemers in dusdanige

zaken, stelde hij zijn geweten gemakkelijk gerust omtrent eenige

handelingen, waarvan zijn eer en trots hem zouden hebben teruggehouden,

als hij niets anders dan de onmiddellijke bevordering van zijn eigen

persoonlijk belang op het oog had gehad. Na dezen blik in een

stoutmoedig, eerzuchtig en vurig hart geworpen te hebben, zullen wij

den afgebroken draad van ons verhaal weder opvatten.

Fergus en zijn gast hadden nu het huis van Glennaquoich bereikt,

hetwelk bestond uit Ian nan Chaistel’s aloud verblijf. Het was een

groote, plompe, vierkante toren, waaraan Fergus’ grootvader een gebouw

van twee verdiepingen had gevoegd, toen hij van dien merkwaardigen

tocht in de Westersche graafschappen, wel bekend onder den naam van den

Hooglandschen oorlog, terugkeerde. Bij gelegenheid van dezen tocht

tegen de Ayrshiresche Whigs en Covenanters, was de Vich Ian Vohr van

dien tijd waarschijnlijk even voorspoedig geweest als zijn voorganger,

in het plunderen in Northumberland, en liet dus aan zijn

nakomelingschap mede een gebouw achter, dat daarmede moest wedijveren,

als een gedenkstuk van zijn grootheid.

Rondom dit verblijf, hetwelk op eene verhevenheid in een smal

Hooglandsch dal stond, bemerkte men geen spoor van gemakzucht, veel

minder van sieraad of opschik, waardoor zich gewoonlijk de omtrek van

een heerenhuis kenmerkt. Een paar perken, door steenen muren omringd,

waren het eenige gedeelte van het land, dat afgesloten was; voor het

overige leverden de smalle strooken vlakke grond, welke langs de beek

lagen, een schraal gewas op van gerst, dat gedurig aan verwoestingen

bloot stond van de kudden wilde hitten en zwart hoornvee, dat op de

naburige heuvels weidde. Deze deden onophoudelijke invallen op den

bouwgrond, en werden teruggejaagd door het luid, wanluidend en akelig

geschreeuw van een half dozijn Hooglandsche knapen, die allen, alsof ze

razend waren, rondliepen, en een half uitgehongerden hond aanhitsten,

om den oogst te beschermen. Op een kleinen afstand was een kwijnend

berkenbosch; de heuvels in den omtrek waren hoog en met heideplanten

begroeid, maar leverden slechts een eentoonig gezicht op; zoodat het

geheel eer een wild en woest, dan een grootsch en eenzaam voorkomen

had. Maar zoo als het was, zou evenwel geen ware afstammeling van Ian

nan Chaistel dit eigendom tegen Stow of Blenheim verruild hebben [77].

Vóor de poort van het kasteel deed zich echter een tooneel op, waar

misschien de eerste bezitter van Blenheim de voorkeur aan zou gegeven

hebben, boven het schoonste van den ganschen eigendom, hem door de

dankbaarheid van zijn land geschonken. Dit bestond uit ongeveer een

honderdtal volkomen goed gekleede en gewapende Hooglanders; op wier

gezicht het Opperhoofd zich min of meer kort, en, als het ware in het

voorbijgaan, jegens Waverley verontschuldigde. „Hij had vergeten,”

zeide hij, „dat hij eenige lieden van zijn clan had opgeroepen, met het

doel om zich te overtuigen, dat ze in een behoorlijken toestand waren

om het land te beschermen, en zoodanige voorvallen te voorkomen, als

hij met leedwezen hoorde, dat den baron van Bradwardine waren

overkomen. Alvorens hij hen weder uiteen liet gaan, zou kapitein

Waverley misschien niet ongenegen zijn, iets van hunne exercitiën te

zien.”

Eduard nam dit aanbod aan, en de manschappen voerden, met groote

vlugheid en nauwkeurigheid, eenige gewone bewegingen uit. Vervolgens

schoten ze, een voor een, naar de schijf, en toonden uitnemend ervaren

te wezen in het behandelen van pistool en snaphaan. Staande, zittende,

leunende of voorover liggende, al naar hun bevolen werd, en altijd: met

blijkbaar goed gevolg, gaven ze vuur. Vervolgens verdeelden ze zich, om

in het voeren van den sabel, hunne bedrevenheid aan den dag te leggen,

en na ieder afzonderlijk hunne behendigheid bewezen te hebben, vormden

ze twee partijen en leverden een soort van spiegelgevecht, waarin

aanvallen, herstellen, vluchten, vervolgen en al de bij een gevecht

vereischte manoeuvres, op den klank van den grooten doedelzak, werden

uitgevoerd.

Op een door het Opperhoofd gegeven teeken werd de schermutseling

gestaakt, waarop ze zich in kleine partijen verdeelden. Deze liepen,

worstelden, sprongen met elkander, of wierpen met een ijzeren staaf, of

oefenden zich in andere spelen; in welke deze leenheerlijke militie een

ongeloofelijke vlugheid, kracht en handigheid aan den dag legde, en het

door haar Bevelhebber beoogde doel bereikte, namelijk om Waverley geen

geringen dunk in te boezemen van hunne verdiensten als krijgslieden,

zoowel als van het vermogen van hem, door wiens wenk ze bestuurd werden

[78].

„En hoe groot is wel het getal van zulke flinke borsten, die het geluk

hebben u hun aanvoerder te noemen?” vroeg Waverley.

„Als het de verdediging van een goede zaak betreft, en ze onder een

hoofd dat ze beminnen staan, is de stam van Ivor zelden te velde

getrokken minder dan vijfhonderd zwaarden sterk. Maar gij weet,

kapitein Waverley, dat de acte ter ontwapening, voor omstreeks twintig

jaar, hen belet in zulk een volkomen staat van voorbereiding te zijn,

als in vroeger dagen; en ik houd van mijn clan niet meer onder de

wapenen, dan in staat zijn om mijn eigene bezittingen en die mijner

vrienden te beschermen, wanneer het land door zulke lieden verontrust

wordt als uw gastheer van gisteren avond; en daar het Bewind ons geen

andere middelen van bescherming heeft gelaten, moet het wel toezien,

dat wij ons zelven helpen.”

„Maar, met uwe macht zoudt gij zulke benden, als die van Donald Bean

Lean, licht verjagen of vernietigen kunnen.”

„Ja, ongetwijfeld; maar mijn belooning zou bestaan in een bevel, om aan

generaal Blakeney, te Stirling, de weinige sabels uit te leveren, die

men ons gelaten heeft; hetgeen dunkt mij, toch niet zeer staatkundig

wezen zou. – Maar, kom kapitein, het geluid der doedelzakken meldt ons,

dat het middagmaal gereed is. – Laat mij de eer hebben u den weg naar

mijn armoedige woning te wijzen.”

Waverley(#75933) · 第 45 / 156 题