Toen Eduard zijn verwarde gedachten weder verzameld had, was hij
verwonderd het hol geheel verlaten te zien. Na opgestaan te zijn, en
zijn kleederen eenigszins in orde te hebben gebracht, zag hij met meer
nauwlettendheid in ’t rond, maar alles bleef eenzaam. Behalve de nu tot
grijze asch verteerde brandstoffen, en de overblijfselen van den
maaltijd, bestaande in half verbrande en half afgeknaagde beenderen en
een ledig vaatje of wat, was er geen spoor van Donald of van zijn bende
meer over. Waverley begaf zich daarop naar den ingang van het hol, en
ontdekte dat de rotspunt, waarop de sporen van de in den voorgaanden
nacht ontstoken baak nog zichtbaar waren, toegankelijk was langs een
smal pad, dat òf door de natuur gevormd, òf ruw in de rots uitgehouwen,
langs den kleinen inham liep, welke eenige weinige ellen ver tot in het
hol doordrong, en waar, even als in een dok, het vaartuig, dat hem den
vorigen avond derwaarts gebracht had, nog lag. Toen hij het kleine,
vooruitspringende plat bereikt had, waarop men de baak had ontstoken,
zou hij het voor onmogelijk gehouden hebben te land verder te gaan,
indien het niet hoogst onwaarschijnlijk ware geweest, dat de bewoners
van het hol geen anderen uitweg zouden gehad hebben dan over het meer.
Weldra ontdekte hij dan een paar schuinsche trappen, of rotslagen, aan
het uiterste einde van het plat, en zich van deze als van een
wenteltrap bedienende, klauterde hij, om de vooruitstekende spits van
de rots waarin de opening van het hol zich bevond, en na aan de andere
zijde met eenige moeite te zijn afgedaald, bereikte hij de woeste en
steile oevers van een Hooglandsch meer, dat omstreeks vier engelsche
mijlen in de lengte en anderhalve mijl in de breedte besloeg, omringd
door heivelden en wilde gebergten, op wier toppen de morgennevel nog
rustte.
Terwijl hij een blik sloeg op de plaats, vanwaar hij gekomen was, kon
Waverley niet nalaten de slimheid te bewonderen, die zulk eene
afgezonderde en goed verborgen schuilplaats had uitgezocht. De rots,
wier vooruitstekende spits hij langs eenige weinige onmerkbare
oneffenheden, die den voet nauwelijks plaats vergunden, was
omgeklommen, scheen, wanneer hij er op terugzag, slechts eene geweldige
steilte, die allen verderen voortgang in die richting langs de oevers
van het meer verhinderde. Er bestond geene mogelijkheid, wanneer men de
breedte van het meer in aanmerking nam, den ingang van het enge en lage
hol van de andere zijde te ontdekken; indien men het ten minste niet
met booten zocht, of het geheim verraden werd, was het eene
schuilplaats, waar de bezetting zonder het geringste gevaar vertoeven
kon, zoo ze slechts van genoegzamen voorraad voorzien was. Na zijn
nieuwsgierigheid in dit opzicht bevredigd te hebben, zag Waverley naar
alle kanten uit naar Evan Dhu en diens medgezel, die hij terecht
meende, dat niet al te ver af zouden wezen, wat er ook van Donald Bean
Lean en zijn bende mocht geworden zijn, wier levenswijze hen natuurlijk
noodzaakte, plotseling van verblijf te veranderen. Inderdaad ontwaarde
hij dan ook op een halve mijl afstands een Hooglander, (waarschijnlijk
Evan), die in het meer hengelde, met een ander bij zich, dien hij aan
het wapen dat hij op den schouder droeg, voor zijn vriend met de
strijdbijl herkende.
Meer nabij den ingang van het hol hoorde hij de liefelijke toonen van
een Gaelsch lied, die hem naar een zonnige door een glinsterenden
berkenboom overschaduwde plek lokten. De grond was van vast wit zand;
het meisje uit het hol, wier gezang hem reeds bereikt had, was dáar met
alle inspanning bezig een morgen-onthaal van melk, eieren,
gerstenbrood, versche boter en honigraat gereed te zetten. Het arme
meisje had dien morgen vier mijlen in het rond geloopen om eieren, meel
tot het bakken van hare koeken en de verdere bestanddeelen van het
ontbijt op te loopen, welke lekkernijen ze vragen of leenen moest van
tamelijk verafwonende landlieden. De volgelingen van Donald Bean Lean
gebruikten weinig voedsel, behalve het vleesch der beesten, die zij uit
de Laaglanden roofden; brood zelfs was eene versnapering waaraan men
weinig dacht, omdat het moeielijk te verkrijgen was; en de huiselijke
weelde van melk, gevogelte, boter enz., bleek in deze Scytische
legerplaats onbekend te zijn. Ondertusschen mag ik niet vergeten te
melden, dat schoon Alice een gedeelte van den morgen besteed had om
haren gast deze lekkernijen te verschaffen, die het hol niet opleverde,
zij evenwel nog den noodigen tijd had weten te vinden, om zich zoo goed
mogelijk op te schikken. Haar opschik was echter zeer eenvoudig. Een
kort, bruinrood jakje, en een niet al te lange rok maakten hare geheele
kleeding uit; maar deze was zindelijk en niet smakeloos. Een stuk
scharlakenrood en geborduurd doek, omsloot hare lokken, die in een
aantal dikke, donkere krullen daaruit te voorschijn sprongen. Den
rooden plaid, die een gedeelte van hare kleeding uitmaakte, had ze
afgelegd, opdat hij haar bij het bedienen van den vreemdeling niet in
den weg zou wezen. Ik zou Alice’s prachtigst sieraad vergeten, als ik
geen melding maakte van een paar gouden oorringen en een gouden
rozekrans, die haar vader (want ze was de dochter van Donald Bean
Lean), uit Frankrijk had medegebracht, waarschijnlijk de buit na een of
anderen veldslag of bestorming.
Hare gestalte, schoon vrij kloek voor hare jaren, was goed
geëvenredigd, en hare houding had iets ongekunstelds en natuurlijk
bevalligs, zonder iets van de onnoozelheid eener gewone boerin. Haar
glimlach die eene rij uitstekend witte tanden te zien gaf, en de
vriendelijke oogen, wier stomme welsprekendheid hare onbekendheid met
de Engelsche taal te hulp kwam om Waverley den morgengroet te brengen,
zouden bij een ijdelen jongen krijgsman, die zich voor een schoon man
hield, ligt de gedachte kunnen opwekken, dat zij nog iets meer dan de
hoffelijkheid eener gastvrouw te kennen gaven. Ook waag ik het niet te
beweren, dat het meisje ieder deftig oud heer, den baron van
Bradwardine bij voorbeeld, met dezelfde lieftalligheid zou verwelkomd
hebben als waarmede ze Eduard begroette. Zij scheen zeer verlangend dat
hij zich aan het ontbijt zou zetten, hetwelk ze met zoo veel ijver had
in orde gebracht, en waarbij ze thans eenige weinige rissen boschbessen
voegde, door haar in een dichtbij gelegen moeras verzameld. Nadat ze
het genoegen had mogen smaken, hem aan de ontbijttafel te zien plaats
nemen, zette zij zich zediglijk op een steen, op eenige ellen afstands
en scheen met groot zelfbehagen op de gelegenheid te wachten, om hem te
dienen.
Evan en zijn knecht keerden thans met langzame schreden langs het
strand terug; de laatste droeg een groote zalmforel, de vangst van hun
vroegere vischpartij, benevens den hengel die haar verschalkt had;
terwijl Evan op zijn gemak, met de houding van iemand, die over zich
zelven voldaan is, en met een deftigen tred de plaats naderde, waar
Waverley zich zoo aangenaam met zijn ontbijt bezig hield. Nadat van
wederzijds de morgengroet gewisseld was, en Evan, terwijl hij een blik
op Waverley wierp, iets in het Gaelsch aan Alice gezegd had, dat haar
deed lachen, maar tevens tot over de ooren toe kleuren, ofschoon haar
gelaat door zon en weder niet weinig verbrand was, gaf Evan bevel om
den visch voor het ontbijt gereed te maken. Een vonk uit den vuursteen
van zijn pistool bezorgde een licht, en eenige doode takken waren
spoedig in brand, en even spoedig tot heete asch gemaakt, waarop de
forel in groote mooten werd gebraden. Om den maaltijd te bekroonen,
haalde Evan, uit den zak van zijn kort buis, een diepe schelp, en, van
onder de plooien van zijn plaid een ramshoorn vol brandewijn te
voorschijn. Hieruit nam hij een ruime teug, terwijl hij er de
aanmerking bijvoegde, dat hij zijn morgenslok met Donald Bean Lean,
reeds voor hun vertrek, had genomen; hij bood dezelfde hartsterking aan
Alice en Eduard, die er beide voor bedankten. Met de genadige houding
van een Lord, bood Evan thans de schelp aan Dugald Mahony, zijn
bediende, die, zonder te wachten dat hij voor de tweede maal gevraagd
werd, ze met grooten smaak leêgdronk. Nu maakte Evan zich gereed naar
de boot te gaan, en noodigde Waverley uit om hem te vergezellen.
Intusschen had Alice, al wat ze de moeite waard achtte, in een korfje
gepakt, en haar plaid omslaande, ging ze op Eduard toe, en met de
meeste eenvoudigheid, bood ze hem hare wang tot een kus aan, terwijl ze
tevens, als een blijk harer wellevendheid, een ligte neiging maakte.
Evan, die door de schoonen van het gebergte, voor een snaak gehouden
werd, trad op haar toe, als om van haar dezelfde gunst te verwerven;
maar Alice vluchtte met haar mandje op den rotsigen oever, en zich
omkeerende en lachende, riep ze hem iets in het Gaelsch toe, hetwelk
hij op denzelfden toon en in dezelfde taal beantwoordde. Vervolgens
wuifde ze Waverley met de hand haar groet toe, zette haren loop voort
en was spoedig tusschen de struiken uit het gezicht, ofschoon men nog
eenigen tijd haar liefelijken zang hoorde, terwijl ze haar eenzamen
tocht voortzette.
Zij begaven zich nu weer naar den toegang van het hol, en na in de boot
te zijn gestapt, stiet de Hooglander van wal, en terwijl hij zijn
voordeel met de morgenkoelte deed, haalde hij een lomp soort van zeil
op. Evan zette zich aan het roer, en stuurde, naar het Eduard voorkwam,
iets hooger op, dan de plaats waar ze den vorigen avond geland waren.
Terwijl ze langs den zilveren spiegel gleden, begon Evan het gesprek
met een lofrede op Alice, die, zeide hij, zoo wel verstandig als knap
in de huishouding was, en daarenboven de beste danseres in den geheelen
omtrek. Zoo ver hij hem verstond, stemde Eduard met den haar geschonken
lof in, maar kon niet nalaten haar te beklagen, dat ze tot zulk een
gevaarlijk en ellendig leven veroordeeld was.
„O! wat dat aangaat,” zeide Evan, „er is niets in het geheele
graafschap Perth, dat ze behoeft te ontberen, als ze maar aan haar
vader vraagt het te halen, als het maar niet te zwaar of te heet is om
het te dragen.”
„Maar de dochter te zijn van iemand die niets anders doet dan vee
rooven, – van een gemeenen dief!”
„Een gemeene dief? – volstrekt niet; Donald Bean Lean roofde van zijn
leven niet minder dan heele kudden tegelijk!”
„Noemt gij hem dan een ongemeenen dief?”
„Neen – hij die een koe steelt van een arme weduwe, of een geit van een
geringen boer, is een dief; maar hij, die een kudde wegdrijft van een
Sakser Laird, is een heer. En daarenboven, een boom uit het bosch te
nemen, of een zalm uit de rivier, een hert van den heuvel, of een koe
uit een Laaglandsche weide, is iets, waarover geen Hooglander zich ooit
behoeft te schamen.”
„Maar waar zou het op uitloopen, als hij bij het nemen van zoo iets
eens gevat werd?”
„Zeker zou hij „voor de wet sterven,” zoo als menige knappe kerel vóor
hem.”
„Voor de wet sterven?”
„Ja, dat wil zeggen, voor de wet, of door de wet; opgeknoopt worden aan
de vroolijke galg van Crieff, [69] waar zijn vader aan stierf, en zijn
grootvader aan stierf, en waar hij, zoo ik hoop, tijd van leven zal
hebben om zelf ook aan te sterven, zoo hij niet doodgeschoten of
neêrgesabeld wordt op een strooptocht.”
„Hoopt gij op zulk een dood voor uw vriend Evan?”
„Ja, zeker; zoudt gij dan willen dat ik wenschte, dat hij op een bundel
nat stroo in gindsch hol, als een zieke rekel stierf?”
„Maar, wat wordt er dan van Alice?”
„Waarachtig! als zoo iets kwam te gebeuren, dat haar vader haar niet
langer zou kunnen bijstaan, dan weet ik niet, wat mij beletten zou,
haar zelf te huwen.”
„Een edel besluit,” zeide Eduard; – „maar intusschen, Evan, wat heeft
uw schoonvader, wel te verstaan uw aanstaande, zoo hij het geluk heeft
om gehangen te worden, met het vee van den Baron uitgevoerd?”
„O!” antwoordde Evan, „ze sjokten reeds allen voort, uw knecht en Allan
Kennedy vooruit, eer de zon heden morgen over Ben-Lawers was opgegaan,
en ze zullen nu wel in den pas van Bally-Brough zijn, op den terugtocht
naar de weiden van Tully-Veolan, op twee na, die ongelukkig geslacht
waren, eer ik gisteren avond te Uaimh an Ri kwam.”
„En waar gaan wij heen, Evan? als ik zoo vrij mag zijn het te vragen,”
zeide Waverley.
„Waar zoudt gij anders heen gaan, dan naar het kasteel van den heer van
Glennaquoich? Gij kunt er niet aan denken in zijn land te zijn, zonder
hem te gaan bezoeken? Dat zou zooveel zijn als uw leven op het spel
zetten.”
„En zijn wij ver van Glennaquoich?”
„Een uur of wat van hier zal Vich Ian Vohr ons te gemoet komen.”
Na verloop van ongeveer een half uur bereikten zij het uiterste einde
van het meer, waar de twee Hooglanders, na Waverley aan land gezet te
hebben, de boot in een kleine kreek brachten, onder dikke biezen en
riet, waar ze geheel en al verborgen lag. De riemen brachten ze in een
anderen schuilhoek, waarschijnlijk beide ten gebruike van Donald Bean
Lean, indien zijn zaken hem binnen kort op die plaats mochten brengen.
De reizigers trokken eenigen tijd door een aangename vallei tusschen de
heuvels, langs welke een kleine beek haar weg naar het meer vond, Toen
ze hunne wandeling een poosje hadden voortgezet, vernieuwde Waverley
zijn vragen met betrekking tot hun gastheer van de grot.
„Houdt hij daar altijd zijn verblijf?”
„Wel neen! het gaat eens menschen verstand te boven, te zeggen waar hij
zich bij tijden ophoudt; er is geen hoek of grot, of hol in geheel het
land, die hij niet op zijn duim kent.”
„En zijn er nog andere dan uw meester, die hem beschermen?”
„Mijn meester? Mijn meester is in den hemel,” antwoordde Evan met
fierheid; hij voegde er echter terstond met gewone hoffelijkheid bij:
„maar gij bedoelt mijn opperhoofd; neen, hij beschermt Donald Bean
Lear, noch iemand van zijns gelijken, hij staat hem (met een glimlach)
slechts hout en water toe.”
„Geen groote gunst, dunkt mij, Evan, waar beide zoo overvloedig
schijnen te zijn.”
„Ha! ge verstaat mij niet. Als ik zeg, hout en water, meen ik de meeren
en de bergen; en ik verbeeld mij, dat Donald er leelijk aan toe zou
zijn, als de heer met een zestig man naar hem kwam kijken in gindsch
bosch van Kailychat; en onze booten, met nog een goede twintig er bij,
door mij of een ander knap man aangevoerd, het meer af naar Uaimh an Ri
kwamen afzakken.”
„Maar gesteld, dat er een sterke bende tegen hem uit het Laagland kwam
opzetten, zou uw opperhoofd hem dan niet verdedigen?”
„Neen, hij zou geen schot kruit voor hem wagen, als ze vanwege het
gerecht kwamen.”
„En wat zou Donald dan doen?”
„Hij zou genoodzaakt zijn het land te verlaten, en zich terug te
trekken, misschien wel de bergen over, naar Letter-Scriven.”
„En als hij ook dáar werd nagezet?”
„Dan wed ik, dat hij naar zijn neef te Rannoch gaan zou.”
„En als ze hem ook tot Rannoch vervolgden?”
„Dat,” zeide Evan, „laat zich volstrekt niet denken, en inderdaad, om u
de waarheid te zeggen, geen Laaglander in geheel Schotland zou de
vervolging verder durven voortzetten, dan een eindje voorbij
Bally-Brough, zoo hij niet door den Sidier Dhu werd bijgestaan.”
„Wien bedoelt gij daarmede?”
„De Sidier Dhu?” de zwarte soldaten; dat zijn, wat men de
onafhankelijke compagniën noemt, die opgericht werden om orde en rust
in de Hooglanden te bewaren. Vich Ian Vohr had het bevel over een van
deze afdeelingen, en ik zelf was er sergeant bij. Men noemt hen Sidier
Dhu, om de kleur van hunne plaids – even als men het volk van koning
George, Sidier Roy – dat wil zeggen „roode soldaten”, noemt.”
„Goed; maar zoo gij in dienst van koning George stondt, Evan, dan waart
gij zeker ook koning George’s soldaten?”
„Wel zeker! maar daar moet gij Vich Ian Vohr maar eens naar vragen;
want wij zijn voor zijn Koning, en bemoeien er ons weinig mede, wie dat
is. In allen gevalle kan niemand zeggen, dat wij thans koning George’s
mannen zijn, daar wij nu in twaalf maanden geen duit van hem gezien
hebben.”
Tegen dit laatste was niets aan te voeren, en Eduard beproefde het
zelfs niet; ook verkoos hij het gesprek op Donald Bean Lean terug te
brengen. „Bepaalt Donald zich tot vee, of neemt hij, zoo als gij het
noemt, alles wat hem voor de hand komt?”
„Zeker! hij neemt het niet zoo nauw, en rooft van alles, maar in de
eerste plaats hoornvee, paarden of levende Christenen; want met schapen
is niet vlug uit den weg te komen, en huisraad is nog al zwaar te
dragen, en men kan er in dit land niet gemakkelijk geld van maken.”
„Maar voert hij mannen en vrouwen weg?”
„Dat geloof ik! Hebt gij hem niet hooren spreken van den baljuw van
Perth? Dezen kostte het vijf honderd marken, eer hij weêr den zuidkant
van Bally-Brough bereikt had. – Maar eens had Donald een aardige grap
[70]. Er zou een bruiloft zijn van een lady Cramfeezer, op de hoogte
van de Mearns, (zij was de weduwe van den ouden Baron, en zelve niet
zoo jong meer, als ze wel geweest was) met den jongen Gilliewhackit,
die zijn erfgoed en bezittingen als een echt heer, bij hanengevechten,
harddraverijen en dergelijke had doorgelapt. Donald Bean Lean dan, die
wist hoezeer de bruidegom in trek was en geld noodig had, pakte
Gilliewhackit behendiglijk weg, op een nacht, dat hij half slapende
naar huis reed, (want hij had meer gedronken dan gegeten) en bracht hem
met behulp van zijn knapen, snel als een bliksemstraal, tusschen de
heuvels, zoodat hij eerst tot zich zelven kwam in het hol van Uaimh an
Ri. Nu had het heel wat in om den bruidegom vrij koopen; want Donald
vorderde geen duit minder dan duizend pond”
„Te drommel!”
„Wel te verstaan Schotsche ponden. En de dame had het geld niet, al had
ze haar japon ook verpand; en zij vervoegde zich bij den gouverneur van
Stirlingcastle, en bij den majoor van de Zwarte Wacht; en de gouverneur
zeide, dat de zaak verder noordwaarts behoorde, en buiten zijn district
was; en de majoor zeide, dat zijn manschappen naar huis waren gegaan om
de schapen te scheren, en dat hij hen niet terug wilde roepen, om al de
Cramfeezers in de wereld, laat staan in de Mearns, want dat dit tot
nadeel van het land zou strekken. En ondertusschen kon men niet
beletten, dat Gilliewhackit de kinderpokken kreeg. Er was geen doctor
in Perth of Stirling, die naar den armen drommel wilde zien, en ik kon
het hun niet kwalijk nemen; want Donald was te Parijs door de doctors
mishandeld, en hij had gezworen, den eersten den besten, die hij aan
deze zijde van den pas in handen zou krijgen, in het meer te zullen
werpen. Eenige oude vrouwen echter, die Donald in zijn macht had,
pasten Gilliewhackit zoo goed op, dat hij, met de frissche lucht in de
grot, en de versche wei, misschien beter genas dan hij gedaan zou
hebben in eene kamer met glasruiten en een bed met gordijnen, en gevoed
met rooden wijn en wittebrood. En Donald had er zooveel last van gehad,
dat, toen hij weêr frisch en gezond was, hij hem zelfs geheel vrij naar
huis zond, met de bijvoeging dat hij tevreden zou zijn met alles wat
men hem zou verkiezen te geven voor al de onuitstaanbare kwellingen,
die hij om Gilliewhackit had geleden. Ik kan u niet juist zeggen, hoe
de zaak afliep, maar ze waren zoo over elkander tevreden, dat Donald
genoodigd werd om in zijn Hooglandsch costuum op de bruiloft te komen
dansen, en men zegt, dat er vóor noch na dien tijd ooit meer geld in
zijn beurs heeft gerammeld. En daarenboven beloofde Gilliewhackit, dat,
zoo hij ooit het geluk had, om over Donald als lid van de jury te
zitten, en al mocht zijn schuld ook nog zoo wel bewezen zijn, hij hem
aan niets hoegenaamd zou schuldig vinden, als het maar geen
brandstichting, of moord met misbruik van vertrouwen was.”
Onder zulk een gebabbel en onsamenhangend gesnap ging Evan voort den
toestand der Hooglanden te schetsen, misschien tot grooter vermaak van
Waverley, dan van onze lezers. Eindelijk, na over berg en dal, over mos
en heide te zijn voortgestapt, begon Eduard, ofschoon met de Schotsche
onbekrompenheid in het berekenen van afstanden niet onbekend, te
begrijpen, dat Evans „uur of wat”, vrij wat meer beteekende. Hij gaf
zijn verwondering te kennen over de ruime maat, door de Schotten met
betrekking van hun grond gebezigd, in vergelijking met de gehalte van
hun geld, waarop Evan met de oude aardigheid antwoordde: „De drommel
hale hem, die de kleinste pintjes heeft!” [71]
En nu hoorde men een geweerschot en men zag een jager met zijn honden
en knecht aan het andere einde van het dal. „Stil,” zeide Dugald
Mahony, „daar is het Opperhoofd.”
„Dat is niet zoo!” zeide Evan op gebiedenden toon. „Denkt gij, dat hij
een Saksischen Duinhé-wassel zoo, zonder statie te gemoet zou komen?”
Maar toen hij een weinig nader gekomen was, bekende hij met een gevoel
van spijt: „hij is het toch waarlijk, en dat wel zonder zijn sleep; –
daar is geen levend schepsel bij hem dan Callum Beg!”
Inderdaad, Fergus Mac-Ivor was iemand van wien een Franschman, zoo van
eenigen Hooglander, had mogen zeggen: „Qu’il connait bien son monde.”
Hij dacht er niet aan, om zich in de oogen van een Engelschman van
aanzien te verheffen, door met een gevolg van leêgloopende Hooglanders
te verschijnen, wanneer de gelegenheid het niet volstrekt vereischte.
Hij wist maar al te goed, dat zulk eene noodelooze vertooning Eduard
eer belachelijk dan eerbiedwekkend zou schijnen; en terwijl weinigen
meer gehecht waren aan het denkbeeld van leenheerlijke macht, en van
het aanzien eens Opperhoofds dan hij, was hij om diezelfde reden
schroomvallig om met uitwendige teekens van waardigheid te schitteren,
anders dan op tijden en plaatsen, waarop ze een machtigen indruk
moesten maken. Schoon hij derhalve, indien hij een medeopperhoofd had
moeten ontvangen, waarschijnlijk gevolgd zou zijn geworden door dien
geheelen stoet, door Evan met zoo veel zalving beschreven, oordeelde
hij het betamelijker, Waverley te gemoet te gaan met een enkelen
bediende, een zeer welgemaakten Hooglandschen knaap, die zijns meesters
weitasch en sabel droeg, zonder welke hij zelden een voet buiten ’s
huis zette.
Toen Fergus en Waverley elkander ontmoetten, was deze getroffen door de
bijzondere, bevalligheid en waardigheid van des hoofdmans verschijning.
Van meer dan middelmatige lengte, en schoon gebouwd, stelde de
Hooglandsche kleeding, die hij op de eenvoudigste wijze droeg, zijn
persoon in het gunstigste licht. Hij droeg de trews of nauwe zwarte
overbroek, met roode en witte ruiten; voor het overige was zijn
kleeding volkomen gelijk aan die van Evan, uitgenomen dat hij geen
wapen voerde, behalve een zeer rijk met zilver versierden dolk. Zijn
page droeg, zoo als we gezegd hebben, zijn sabel; en het geweer, dat
Fergus in de hand hield, scheen enkel voor de jacht bestemd. Hij had
onder weg eenige jonge eendvogels geschoten; daar, schoon de „verboden”
tijd toen onbekend was, het broedsel der korhoenders nog te jong voor
den jager was. De trekken van zijn gelaat waren bepaald Schotsch, met
al de eigenaardigheden der physionomie van het Noorden; zij bezaten
echter zoo weinig van de daarmede verbonden hardheid en overdrevenheid,
dat men ze in elk land schoon zou genoemd hebben. Het krijgshaftig
aanzien van de muts, met een enkele adelaarsveder [72] als
onderscheidingsteeken versierd, vermeerderde niet weinig het
manhaftige, waardoor zijn hoofd zich kenmerkte, dat bovendien met een
veel natuurlijker en bevalliger bos zwarte krullen bedekt was, dan ooit
bij een mode-kapper te koop werd aangeboden.
Iets ronds en vriendelijks vermeerderde den gunstigen en treffenden
indruk van dit bevallig uiterlijk. Nogtans zou een ervaren gelaatkenner
minder tevreden zijn geweest, op het tweede dan op het eerste gezicht.
De wenkbrauw en de bovenlip kondigden aan, dat hij gewoon was onbeperkt
te heerschen en onbetwiste meerderheid op anderen uit te oefenen. Zelfs
zijn beleefdheid, schoon open, vrij en onbedwongen, scheen aan te
duiden, dat hij zijn persoonlijk overwicht gevoelde; en als men hem
tegenstond, of hem het een of ander toevallig ontroerde, verried een
plotselinge, schoon spoedig voorbijgaande blik van het oog, een
driftig, trotsch en wraakzuchtig karakter, hetwelk niet minder te
duchten was, al werd het ook meestal in bedwang gehouden. In éen woord,
het gelaat van het Opperhoofd geleek op een lachenden zomerdag, waarop
wij niet te min, aan zekere, ofschoon nauwelijks merkbare teekens,
bespeuren dat het vóor het vallen van den nacht ligt donderen of
bliksemen zal.
Het was echter niet bij hunne eerste ontmoeting, dat Eduard gelegenheid
had deze minder gunstige waarneming te doen. Het Opperhoofd ontving hem
als een vriend van den baron van Bradwardine, met de warmste betuiging
van vriendschap en verplichting voor zijn bezoek. Hij verweet hem, op
beleefde wijze, dat hij den vorigen nacht zulk een slecht verblijf
gekozen had, en trad in een levendig gesprek met hem over Donald Bean’s
huishouding, maar zonder de minste zinspeling op zijn rooversleven, of
de onmiddellijke aanleiding tot Waverley’s bezoek; een onderwerp, dat,
daar het opperhoofd niet verkoos het op het tapijt te brengen, ook door
onzen held ontweken werd. Terwijl ze vroolijk naar het huis van
Glennaquoich voortwandelden, volgde Evan, die zich thans eerbiedig naar
de achterhoede begeven had, hem met Callum Beg en Dugald Mahony.
Wij zullen de gelegenheid waarnemen, om den lezer met eenige
bijzonderheden van Fergus Mac-Ivor’s karakter en geschiedenis bekend te
maken, die Waverley eerst later vernam, na eene kennismaking, welke,
ofschoon door zulk een toeval ontstaan, gedurende een geruimen tijd den
belangrijksten invloed had op zijn karakter, daden en vooruitzichten.
Maar, daar dit een gewichtig onderwerp is, moeten we daarmede een nieuw
hoofdstuk beginnen.