HET VERBLIJF VAN EEN HOOGLANDSCHEN ROOVER.

Het diepe stilzwijgen dat in de boot heerschte, werd slechts gestoord,

door het eentoonig en murmelend geneurie van een Gaelsch lied, bij

wijze van recitatief gezongen door den man, die aan het roer zat, en

begeleid door den slag der riemen, welke op de maat het water schenen

te doorklieven. Het licht dat ze nu meer en meer naderden, deed zich

grooter, gloeiender en vaster voor. Het bleek duidelijk dat het een

groot vuur was; maar of het op een eiland of op het vaste land was

ontstoken, kon Eduard niet onderscheiden. Zoo als hij het zag, scheen

de gloeiende, schitterende kring op de oppervlakte zelve van het meer

te rusten, en geleek op het voertuig van vuur, waarin de Booze Geest in

een Oostersche vertelling, land en zee doorkruist. Zij naderden het hoe

lang zoo meer, en het licht van het vuur was nu voldoende om te doen

zien, dat het brandde aan den voet van eene groote, donkerkleurige

rots, die zich op den rand van het water loodrecht verhief. De

voorzijde dezer rots, door den weerschijn in donkerrood veranderd,

leverde een vreemde en zelfs schrikverwekkende tegenstelling op met de

omliggende, hooge, klipachtige oevers, die, van tijd tot tijd, flauw en

bij gedeelten, door de bleeke maan werden verlicht.

De boot naderde nu tot dicht aan den wal, en Eduard kon zien dat dit

groote vuur, ruimschoots gevoed door pijnboomtakken, (door twee

gedaanten, die, in den rooden weerschijn dat het verspreidde, er als

duivels uitzagen), aan den ingang van een ruim hol lag, waarin een

kleine inham van het meer scheen binnen te dringen; en hij giste, zoo

als inderdaad waarheid was, dat dit vuur als baak was ontstoken om den

lieden in de boot, op hun terugtocht den weg te wijzen. Ze roeiden

recht tot aan den mond van de grot, en terwijl ze de riemen inhaalden,

lieten ze de boot met eene door hen berekende vaart, naar binnen

schieten. Het vaartuig liep de punt, of het kleine plat der rots,

waarop het vuur brandde, voorbij, en na nog omtrent twee bootslengten

verder te zijn voortgeschoten, hielden ze stil, waar het hol, (want het

was hier van boven reeds overwelfd) uit het water opsteeg, langs vijf

of zes breede rotslagen, zoo effen en regelmatig gevormd, dat men ze

voor natuurlijke trappen had kunnen houden. Op dit oogenblik werd

eensklaps een groote hoeveelheid water op het vuur geworpen, dat met

een sissend geraas uitdoofde; en daarmede verdween het licht, dat het

tot hiertoe verspreid had. Vier of vijf sterke armen ligtten Waverley

uit de boot, zetten hem op zijn voeten neêr en droegen hem bijna naar

het binnenste van het hol. Op deze wijze deed hij eenige weinige

schreden, in het duister; hij hoorde het verwarde geluid van een aantal

menschenstemmen, die uit het midden der rots schenen voort te komen,

en, na een scherpen hoek van dit onderaardsche verblijf te zijn

omgeslagen, stond Donald Bean Lean en zijn geheele huishouding voor

hem.

Het binnenste van het hol, dat hier zeer hoog was, werd verlicht door

toortsen van pijnboomtakken, die een helder en flikkerend licht

verspreidden, en wier geur, hoewel sterk, niet onaangenaam was. Aan dit

licht paarde zich de roode gloed van een groot houtskolen-vuur, waar

omheen vijf of zes gewapende Hooglanders gezeten waren, terwijl

anderen, door elkaâr op hun plaids in de meer afgelegen hoeken van het

hol lagen te slapen. In een ruime holte van de rots, door den roover

schertsende zijn provisiekamer genoemd, hingen bij de hielen de rompen

van een schaap en twee koeien, kortelings geslacht. De hoofdbewoner van

dit zeldzaam verblijf, door Evan Dhu vergezeld, die hem tot

ceremoniemeester diende, trad zijn gast te gemoet. Zijn voorkomen en

zijn manieren verschilden niet weinig van hetgeen Eduard zich in zijne

verbeelding had voorgesteld. Het bedrijf dat hij uitoefende, de

wildernis waarin hij leefde, de woeste en oorlogzuchtige gestalten die

hem omringden, waren allen wel geschikt om schrik in te boezemen.

Daarom verwachtte Waverley ook eene stugge, reusachtige, woeste

gedaante te zullen ontmoeten, zoo als Salvator Rosa zou uitgekozen

hebben om tot hoofdpersoon voor een zijner bandietenbenden te dienen.

[66]

Donald Bean Lean was juist het tegenovergestelde van dit alles. Hij was

schraal van persoon en klein van gestalte, met licht, zandkleurig haar

en een bleek gezicht, waardoor hij den bijnaam van Bean, of wit had

verkregen; en schoon hij ligt van gestalte, goed gebouwd en vlug was,

had hij, over het geheel, een min of meer nietig een onbeduidend

voorkomen. Hij had langen tijd in een of anderen minderen rang bij het

Fransche leger gediend; en om zijn Engelschen bezoeker op een deftige

wijze te ontvangen, en hem op zijne wijze, naar hij meende, een

kompliment te maken, had hij voor deze gelegenheid de Hooglandsche

kleeding afgelegd, om een oude blauwe en roode uniform aan te trekken

en een hoed met veeren op te zetten, een opschik die hem niet bijzonder

goed stond, daar hij inderdaad zulk een vreemd voorkomen had, in

vergelijking met al wat hem omringde, dat Waverley lust zou gehad

hebben om te lachen, indien lachen beleefd of, uit een oogpunt van

veiligheid raadzaam geweest ware. De roover ontving kapitein Waverley

met overdreven Fransche beleefdheid en Schotsche gastvrijheid, en

scheen zijn naam en betrekkingen volmaakt goed te kennen, alsmede de

staatkundige beginselen van zijn oom. Aan dezen zwaaide hij grooten lof

toe, waarop Waverley het voorzichtig oordeelde in zeer algemeene

bewoordingen te antwoorden.

Na op een behoorlijken afstand van het houtskolen-vuur geplaatst te

zijn, welks hitte door het saizoen drukkend werd, zette een groot

Hooglandsch meisje voor Waverley, Evan en Donald Bean drie bakken of

houten tobbetjes, uit duigen en hoepels saamgesteld, met eunaruich

[67], een soort van krachtige soep uit een bijzonder gedeelte van de

ingewanden van een os gereed gemaakt. Na deze verkwikking, die, hoewel

niet zeer fijn, door vermoeienis en honger smakelijk gemaakt werd,

werden osselappen, op een kolenvuur gebraden, in ruimen overvloed

opgezet, die bij Evan Dhu en hun gastheer verdwenen met een vlugheid,

welke naar tooverij zweemde en Waverley verbaasd deed staan, daar hij

niet weinig verlegen was, hoe hunne vraatzucht te rijmen met hetgeen

hij van de matigheid der Hooglanders gehoord had. Hij wist niet dat

deze matigheid bij de lagere klassen geheel gedwongen was, en dat zij,

die ze beoefenden, even als sommige roofdieren, met het vermogen

begaafd waren, om zich behoorlijk schadeloos te stellen, wanneer de

gelegenheid bestond om in overvloed te brassen. Opdat er niets aan het

feest zou ontbreken, werd de brandewijn op kwistige wijze rondgediend.

De Hooglanders dronken dien in groote hoeveelheid en onvermengd; maar

Eduard, die hem een weinig met water had aangelengd, vond dien niet

smakelijk genoeg om de proef nog eens te wagen. De gastheer betuigde

zijn leedwezen, dat hij hem geen wijn kon voorzetten: „Had hij het maar

vier-en-twintig uren te voren geweten, hij zou er voor gezorgd hebben,

al had hij dien ook veertig mijlen ver moeten zoeken. Maar wat kon

iemand meer doen, om zijn erkentelijkheid voor de eer eens bezoeks te

toonen, dan het beste aan te bieden, dat zijn huis opleverde. Waar geen

boomen zijn kunnen geen noten groeien, en men moet zich naar hen

schikken, met wie men leeft.”

Hij wendde zich vervolgens tot Evan Dhu, en jammerde zeer over den dood

van een bejaard man, Donnacha an Amrigh, of Duncan met de Kap, „een

begaafd ziener, die, door middel van het tweede gezicht, terstond kon

voorzeggen, of een vriend of vijand op weg was, om hun een bezoek te

brengen.”

„Is zijn zoon Malcolm geen taishatr?” [68] vroeg Evan.

„Hij haalt niet bij zijn vader,” hernam Donald Bean. „Hij voorspelde

ons onlangs, dat een groot heer te paard ons zou komen bezoeken, en er

kwam den ganschen dag niemand opdagen dan Shemus Beg, de blinde

harpspeler, met zijn hond. Op een anderen keer kondigde hij ons eene

bruiloft aan, en zie, het liep op een begrafenis uit; en op een

strooptocht, toen hij ons voorzeide, dat wij honderd stuks vee zouden

te huis brengen, vingen wij niets dan een vetten baljuw uit Perth.”

Het gesprek liep vervolgens over den staat- en krijgskundigen toestand

des lands; en Waverley stond verbaasd, en was zelfs verontrust, dat

iemand van dezen stempel zoo nauwkeurig bekend scheen met de sterkte

der onderscheidene garnizoenen en regimenten, die ten noorden van den

Tay lagen. Hij gaf zelfs het juiste getal rekruten op, die Waverley van

zijns ooms goederen gevolgd waren, en maakte de aanmerking, dat het

schoone mannen waren, waarmede hij geen mooie, maar stoute, wakkere

knapen bedoelde.

Hij herinnerde Waverley een of twee kleine voorvallen, die plaats

hadden gehad bij een revue van het regiment, waardoor hij overtuigd

werd, dat de roover er een ooggetuige van was geweest; en nu Evan Dhu

zich aan het gesprek onttrokken en in zijn plaid gewikkeld had, om wat

rust te nemen, vroeg Donald aan Eduard op een veel beteekenende wijze,

of hij hem niets bijzonders te zeggen had?

Een dergelijke vraag, door zulk een man gedaan, verraste Waverley, en

deed hem eenigzins ontstellen. Hij antwoordde, dat hij geen andere

drijfveer had gehad, met hem te bezoeken, dan nieuwsgierigheid om zulk

een ongewoon verblijf te zien. Donald Bean Lean zag hem een oogenblik

strak in het gelaat, en zeide toen, met een veelbeteekenden knik: „Gij

kondt u ook zeer wel aan mij toevertrouwen, en ik ben even goed te

vertrouwen, als de baron Bradwardine of Vich Ian Vohr; maar gij zijt

daarom niet minder welkom in mijn huis.”

Waverley voelde dat hem een onwillekeurige rilling over het lijf liep,

bij de geheimzinnige taal door dezen buiten de wet gestelden en

roekeloozen bandiet gevoerd; welke aandoening hem, in weerwil van zijn

poging om ze te onderdrukken, het vermogen benam, om te vragen wat

Donald hiermede bedoelde. Een bed van heideplanten, met de bloemen naar

boven gekeerd, was voor hem in een hoek van het hol gereed gemaakt, en

hier, bedekt met zoo vele overschietende plaids, als er maar te krijgen

waren, lag hij eenigen tijd de bewegingen gade te slaan der overige

bewoners van het hol. Kleine partijen van twee of drie kwamen binnen,

of verlieten de plaats, zonder andere plichtplegingen, dan eenige

weinige woorden in het Gaelsch tot den aanvoerder der bende, en nadat

deze in slaap was gevallen, tot een langen Hooglander, die als zijn

plaatsvervanger handelde, en de wacht scheen te houden zoolang de

andere rustte. De binnentredenden schenen van een tocht terug gekomen

te zijn, van welks uitslag zij bericht gaven, en gingen rechtstreeks

naar de provisiekamer; en nadat aldaar een ieder met zijn dolk een lap

vleesch van de opgehangen rompen gesneden had, zetten zij zich neder om

die op hun gemak te braden en te eten. De drank stond onder strenger

toezicht, en werd, hetzij door Donald zelven, zijn luitenant of het

genoemde lange Hooglandsche meisje, dat het eenige vrouwelijke wezen

was, hetwelk men er aantrof, toegediend. De toegestane hoeveelheid

brandewijn zou echter overdadig hebben toegeschenen aan ieder, behalve

een Hooglander, die geheel in de open lucht en in een zeer vochtig

klimaat levende, in staat is om eene groote hoeveelheid sterken drank

te gebruiken, zonder de gewone schadelijke uitwerkselen op zijn

hersenen of zijn gestel te ondervinden.

Ten laatste begonnen de golvende groepen achtereenvolgens voor de zich

langzaam sluitende oogen van onzen held te schemeren. Ook opende hij ze

niet weer, voor dat de morgenzon, daarbuiten, hoog boven het meer

stond, ofschoon er maar een flauw schemerlicht doordrong in de

schuilhoeken van Uaimh an Ri, of het Koningshol, zooals het verblijf

van Donald Bean Lean niet zonder eenigen trots, genoemd werd.

Waverley(#75933) · 第 41 / 156 题