ER DAAGT EEN ONVERWACHTE BONDGENOOT OP.

De Baron keerde tegen etenstijd terug, en had zijn bedaardheid en

vroolijkheid bijna geheel en al terug gekregen. Hij bevestigde niet

alleen al de verhalen, die Eduard van Rose en Mackwheeble gehoord had,

maar voegde er uit zijn eigene ondervinding nog een aantal anecdoten

bij, betreffende den staat der Hooglanden en hunne bewoners. Hij

verklaarde, dat in het algemeen de hoofden allerfatsoenlijkste lieden

van hooge afkomst waren, wier woord door elk die tot hun stam of clan

behoorde, als een wet werd beschouwd. „Het betaamde hun volstrekt

niet,” zeide hij, „zoo als de voorbeelden er van nog versch in het

geheugen waren, hunne prosapia of afkomst, welke voor het grootste

gedeelte op de ijdele en dwaze balladen hunner Seannachies of barden

berustte, op een en dezelfde lijn te stellen met de sprekende bewijzen

van oude charters en koninklijke gunsten in den ouden tijd, aan

aanzienlijke huizen in het Laagland door verschillende Schotsche

koningen verleend; maar hunne outrecuidance en hunne aanmatiging was

zoo groot, dat ze uit de hoogte nederzagen op dezulken, welke in het

bezit waren van dergelijke bewijzen, alsof ze hunne landerijen in een

stuk schapenvel konden inpakken [55].”

Dit verklaarde, in het voorbijgaan, vrij wel de oorzaak van den twist

tusschen den Baron en zijn Hooglandschen gealliëerde. Maar hij ging

voort met zoo vele opmerkelijke bijzonderheden omtrent de manieren,

gewoonten en eigenaardigheden van dezen aartsvaderlijken volksstam mede

te deelen, dat Eduard, wiens nieuwsgierigheid in de hoogste mate werd

opgewekt, vroeg of het niet mogelijk was, zonder gevaar een uitstapje

in de naburige Hooglanden te doen, welker donkere, bergachtige

grenslijn reeds den wensch bij hem had doen geboren worden om die te

overschrijden. De Baron verzekerde zijn gast, dat niets gemakkelijker

wezen zou, mits deze twist maar eerst bijgelegd was, daar hij zelf hem

brieven kon medegeven aan verscheidene aanzienlijke hoofden, die hem

met de grootst mogelijke hoffelijkheid en gastvrijheid zouden

ontvangen.

Terwijl ze hierover met elkander spraken, werd de deur eensklaps

geopend, en leidde Saunders Saunderson een van top tot teen gewapenden

Hooglander het vertrek binnen. Ware het niet geweest, dat Saunders de

rol van ceremoniemeester bij deze krijgshaftige verschijning vervuld

had, zonder in het minst iets van zijn gewone deftigheid te verliezen,

en dat noch de heer Bradwardine noch Rose eenige ontroering te kennen

gaven, dan zou Eduard zeker in den waan hebben verkeerd dat een

vijandelijke inval plaats greep. Hoe het zij, hij ontstelde nu hij voor

het eerst een bergbewoner in zijn volle nationale costuum aanschouwde.

Deze Schot was een jong mensch van niet zeer groote gestalte, die met

zijn donker gelaat er vrij sterk uitzag, terwijl de ruime plooien van

zijn plaid niet weinig zijn krachtig voorkomen verhoogden. De korte

kilt, of rok, liet zijn gespierde en welgevormde beenen ter helft

ontbloot; de geitenvellen tas, aan weerszijden met de gewone wapens,

dolk en met staal ingelegd pistool versierd, hingen voor hem; op zijn

muts stak een korte veder, hetgeen zijn recht te kennen gaf, om als een

„Duinhé-wassel” of soort van edelman behandeld te worden; een breed

zwaard slingerde langs zijn lendenen; een schild was op zijn schouder

vastgehecht, en hij droeg een lang Spaansch jachtroer in de eene hand.

Met de andere nam hij zijn muts af; en de baron, die de gewoonte en de

bijzondere wijze om de Hooglanders aan te spreken zeer goed kende,

sprak hem onmiddellijk aan met een houding vol waardigheid, maar zonder

van zijn zitplaats op te staan, en zoo als Eduard het er voor hield, op

de wijze van een vorst die een afgezant ontvangt: „Welkom, Evan Dhu

Maccombich; welk nieuws brengt ge mij van Fergus Mac-Ivor Vich Ian

Vohr?”

„Fergus Mac-Ivor Vich Ian Vohr,” zeide de afgezant, in goed Engelsch,

„laat u, Baron van Bradwardine en Tully-Veolan, groeten. Het spijt hem

geweldig, dat zich een zware wolk tusschen u en hem heeft geplaatst,

welke u belet heeft de vriendschap en het bondgenootschap te zien en

ter harte te nemen, die er tusschen uwe huizen en aanhoorigheden van

ouds bestaan hebben. Hij bidt dat de wolk moge wegdrijven, en dat de

betrekkingen weer mogen aangeknoopt worden, gelijk ze te voren waren

tusschen den clan van Ivor en het huis van Bradwardine, toen er een ei

tusschen hen was, in plaats van een vuursteen, en een broodmes in

plaats van een zwaard. En hij hoopt dat gij insgelijks zulk zeggen, dat

u de wolk hindert, en dat niemand na dezen vragen zal of zij van den

heuvel naar het dal afzakte, dan wel van het dal naar den heuvel

opsteeg; want zij die nooit gedreigd hebben met de schede, hebben nooit

slagen ontvangen met het zwaard, en wee hem die zijn vriend zou willen

verliezen om de stormachtige wolk van een lentemorgen.”

Hierop gaf de baron van Bradwardine met gepaste waardigheid ten

antwoord, dat hij het hoofd van den clan Ivor als een vriend van den

koning kende, en dat het hem leed deed, dat er een wolk tusschen hem en

een Heer van zulke deugdzame grondbeginselen was opgekomen; „want,”

voegde hij er bij, „als de menschen zich onderling vereenigen, is hij

wel zwak die geen broeder heeft.”

Daar dit zeer voldoende scheen, liet de Baron om den vrede tusschen

deze twee doorluchtige personen plechtstatig te bevestigen, een flesch

brandewijn binnen brengen, en na daarvan een glas gevuld te hebben,

ledigde hij het op de gezondheid van Mac-Ivor van Glennaquoich; waarop

de Keltische afgezant, om deze beleefdheid te beantwoorden, een

geweldige teug van hetzelfde edele vocht naar binnen sloeg, gekruid met

zijn goede wenschen voor het huis van Bradwardine.

Nadat op deze wijze de praeliménairen van het algemeene vredesverdrag

vastgesteld waren, vertrok de ambassadeur, om met den heer Mackwheeble

eenige ondergeschikte punten te regelen, waarmede men het niet noodig

achtte den Baron lastig te vallen. Waarschijnlijk hadden deze

betrekking op het uitblijven der subsidie, en denkelijk vond de

rentmeester middelen, om hun bondgenoot te voldoen, zonder dat zijn

meester beducht behoefde te wezen, dat zijn waardigheid in gevaar zou

worden gebracht. Het is ten minste zeker, dat, nadat de

plenipotentiarissen al gaandeweg een flesch brandewijn hadden geledigd,

hetwelk op zulke daaraan gewoon geworden hoofden niet meer uitwerking

had, dan of het geestrijke vocht was uitgegoten over de twee beeren,

die aan den ingang der oprijlaan stonden. Evan Dhu Maccombich, die zich

alle inlichtingen die er maar te verkrijgen waren, betrekkelijk den

roof den vorigen nacht gepleegd, had laten geven, zijn voornemen te

kennen gaf, om onmiddellijk het vee te gaan nazetten en opsporen,

hetwelk, volgens zijn verzekering, „nog niet ver af was.” „Zij hebben

het been gebroken,” voegde hij er bij, „maar geen tijd gehad om er het

merg uit te zuigen.”

Onze held, die Evan Dhu zijn onderzoek in het werk hoorde stellen, was

niet weinig getroffen door de schranderheid, welke hij aan den dag

legde in het opzamelen van berichten, en de juiste gevolgtrekkingen,

die hij daar uit wist te trekken. Evan Dhu, van zijn zijde, was

blijkbaar gestreeld door de oplettendheid van Waverley, en het belang

dat hij in zijn nasporingen scheen te stellen, alsmede door de

weetgierigheid, die hij met betrekking tot de gewoonten en zeden der

Hooglanders aan den dag legde. Zonder veel complimenten noodigde hij

Eduard uit, om hem op een korte wandeling van tien of vijftien mijlen

in het gebergte te vergezellen, en de plek te gaan zien, waarheen het

vee was gebracht; terwijl hij er bijvoegde, „indien het zoo is als ik

veronderstel, dan hebt gij nooit in uw leven zulk een plaats gezien,

noch zult gij ze ooit zien, tenzij gij met mij of iemand der onzen

gaat.”

Onze held, wiens nieuwsgierigheid sterk geprikkeld was door het

denkbeeld om het hol van een Hooglandschen Cacus te bezoeken, verzuimde

echter niet zich te vergewissen of zijn gids te vertrouwen was. De

Baron verzekerde hem, dat de uitnoodiging zeker niet zou gedaan zijn,

indien er het minste gevaar te duchten ware, en dat hij niets anders

dan een weinig vermoeienis te vreezen had. En daar Evan hem voorstelde

om, bij hunne terugkomst, een dag ten huize van zijn opperhoofd door te

brengen, waar hij verzekerd kon zijn van behoorlijk verzorgd en bij

uitstek welkom te wezen, scheen er niets zeer verschrikkelijks in de

onderneming te zijn. Wel is waar verbleekte Rose toen zij er van hoorde

spreken; maar haar vader, die de moedige weetgierigheid van zijn jongen

vriend toejuichte, deed geen poging om die te matigen, door een ophef

van gevaar, dat inderdaad niet bestond; en nadat er een reiszak met

eenige weinige benoodigdheden op de schouders van een soort van jager

gebonden was, ving onze held zijn tocht aan met een jachtgeweer in de

hand, vergezeld door zijn nieuwen vriend Evan Dhu, en gevolgd door

genoemden jager en twee Hooglanders, het gevolg van Evan; een hunner

droeg op zijn schouder een bijl met een langen steel, een Lochaber bijl

[56] genoemd, terwijl de ander een lang ganzenroer met zich voerde.

Evan gaf Eduard op zijn vraag te kennen, dat dit krijgshaftig gevolg in

geenen deele voor zijn veiligheid vereischt werd, maar alleen, zoo als

hij zeide, terwijl hij zijn plaid met zekere deftigheid ophaalde en

schikte, om welvoegelijk en gelijk het Vich Ian Vohr’s zoogbroeder

betaamde, op Tully-Veolan te verschijnen. „Ha!” voegde hij er bij, „gij

zijt zelf een Saksischen duinhé-wassel (een Engelsch edelman), en

gaarne zou ik hebben dat gij het opperhoofd, met zijn sleep aan,

zaagt.”

„Met zijn sleep aan?” herhaalde Eduard op een toon van verwondering.

„Ja – dat is met al zijn gevolg, wanneer hij zijns gelijken bezoekt,

als daar zijn, voer hij voort, terwijl hij stil bleef staan en zich

trotsch verhief, en op de vingers de verschillende officieren van zijns

chefs hofhouding optelde; „de hanchman of de man die zijn rechterhand

is [57]. zijn bard of dichter [58], zijn bladier [59] of redenaar, om

aanspraken te doen aan de groote lieden die hij bezoekt; zijn

gilly-more [60] of wapendrager, om zijn zwaard en schild en geweer te

dragen; zijn gilly-casfliuch, die hem op zijn rug door de moerassen en

beken draagt; zijn gilly-comstraine om zijn paard bij den toom te

leiden langs steile en moeielijke wegen, zijn gilly-trusharnish, om

zijn reiszak te dragen: en de pijper [61] en de pijpersknecht, en

misschien nog een dozijn jongelieden, die niets te doen hebben dan den

degenriem te dragen, den laird te volgen en de bevelen van hun meester

ten uitvoer te brengen.

„En onderhoudt uw opperhoofd al deze lieden geregeld!” vroeg Waverley.

„Al deze,” hernam Evan, „en nog menigen knappen kerel daarenboven, die

niet zou weten waar zich te bergen, zonder de groote schuren op

Glennaquoich.”

Met dergelijke verhalen van het aanzien van zijn opperhoofd, zoowel in

den oorlog als in vredestijd, verkortte Evan Dhu den weg voor Eduard,

tot zij meer en meer die trotsche bergen naderden, welke hij tot hier

toe slechts op een afstand had gezien. Het was tegen den avond, toen

zij een dier schrikverwekkende bergpassen betraden, waardoor de

gemeenschap tusschen het hooge en lage land onderhouden wordt. Het pad,

dat geweldig steil en ruw was, slingerde tusschen twee ontzettende

rotsen, en volgde den weg die een schuimende stroom, welke ver in de

diepte bruischte, gedurende den loop der eeuwen zich scheen gebaand te

hebben. Eenige flauwe stralen der zon, die juist onderging, beschenen

het water in zijn donkere bedding, en maakten het ten deele zichtbaar,

verontrust door een honderdtal rotsen, en talrijke watervallen. Het pad

liep naar den stroom toe langs een zeer steile helling, en hier en daar

zag men een uitstekend stuk graniet of een schrale boom, die zijn

uiteengespreide wortelen in de scheuren van de rots had vastgehecht.

Aan de rechterhand verhief de berg zich boven het pad, bijna

ongenaakbaar; maar aan den overkant was de steile helling met dicht

ineen gewassen kreupelhout begroeid, waartusschen hier en daar een

enkele pijnboom opschoot.

„Dit,” zeide Evan, „is de pas van Bally-Brough, die in den ouden tijd

door tien man van den clan Donnochie tegen een honderdtal Laaglandsche

kerels verdedigd werd. De graven der verslagenen zijn nog in dien

kleinen kloof aan de overzijde van de beek te zien, – zoo uwe oogen

goed zijn, zult gij de groene plekken tusschen de heideplanten kunnen

onderscheiden. – Zie, daar is een bruine arend – zulke vogels hebt gij

in Engeland niet – hij gaat zijn avondeten van des Barons van

Bradwardine’s landen halen, maar ik zal hem een kogel nazenden.”

Dit zeggende brandde hij zijn roer los, maar zonder den trotschen

monarch der gevederde stammen te raken, die, zich in het minst niet

bekommerende over de mislukte poging om hem te dooden, zijn majestueuze

vlucht zuidwaarts voortzette. Duizende roofvogels, haviken, wouwen,

gieren en raven, uit hunne nachtrust in hunne schuilplaatsen

opgeschrikt, vlogen bij het knallen van het schot op, en mengden hunne

schorre en wanluidende stemmen met de echo’s, waardoor ze werden

teruggekaatst en met het bulderen der naar beneden schietende

bergstroomen. Evan, een weinig verlegen, omdat hij mis geschoten had,

terwijl hij juist een bijzondere bekwaamheid aan den dag wilde leggen,

verborg zijn verlegenheid onder het fluiten van een pibroch [62],

laadde andermaal zijn geweer, en sloeg verder den bergpas zwijgend in.

Deze leidde tot een nauw dal, tusschen twee zeer hooge en met

heestergewas begroeide bergen. Zij volgden de beek die altijd langs het

pad slingerde, en staken die nu en dan over, bij welke gelegenheden

Evan Dhu bestendig de dienst van zijn gevolg aanbood, om er Eduard over

te dragen. Maar onze held, die altijd een vrij goed voetganger was

geweest, wees die hulp telkens van de hand, en won blijkbaar in de

achting van zijn gids, door te toonen dat hij niet bang was voor natte

voeten. Hij wenschte inderdaad, zoo veel hij zonder pochen kon, Evan

van het denkbeeld af te brengen dat hij van de verwijfdheid der

Laaglanders en bijzonder van de Engelschen, scheen te koesteren.

Door de opening van dit dal bereikten ze een zwart moeras van

verbazende uitgestrektheid, vol groote kuilen, die ze met vrij wat

moeite en niet zonder gevaar overkwamen, langs sporen, welke slechts

een Hooglander in staat was te volgen. Het pad zelf, of liever dat

reepje meer vasten gronds, hetwelk de reizigers deels over liepen,

deels doorwaadden, was ruw, hier en daar afgebrokkeld en op een aantal

plaatsen moerassig en niet te vertrouwen. Soms was het zoo slecht, dat

ze genoodzaakt waren van het eene heuveltje op het andere te springen,

omdat de daartusschen liggende ruimte het gewicht van een mensch niet

kon dragen. Dit was een gemakkelijk iets voor de Hooglanders, die dun

gezoold voor het doel geschikt schoeisel droegen, en bijzonder vlug ter

been waren; maar Eduard begon deze beweging, waaraan hij niet gewoon

was, meer vermoeijend te vinden, dan hij verwacht had. De flauwe

schemering hielp hen door dit moeras, maar begaf hen bijna geheel, toen

zij den voet van een steilen en zeer steenachtigen heuvel hadden

bereikt, die door hen moest beklommen worden. De nacht was echter

aangenaam en niet donker; en Waverley, die al de veerkracht van zijn

ziel te hulp riep, om zijn vermoeid lichaam te schragen, zette zijn

marsch moedig voort, ofschoon hij in zijn hart zijn Hooglandsche

medgezellen benijdde, die zonder het minste blijk van vermoeienis te

geven, den snellen en springenden pas of liever draf volhielden, die

hen, volgens zijn berekening, reeds een uur of vijf van hun tocht had

doen afleggen.

Na dezen berg overgeklommen en aan de andere zijde naar een dicht woud

te zijn afgedaald, beraadslaagde Evan Dhu een oogenblik met zijn

Hooglandsche satellieten. Als een gevolg hiervan werd Eduard’s begaadje

van de schouders des jachtopzichters op die van een der gillies

overgebracht, en de eerste met den anderen Hooglander in een andere

richting, dan die der drie overige reizigers, heen gezonden. Toen

Waverley naar het doel van deze scheiding vroeg, gaf men hem ten

antwoord, dat de Laaglander den nacht in een, omtrent drie mijlen van

daar gelegen, gehucht moest gaan doorbrengen; want, indien het geen

heel bijzondere vriend was, dan was Donald Bean Lean, de waardige man,

dien zij veronderstelden in het bezit van het vee te zijn, er niet zeer

opgesteld, dat vreemdelingen zijn schuilplaats naderden. Deze reden

scheen allezins billijk, en stilde in Eduard’s hart de opwelling van

achterdocht, toen hij zich, op zulk een plaats en zulk een uur, van

zijn eenigen Laaglandschen medgezel beroofd zag. En Evan voegde er

onmiddellijk daarna bij, „dat het inderdaad best zou wezen, indien hij

zelf vooruitging, en Bean Lean hunne nadering aankondigde, daar de

komst van een sidier roy (rooden soldaat [63]) voor hem anders een

onaangename verrassing zou zijn.” En zonder op antwoord te wachten,

liep hij heen, en wel op een drafje, terwijl hij in éen oogenblik uit

het gezicht was.

Waverley was nu aan zijn eigene bespiegelingen overgelaten; want zijn

nieuwe gids, die met den strijdbijl gewapend was, sprak zeer weinig

Engelsch. Zij trokken een dicht, en naar het scheen eindeloos,

pijnbosch door, zoodat het onmogelijk was het pad in de hem omringende,

zwarte duisternis te onderscheiden. De Hooglander nogtans scheen het,

uit instinct, zonder een oogenblik te aarzelen, te kunnen vinden, en

Eduard volgde hem zoo dicht hij maar kon.

Na een geruimen tijd stilzwijgend te zijn voortgetogen, kon hij niet

nalaten te vragen, „of het einde van hun tocht niet nabij was?”

„Het einde was nog drie, vier mijlen verder; maar als ligt

Duinhé-wassel een weinig moede was, kon, dat is mocht, – wilde – Donald

den curragh zenden.”

Dit maakte Eduard niet wijzer. De curragh, dien men hem beloofde, kon

een man, een paard, een kar of een reiswagen zijn; en meer was uit den

man met den strijdbijl niet te krijgen, dan het herhaalde „ja, ja, den

curragh”

Maar weldra begon Eduard zijn meening te begrijpen, toen hij bij het

verlaten van het bosch, zich op de oevers van een breede rivier of meer

bevond, waar zijn geleider hem te verstaan gaf, dat zij zich een poosje

moesten nederzetten. De maan, welke nu begon op te komen, toonde hem

onduidelijk de groote uitgestrektheid waters, die voor hen lag, en de

vormlooze en onbepaalde gedaanten der bergen, waardoor het omringd

scheen. De koele en toch zachte zomernachtlucht verfrischte Waverley,

na den snellen en moeielijken tocht dien hij afgelegd had; en de geur,

dien zij van de zich in den dauw badende berkeboomen [64] aanvoerde,

was verkwikkelijk.

Hij had nu overvloedig tijd om zich geheel aan het romaneske van zijn

toestand over te geven. Hier zat hij aan den oever van een geheel

onbekend meer, onder het geleide van een woesten inboorling, wiens taal

hem onbekend was, om een bezoek af te leggen in het hol van een

befaamden roover, een tweeden Robin Hood misschien, of Adam o’Gordon

[65], en dat wel midden in den nacht, na een aantal bezwaren en

vermoeienissen te hebben doorgestaan, gescheiden van zijn knecht, en

verlaten door zijn gids. Welk een reeks van omstandigheden, geschikt om

voedsel te verschaffen aan een romaneske verbeeldingskracht, nog

verhoogd door het plechtige gevoel van onzekerheid, zoo niet van

gevaar! Het eenige wat met al het overige niet rijmde, was de

aanleiding tot zijn tocht – de koeien van den Baron! Dit prozaïsche

feit werd door Eduard zorgvuldig op den achtergrond gehouden.

Terwijl hij zich dus in deze droomen zijner verbeelding verdiepte, werd

hij door zijn medgezel zachtjes aangestooten, die hem in eene richting,

bijna recht tegenover het meer heen wees, terwijl hij er bijvoegde:

„Daar is de plaats!” Waverley zag een klein lichtje in de hem

aangewezen richting flikkeren, en, terwijl het langzamerhand in omtrek

en kracht toenam, scheen het als een luchtverschijnsel aan den

gezichteinder te zweven. Intusschen liet zich in de verte het geplas

van roeiriemen in het water hooren. Het regelmatig geluid kwam hoe

langer zoo naderbij, en thans werd er een schel gefluit in dezelfde

richting vernomen. Zijn vriend met den strijdbijl floot oogenblikkelijk

helder en schel, in antwoord op het sein; en een boot, met vier of vijf

Hooglanders bemand, stuurde naar een kleinen inham, dicht bij dien waar

Eduard gezeten was. Hij ging hun met zijn reisgezel te gemoet, werd

dadelijk in de boot geholpen door de gedienstige oplettendheid van twee

kloeke bergbewoners, en was nauwelijks gezeten, of ze namen hunne

riemen andermaal op en begonnen, met groote snelheid, het meer in een

dwarsche richting over te steken.

Waverley(#75933) · 第 39 / 156 题