EENE ONTDEKKING. WAVERLEY GERAAKT OP TULLY-VEOLAN TE HUIS.

Den volgenden ochtend stond Waverley vroegtijdig op, en deed zijn

morgenwandeling rondom het huis en in den omtrek. Terwijl hij een

pleintje tegenover het hondenhok overliep, ontwaarde hij zijn vriend

Davie, die bezig was met zijne viervoetige lievelingen te verzorgen.

Met een oogopslag herkende deze Waverley, waarop hij hem, onder het

zingen van een fragment eener oude ballade, terstond den rug toekeerde,

alsof hij hem niet had opgemerkt:

De jonkheid bemint met meer kracht en meer vuur:

Verneemt gij des vogeltjes vroolijk muziek?

Maar liefde van de ouden is hechter van duur,

En ’t lijstertje bergt er het kopje in zijn wiek.

De gramschap der jeugd is als kaf, dat snel brandt:

Verneemt gij des vogeltjes vroolijk muziek?

Maar gloeiend metaal, als ze de oude overmant;

En ’t lijstertje bergt er het kopje in zijn wiek.

De jongling krakeelt na den afloop van ’t maal:

Verneemt gij des vogeltjes vroolijk muziek?

Maar de oude slaat ’s morgens de hand aan het staal,

En ’t lijstertje bergt er het kopje in zijn wiek.

Waverley kon niet nalaten op te merken, dat Davie een zekeren nadruk in

deze regels legde, die er iets min of meer satirieks aan gaf. Hij trad

dus naderbij, en poogde, door een aantal vragen uit te lokken, wat hij

daarmede bedoelde; maar Davie was de man niet om zich te laten

uithooren en bezat genoeg verstand, om zijn ondeugende streken onder

den mantel zijner onnoozelheid te verbergen. Eduard kon niets uit hem

krijgen, behalve dat de heer van Balmawhapple den vorigen dag naar huis

gegaan was „met zijne laarzen vol bloed.” Dan, in den tuin ontmoette

bij den ouden keldermeester, die niet meer poogde te verbergen, dat

dewijl hij bij Sumack en Comp. te Newcastle in de kweekerij was

opgeleid, hij somtijds een poos in den bloemtuin werkte, om den Heer en

Freule Rose te verplichten. Na eene reeks van vragen ontdekte Eduard

ten laatste, met een pijnlijk gevoel van verrassing en schaamte, dat

Balmawhapple’s onderwerping en verontschuldiging het gevolg waren

geweest van eene ontmoeting met den Baron, eer zijn gast zijn bed

verlaten had; bij welke ontmoeting de jongste strijder ontwapend en in

den rechterarm gewond was geworden.

Geheel ter neêr geslagen door deze ontdekking, zocht hij zijn

vriendelijken gastheer op, en beklaagde zich eerbiedig maar met nadruk

bij hem over het hem aangedane onrecht, daar de baron hem verhinderd

had, de zaak met den heer Falconer af te doen, hetgeen uit aanmerking

van zijn jeugd en van den pas aangetrokken krijgsmansrok, slechts

strekken kon om hem in een zeer ongunstig daglicht te plaatsen. De

Baron rechtvaardigde zich uitvoeriger, dan hier behoeft te worden

medegedeeld. Hij hield staande, dat, daar de twist beiden gold,

Balmawhapple, overeenkomstig de wetten der eer, er niet buiten kon om

beide genoegdoening te geven. Hij had dit gedaan tegenover hem, door

een eervolle ontmoeting, en bij Eduard door zulk een herroeping, voegde

de Baron er bij, die het gebruik van den degen onnoodig maakte, en die,

nadat ze gedaan en aangenomen was, de geheele zaak als geëindigd moest

doen beschouwen. Deze verontschuldiging of verklaring sloot Waverley

den mond, al bevredigde ze hem niet volkomen; maar hij kon niet nalaten

eenig ongenoegen te toonen tegen den Gezegenden Beer, die aanleiding

tot den twist had gegeven, noch te verzwijgen, dat deze naar zijn

meening den hem geschonken titel alles behalve verdiende. De Baron

stemde toe, niet te kunnen ontkennen, dat „de beer, schoon door

wapenkundigen voor een zeer vereerend teeken gehouden, nogtans wat

korzelig en grommig van aard was, (zoo als men bij Archibald Simson,

pastoor van Dalkeith, in zijn Hierogliphica Animalium lezen kan) en hij

was dus het zinnebeeld geweest van een aantal twisten en oneenigheden

in den huize Bradwardine, onder welke,” ging hij voort, „ik mijn eigen

ongelukkig geschil kan aanhalen met mijn neef, in den derden graad van

moeders zijde, sir Hew Halbert. Deze had de onvoorzichtigheid om mijn

familie-naam te bespotten, alsof die quasi Beer-waardijn of

Beren-hoeder geweest ware; een onheusche aardigheid, daar zij niet

slechts doet vermoeden, dat de stichter van ons huis zulk een geringe

betrekking als die van oppasser van wilde dieren bekleedde, een ambt,

zooals gij opgemerkt zult hebben dat slechts aan de laagste plebejers

wordt toevertrouwd; maar ze gaf bovendien nog te kennen, dat ons

wapenschild niet verkregen zou zijn door eervolle daden in den oorlog,

maar bij wijze van paranomasia, of toespeling op onzen familie-naam,

iets dat de Franschen armoires parlantes, de Latijnen arma cantantia,

dat is „sprekende wapens” noemen; [50] daar dit inderdaad eene soort

van blazoenering is, die beter voegt aan letterknechten, woordkramers

en dergelijk bedelvolk, wier brabbeltaal op woordspelingen gegrond is,

dan aan de edele, eervolle en nuttige heraldiek, die wapens toekent als

vergelding van edele en grootmoedige daden, en niet om het oor te

streelen met de ijdele quodlibets, die men in boeken met snakerijen

vindt.” [51] Van zijn twist met sir Hew sprak de baron geen woord meer,

dan dat die op eene voegzame wijze beslist was.

Na zoo uitvoerig te zijn geweest met betrekking tot de uitspanningen op

Tully-Veolan, gedurende de eerste dagen van Eduard’s bezoek, om den

lezer des te beter met de bewoners bekend te maken, gelooven wij ons te

kunnen onthouden om alles wat er later voorviel, even nauwkeurig te

boek te stellen. Men kan gissen dat een jonkman, die vroolijker

gezelschap gewoon was, weldra eindigen zou met zich te vervelen in den

omgang: met zulk een geweldigen voorstander der „heraldiek”, als de

Baron; maar Eduard vond een aangename afwisseling in het verkeer met

Freule Bradwardine, die met gretigheid naar zijne aanmerkingen over

letterkunde luisterde, en wier antwoorden zoowel een juist oordeel als

een gekuischten smaak verrieden. Hare zachtheid had haar gewillig, en

zelf met genoegen, de door haar vader voorgeschreven lectuur doen

volgen, ofschoon hij haar veroordeeld had, niet slechts tot het lezen

van verscheidene folianten, die over de historie handelden, maar ook

van zekere reusachtige boekdeelen, vol godgeleerde stellingen en

twisten. Wat de wapenkunde betreft, had hij zich gelukkig tevreden

gesteld met haar zulk een oppervlakkig denkbeeld er van mede te deelen,

als ze zich verschaffen kon uit de lezing van Nishet’s twee deelen in

folio. Rose was inderdaad de oogappel haars vaders; hare aanhoudende

levendigheid, hare oplettendheid om hem al die kleine diensten te

bewijzen, welke juist hun het meeste genoegen verschaffen, die er nooit

aan denken om ze te vorderen; hare schoonheid, die den Baron de trekken

zijner geliefde vrouw voor den geest riep, hare ongeveinsde vroomheid

en hare edele grootmoedigheid, zouden voldoende zijn geweest om de

genegenheid van iederen vader te wettigen.

Zijne bezorgdheid voor haar scheen zich nogtans niet te richten naar

dien kant, waar ze, volgens het algemeene gevoelen, met het meeste nut

wordt aan den dag gelegd; namelijk door te pogen haar, door middel van

een rijke huwelijksgift of eene aanzienlijke partij, een positie in de

wereld te bezorgen. Volgens een aloude familiebeschikking moesten meest

al de landgoederen van den Baron na zijn dood op een verren

bloedverwant overgaan; en men was algemeen van gedachte, dat freule

Bradwardine slechts met een klein fortuintje zou blijven zitten, daar

haars braven vaders geldzaken te lang aan het uitsluitend beheer van

den heer Mackwheeble waren toevertrouwd geweest, om de menschen in den

waan te laten, dat hij veel voor zijn dochter zou overgelegd hebben.

Het is waar, gezegde rentmeester had zijn patroon en diens dochter

naast zich zelven lief, (schoon op een onvergelijkelijken afstand). Hij

was van gedachte, dat het niet onmogelijk was de landgoederen van de

mannelijke linie op de vrouwelijke te doen overbrengen, ja, had

inderdaad hieromtrent een advies verkregen, (en wel gelijk hij zich

beroemde, gratis) van een uitstekend Schotsch rechtsgeleerde, dien hij

behendig op dit punt gebracht had, terwijl hij hem over een geheel

andere zaak raadpleegde. Maar de Baron wilde zelfs geen oogenblik naar

zulk een voorstel luisteren. Integendeel placht hij er een boosaardig

genoegen in te vinden, om te roemen, dat de baronij van Bradwardine een

mannelijk leen was, daar het eerste charter in dien lang vervlogen tijd

gegeven was, toen men de vrouwen nog niet bevoegd achtte om een leen te

houden, omdat, volgens Les coustumes de Normandie, c’est l’homme ki se

bast et ki conseille; of, gelijk het nog onbeleefder luidt bij andere

autoriteiten, in het aanhalen van wier dikwijls ellenlange, barbaarsche

namen hij vermaak schiep, omdat een vrouw den opper- of leenheer niet

kan dienen in den oorlog, uit hoofde van het decorum harer kunne, noch

hen met raad bijstaan, uit hoofde van haar bekrompen verstand, noch

zijne geheimen bewaren tengevolge van de zwakheid harer natuur. Hij

placht ook soms zegevierend te vragen, of het passend zou zijn een

vrouw, en wel een vrouw van het huis Bradwardine, bezig te zien in

servitio exuendi, seu detrahendi, caligas regis post battaliam? dat wil

zeggen, met het uittrekken van des konings laarzen na een gevecht,

hetgeen de leendienst was, waarvoor hij de baronij van Bradwardine

bezat. Neen! neen!” vervolgde hij, „zonder twijfel, procul dubio, zijn

een aantal vrouwen, even waardig als Rose, uitgesloten geweest, om voor

mijn eigene opvolging plaats te maken; en de Hemel beware mij, dat ik

iets doen zou om de bedoeling mijner voorvaderen tegen te werken, of

inbreuk te maken op het recht van mijn bloedverwant, Malcolm

Bradwardine van Inchgrabbit, een vereerenswaardige, ofschoon vervallen

tak van mijn geslacht.”

Nadat de Rentmeester, als eerste Minister, deze beslissing van zijn

Souverein ontvangen had, durfde hij niet verder op zijn eigene meening

aandringen, maar hield zich tevreden met, bij alle gepaste

gelegenheden, als hij zich in gezelschap bevond met Saunderson, den

minister van binnenlandsche zaken, te klagen over de eigenzinnigheid

van den Baron, terwijl hij dan steeds plannen ontwikkelde, om Rose te

doen huwen met den jongen heer van Balmawhapple, die een aardig,

slechts weinig bezwaard landgoed bezat, en een onbesproken jongman was,

daar hij zich zoo zedig hield als een heilige – wanneer men den

brandewijn slechts van hem en hem op een afstand van den brandewijn

hield – en wien in een woord niets onvolkomens aankleefde, dan dat hij

van tijd tot tijd met wat ligt gezelschap, zooals Jinker den

paardekooper en Gibby Gaethrowit den speelman van Cupar omging, „van

welke dwaasheden hij genezen zal, mijnheer Saunderson, ja, genezen,” –

zeide de baljuw....

„Als zuur bier in den zomer,” voegde David Gellatley er bij, die

toevallig dichter bij het conclave was, dan zij wisten.

Freule Bradwardine, zooals wij haar hebben beschreven, eenvoudig en

weetgierig als iemand gewoonlijk is, die van de wereld afgezonderd

leeft, greep gretig iedere gelegenheid aan, om den kring harer

letterkundige kennis uit te breiden, die haar door Eduard’s verblijf

werd aangeboden. Hij zond naar zijn garnizoen om eenige van zijn

boeken, en deze openden Rose een bron van genot, waarvan zij tot nu toe

geen denkbeeld had gehad. De beste Engelsche dichters in ieder genre,

en andere werken over fraaie letteren, maakten een gedeelte dezer

kostbare bezending uit. Haar muzijk, zelfs haar bloemen, werden

verwaarloosd; en Saunderson treurde niet alleen, maar begon zelfs

tegenzin in den arbeid te krijgen, waarvoor hij ter nauwernood meer een

bedankje ontving. Deze nieuwe genoegens werden van tijd tot tijd

verhoogd, doordat zij ze met iemand van gelijken smaak deelde. Eduard’s

gereedheid tot verklaren, tot voorlezen, tot uitleggen van moeielijke

plaatsen, maakte zijn hulp onbetaalbaar; en zijn romantische richting

betooverde een meisje, dat te jong en onbedreven was om er de gebreken

van op te merken. Voor de onderwerpen die hem belang inboezemden, en

wanneer hij geheel op zijn gemak was, bezat hij dien vloed van

natuurlijke en min of meer bloemrijke welsprekendheid, welke evenzeer

als voorkomen, beschaafde manieren, roem of fortuin in staat zijn, om

het hart eener vrouw te winnen. Er lag dus in dezen bestendigen omgang

een toenemend gevaar voor de gemoedsrust der arme Rose, daar haar vader

te zeer werd afgetrokken door zijn studieën, en te zeer vervuld was met

zijn eigene waardigheid, om er aan te denken, dat zijn dochter iets te

vreezen had. De dochters van den huize Bradwardine waren, naar zijn

gevoelen, gelijk die van den huize van Bourbon of Oostenrijk, ver boven

de wolken der hartstochten verheven, die het brein van mindere

vrouwelijke wezens mochten benevelen; zij bewogen zich in een anderen

sfeer, werden door andere gewaarwordingen bezield, en gedroegen zich

naar andere regels, dan die eener ijdele en grillige genegenheid. Met

éen woord, hij sloot zijn oogen zoo vast voor de natuurlijke gevolgen

van Eduard’s gemeenzaamheid met freule Bradwardine, dat al zijn buren

tot het besluit kwamen, dat hij ze geopend had voor de voordeelen van

een huwelijk tusschen zijn dochter en den rijken Engelschman, en zij

hem voor minder dwaas verklaarden, dan hij zich doorgaans betoond had,

in zaken waarin zijn belang op het spel stond.

Zoo de Baron evenwel werkelijk aan zulk een verbindtenis had gedacht,

zou Waverley’s natuurlijke onverschilligheid een onoverkomelijke

hinderpaal voor zijn plan zijn geweest. Nu onze held meer met de wereld

in aanraking gebracht was, had hij geleerd met groote schaamte en

verlegenheid aan zijne geheime legende van de heilige Cecilia te

denken; en het onaangename van dit gepeins scheen, althans voor eenigen

tijd, op te wegen tegen de natuurlijke ontvlambaarheid van zijn hart.

Bovendien bezat Rose Bradwardine, hoe schoon en beminnelijk zij,

volgens onze beschrijving, ook was, juist niet die soort van schoonheid

of bekoorlijkheden, die in staat zijn om eene romaneske verbeelding in

de eerste jeugd te boeien. Zij was te open, te vertrouwelijk, te goed –

ongetwijfeld beminnelijke eigenschappen, maar doodelijk voor dat

wonderbaarlijke, waarmede een jongeling, met een levendige verbeelding

begaafd, vermaak vindt de koningin van zijn hart op te sieren. Was het

Eduard mogelijk zich neder te werpen, te beven, voor het beschroomde,

nog speelzieke jonge meisje, of wel haar te aanbidden, die hem nu eens

vroeg hare pen te vermaken, dan weder eene stanza van Tasso te

vertolken, en straks weder hoe zij een lang, heel lang woord in hare

overzetting daarvan spellen moest? Al deze dingen hebben voor het hart

op een zekeren leeftijd iets betooverends, maar niet wanneer een

jongeling het leven pas intreedt, en naar een voorwerp zoekt, welks

genegenheid hem in zijn eigene oogen verheft, in plaats van af te dalen

tot eene die om deze zelfde onderscheiding tot hem opziet. – Vandaar,

ofschoon er geen vaste regel voor zulk een grilligen hartstocht als de

liefde bestaat, kan men ten minste aannemen, dat een jeugdig minnaar

gewoonlijk door de eerzucht in zijn eerste keus wordt geleid; of,

hetgeen op hetzelfde neêrkomt, dat hij (gelijk in het geval der legende

van de heilige Cecilia voormeld), die zoekt in omstandigheden, welke

ruim baan laten aan le beau ideal, hetwelk de wezenlijkheid van een

vertrouwelijken en innigen omgang verzwakt en beperkt. Ik heb een zeer

wel opgevoed jongeling gekend, die van zijn vurige liefde voor een

schoon meisje genezen werd, wier talenten niet in overeenstemming waren

met haar gelaat en hare gestalte, door de vergunning een geheelen

namiddag in haar gezelschap door te brengen. Even zeker is het ook,

dat, indien Eduard zulk een gelegenheid had gehad om zich met jufvrouw

Stubbs te onderhouden, tante Rachels voorzorg geheel onnoodig zou zijn

geweest; want hij zou dan even min op haar als op de keukenmeid hebben

kunnen verliefd worden. En, ofschoon freule Bradwardine een geheel

ander meisje was, is het te vermoeden, dat juist hun gemeenzame omgang

hem belette iets anders voor haar te gevoelen, dan de genegenheid van

een broeder voor zijn beminnelijke en talentvolle zuster; terwijl de

aandoeningen van de arme Rose, langzamerhand en zonder dat zij het

wist, van een veel teederder genegenheid getuigden.

Ik had moeten vermelden, dat Eduard, toen hij naar Dundee om de

vermelde boeken had gezonden, verlof verzocht en verkregen had, om zijn

afwezigheid te verlengen. Maar de brief van zijn commanderenden

officier bevatte eene vriendelijke aanbeveling, om zijn tijd niet

uitsluitend door te brengen met lieden, van wie, hoe achtenswaardig zij

in het algemeen ook wezen mochten, men niet veronderstellen kon, dat

zij een bewind zeer genegen waren, hetwelk ze weigerden te erkennen,

door het doen van den huldigingseed. De brief gaf verder, hoewel met de

meeste kieschheid, te kennen, dat, schoon zekere familieverbindtenissen

het voor kapitein Waverley noodzakelijk mochten maken met heeren

omtegaan, die onder onaangename verdenking lagen, de betrekkingen en

het verlangen van zijn vader hem nogtans moesten beletten deze

beleefdheid tot vertrouwelijkheid te laten aangroeien. Ook waarschuwde

men hem, dat, terwijl zijn staatkundige grondbeginselen gevaar liepen

door den omgang met lieden van deze soort, hij zich eveneens wachten

moest verkeerde indrukken te ontvangen van de episcopaalsche

geestelijkheid, die zoo verkeerd te werk ging met de koninklijke

prerogativen in gewijde zaken te laten gelden.

Deze laatste wenk verleidde waarschijnlijk Waverley, om dien even als

de voorafgegane raadgevingen, aan vooroordeelen van zijn Overste toe te

schrijven. Hij was er gevoelig voor, dat de heer Bradwardine met de

meest nauwgezette kieschheid ieder gesprek vermeden had, dat slechts de

minste strekking had, om invloed uit te oefenen op hem, of hem tot zijn

staatkundige gevoelens over te halen, schoon hij zelf niet alleen een

bepaalde voorstander van de verbannen familie was, maar hem ook, op

verschillende tijden, belangrijke zendingen door haar waren opgedragen.

Daar hij dus volkomen overtuigd was, dat hij geen gevaar liep van zijn

getrouwheid aan de dynastie te worden afgebracht, kwam het Eduard voor,

dat hij den ouden vriend zijns ooms onrecht zou doen, door een huis te

verlaten, waar hij genoegen smaakte en verschafte, enkel om zich te

schikken naar een bevooroordeeld en kwalijk gegrond vermoeden. Hij

antwoordde, uit dien hoofde, in zeer algemeene bewoordingen, terwijl

hij zijn chef verzekerde, dat zijne getrouwheid volstrekt niet bedreigd

werd, en bleef bij voortduring een geëerd gast en bewoner van het huis

Tully-Veolan.

Waverley(#75933) · 第 34 / 156 题