BEROUW EN VERZOENING.

Waverley was niet gewoon, dan met de grootste matigheid wijn te

drinken. Hij sliep dus tot laat in den volgenden morgen, en ontwaakte

toen met een pijnlijke herinnering aan het tooneel van den vorigen

avond. Hij had een persoonlijke beleediging ondergaan, – hij, een man

van eer, een krijgsman en een Waverley. Het was waar, hij die ze hem

had aangedaan, was, op dat oogenblik, geen meester over het zeer

geringe verstand, hetwelk de natuur hem geschonken had; het was evenzoo

waar, dat, wanneer hij voor deze beleediging wraak nam, hij zoowel de

wetten des hemels, als die van zijn land overtreden zou; het was

eindelijk waar, dat hij, door dit te doen, wellicht het leven zou

benemen aan een jonkman, die zich misschien behoorlijk van zijn

maatschappelijke plichten kweet, en hij zou dus zijn familie ongelukkig

maken; of hij zelf kon zijn eigen leven verliezen, – geen aangename

kans zelfs voor den moedigste, wanneer men alles kalm en bedaard

overlegt.

Al deze gedachten drukten hem zwaar op het hart; en toch keerde de

eerste opvatting telkens met onweêrstaanbare kracht terug. Hij had een

beleediging ondergaan; hij was van den huize Waverley, en tegelijk

Officier. Er was geen keus; en hij begaf zich naar de ontbijtkamer met

het voornemen, om afscheid van de familie te nemen en aan een zijner

wapenbroeders te schrijven, om bij hem te komen in de herberg, halfweg

Tully-Veolan en de stad, om zoodanige boodschap aan den Heer van

Balmawhapple te zenden, als de omstandigheden schenen te vorderen. Hij

vond Freule Bradwardine aan de ontbijttafel, die met warm, zoowel

tarwe- als gerstengebak, in de gedaante van brooden, koeken, beschuit

en wat dies meer zij, beladen was, evenzoo met eieren, rendiersham,

lams- en ossenvleesch, gerookte zalm, gekonfijte kweeën en al de

overige lekkernijen, welke zelfs Johnson overhaalde, om de weelde van

een Schotsch ontbijt boven dat van alle andere landen te verheffen. Een

schotel havermeelpap tegenover een zilveren kan, die een mengsel van

room en karnemelk bevatte, stond voor den baron gereed; maar Rose

verhaalde, dat hij vroeg in den morgen uitgegaan was, na bevel te

hebben gegeven dat men zijn gast niet storen zou.

Waverley nam, bijna zonder een woord te spreken plaats, en met zulk een

verstrooid en afgetrokken voorkomen, dat Freule Bradwardine geen

gunstig denkbeeld kon opvatten van zijn gezellige gaven. Hij antwoordde

slechts met een enkel woord op een paar aanmerkingen, welke ze zich

veroorloofde omtrent algemeene onderwerpen; zoodat ze, zich bijna

teruggestooten gevoelende in hare pogingen om hem bezig te houden, en

zich heimelijk verwonderende, dat onder een rooden rok geen betere

opvoeding schuilde, hem aan zijn eigene overdenkingen overliet, welke

bestonden in het verwenschen van doctor Doubleits geliefd gesternte van

den Grooten Beer, als de oorzaak van al het onheil, dat reeds had

plaats gehad en waarschijnlijk nog volgen zou. Op eens echter schrikte

en kleurde hij geweldig, daar hij, de oogen naar buiten slaande, den

baron en den jongen Balmawbapple arm in arm en schijnbaar in druk

gesprek voorbij zag gaan. „Heeft mijnheer Falconer hier van nacht

geslapen?” vroeg hij driftig. Rose, die niet zeer ingenomen was met de

weinige korte woorden, welke de jonge vreemdeling tot haar richtte,

antwoordde droog weg „neen,” en het gesprek was wederom ten einde.

Op dit oogenblik verscheen de heer Saunderson met een verzoek van zijn

meester, om den Kapitein Waverley in een ander vertrek te mogen

spreken. Met een hart, dat iets sneller dan gewoonlijk sloeg, niet uit

vrees, maar uit onzekerheid en onrust, verliet Eduard de ontbijtzaal.

Hij vond de beide heeren bij elkander staan; op het gelaat des Barons

lag eene zelfvoldane waardigheid, terwijl iets, dat naar gemelijkheid

of schaamte, zoo niet naar beide zweemde, het blozend gelaat van

Balmawhapple benevelde. De eerste stak den arm onder dien van den

laatste, en terwijl hij dus met hem scheen te wandelen, hoewel hij hem

in waarheid geleidde, traden ze op Waverley toe, en nadat ze midden in

het vertrek waren blijven staan, hield de Baron met groote deftigheid

de volgende redevoering: „kapitein Waverley – mijn jonge en

achtenswaardige vriend, mijnheer Falconer van Balmawhapple, die mijne

jaren en ondervinding, als niet geheel onbedreven in alles wat de

wetten van het tweegevecht of de monomachia betreft, geheel en al

vertrouwt, heeft mij verzocht zijn tolk bij u te zijn, om u het

leedwezen te betuigen, waarmede hij zich zekere uitdrukkingen op ons

symposion van gisteravond herinnert, welke u, die voor het oogenblik

het thans bestaande bewind dient, niet anders dan hoogst onaangenaam

konden zijn. Hij bidt u, mijnheer, om de herinnering aan deze

vergrijpen tegen de wetten der wellevendheid, als iets wat zijn meer

onbeneveld verstand afkeurt, in vergetelheid te begraven, en de hand te

ontvangen, welke hij u als een pand van vriendschap aanbiedt; en ik heb

niet noodig u te verzekeren, dat niets minder dan het gevoel van dans

son tort te zijn, gelijk een moedig Fransch ridder, monsieur le

Bretailleur mij eens bij eene dergelijke gelegenheid toevoegde, alsmede

de hooge dunk van uwe verdiensten zulk eene bekentenis van hem konden

uitlokken; want hij en geheel zijn geslacht zijn, en daarenboven sedert

onheugelijke tijden, mavortia pectora geweest, zooals Buchanan zegt,

een stoute en oorlogzuchtige stam.”

Onmiddellijk, en met ongedwongen beleefdheid, nam Eduard de hand aan,

welke Balmawhapple, of liever de Baron, in zijn karakter van

bemiddelaar, hem toestak. „Het was hem onmogelijk,” zeide hij, „zich

iets te herinneren, wat een fatsoenlijk man wenschte niet gezegd te

hebben, en hij schreef het gebeurde gaarne toe aan de overdadige

feestelijkheid van den vorigen dag.”

„Dat is zeer hupsch gesproken,” antwoordde de Baron; „want het lijdt

geen twijfel dat, als iemand ebrius of dronken is, iets dat bij zulke

plechtige en feestelijke gelegenheden kan en somtijds zal gebeuren in

den loop van het leven van een man van eer, en dat, indien dezelfde

man, wanneer hij weder frisch en nuchteren is, de beleedigende woorden

herroept, door hem in zijn opgewondenheid gesproken, men er het voor

houden moet vinum locutus est, dat de woorden ophouden de zijne te

zijn. Ondertusschen zou ik meenen dat deze verontschuldiging niet

geldt, in het geval van iemand die ebriosus, of een dronkaard uit

gewoonte is; omdat, indien zulk een persoon het grootste gedeelte van

zijn tijd in een staat van beschonkenheid verkiest door te brengen, hij

geen recht heeft om zich vrij te maken van de plichten door het wetboek

der beschaving opgelegd, maar behoort te leeren zich vreedzaam en

hoffelijk te gedragen, wanneer hij onder den invloed van den

geestrijken prikkel is. En laat ons thans aan het ontbijt gaan, en niet

meer aan deze afgedane zaak denken.”

Hoe men ook er over denke moet ik toch bekennen, dat Eduard, na zulk

eene voldoende verklaring, grooter eer aan de lekkernijen van freule

Bradwardine’s ontbijttafel bewees, dan in den beginne. Balmawhapple,

integendeel, scheen verlegen en neergedrukt; en Waverley merkte nu voor

het eerst op, dat zijn arm in een band hing, hetgeen de linkschheid en

verlegenheid verklaarde, waarmede hij zijn hand had aangeboden. Op eene

vraag van freule Bradwardine, mompelde hij dat zijn paard gevallen was;

en daar hij scheen te verlangen om zoowel dit onderwerp als het

gezelschap te ontwijken, stond hij op zoodra het ontbijt afgeloopen

was, maakte eene buiging voor het gezelschap, en na de uitnoodiging,

van den Baron om te blijven eten van de hand gewezen te hebben, besteeg

hij zijn paard en keerde naar huis terug.

Thans gaf Waverley zijn voornemen te kennen om Tully-Veolan te

verlaten, tijdig genoeg om na afloop van het middagmaal de

pleisterplaats te bereiken, waar hij nachtverblijf dacht te houden;

maar het ongekunstelde en diepe leedwezen, waarmede de goedhartige en

vriendelijke oude heer dit besluit aanhoorde, benam hem den moed, om

bij zijn voornemen te volharden. Zoodra dan ook Waverley beloofd had

nog eenige dagen te blijven deed hij zijn best om de redenen te

ontzenuwen, waarom hij zich verbeeldde, dat zijn gast vroeger had

willen vertrekken. „Ik zou u niet gaarne in den waan laten, kapitein

Waverley, dat ik door gewoonte of voorbeeld een voorstander ben van

dronkenschap, ofschoon het zijn kan dat, bij ons feest van gisteren

avond, sommige onzer vrienden, zoo misschien niet geheel ebrii, of

dronken, om een zacht woord te gebruiken, ebrioli waren, waarmede de

ouden bedoelden, wat wij noemen „iets aangeschoten.” Meen echter niet

dat ik dit van u denk Waverley, gij hebt u eerder, als een voorzichtig

jongmensch van overmaat onthouden; ook kan het in waarheid niet van mij

gezegd worden, die, ofschoon ik aan de tafel van menig grooten generaal

en maarschalk, bij hunne plechtige feesten tegenwoordig ben geweest, de

gave bezit, om mijn wijn in mate te gebruiken, en gedurende den

geheelen avond, zooals gij ongetwijfeld moet hebben opgemerkt, de

grenzen van een gematigde vroolijkheid niet te buiten ging.”

Het was niet doenlijk eene stelling te bestrijden, op zulk positieven

toon opgeworpen door hem, die zeker de meestbevoegde rechter in de zaak

was, hoewel, wanneer Eduard zijn oordeel uit zijn eigene herinneringen

had geput, hij de meening zou hebben uitgesproken, dat de Baron niet

alleen ebriolus was, maar zelfs bijna ebrius, of, plat gezegd, de meest

beschonkene van allen, uitgezonderd misschien zijne tegenpartij, de

heer van Balmawhapple. Evenwel ging de Baron, nadat hij het verwachte,

of liever gevorderde compliment over zijne matigheid had ontvangen,

voort: „Neen, mijnheer, schoon ik zelf van een sterk gestel ben, heb ik

een afschuw van de dronkenschap, en verfoei hen die den wijn gulæ

causa, dat is om de keel te streelen naar binnen zwelgen; hoewel ik de

wet van Pittacus van Mitylene niet goedkeur, die een misdaad, onder den

invloed van Liber Pater [45] gepleegd, dubbel strafte, en ik mij zelfs

niet in alle opzichten kan vereenigen met het harde oordeel van den

jongeren Plinius, in het veertiende boek van zijn Historia Naturalis.

Neen, mijnheer, ik maak opderscheid, ik weet onderscheid te maken, en

keur den wijn alleen in zoo verre goed, dat hij opgeruimd maakt, of in

de taal van Flaccus, recepto amico.”

Dus eindigde de verantwoording, die de baron van Bradwardine noodig

achtte voor het overdadige van zijn feestelijk onthaal; en men zal ligt

gelooven, dat Eduard hem niet tegensprak of iets, dat hij zeide in

twijfel trok.

Vervolgens noodigde hij zijn gast tot een morgenrid uit, en beval dat

David Gellatley hen op het jachtpad, met de beide honden Ban en Buscar,

zou wachten. „Want, eer het saizoen begint, zou ik u gaarne iets van

ons jachtveld laten zien, en zoo God wil, zullen we alligt een ree

ontmoeten. De ree, kapitein Waverley, mag in alle jaargetijden gejaagd

worden; want, daar het dier nooit op zijn vet behoeft te roemen, is het

ook nooit onsmakelijk, ofschoon het waar is, dat zijn vleesch niet

gelijk staat met dat van het hert [46]. Maar ge zult zien, hoe mijne

honden loopen; en daarom zullen ze met David Gellatley ons

vergezellen.”

Waverley gaf zijn verwondering te kennen, dat zijn vriend David in

staat was zoo iets waar te nemen; maar de Baron gaf hem te verstaan,

dat deze arme hals niet gek, nec naturaliter idiota was, zoo als men in

rechten zeide; maar eenvoudig een in de hersenen gekrenkte guit, die

zeer wel in staat was iederen arbeid te volbrengen, die met zijn luimen

strookte, en zijn gekheid tot een voorwendsel maakte om al ’t overige

te vermijden. „Wij zijn aan hem gehecht,” ging de Baron voort,

„doordien hij Rose, met gevaar van zijn leven, uit een dreigenden nood

heeft gered, en de ondeugende lummel moet daarom eten van ons brood, en

drinken uit onzen beker, en doen wat hij kan, of wat hij wil: hetgeen,

zoo de vermoedens van Saunderson en den rentmeester gegrond zijn, in

dit geval wel zoowat uitdrukkingen van dezelfde beteekenis zijn.”

Freule Bradwardine verhaalde vervolgens aan Waverley dat deze arme hals

machtig verzot was op muziek; dat hij door droefgeestige melodieën diep

getroffen, en tot buitensporige blijdschap vervoerd werd door vroolijke

en levendige liederen. Hij was in dit opzicht met een verbazend

geheugen begiftigd, en kende een groot aantal stukken en brokken van

allerlei wijzen en liedjes, die hij soms met verwonderlijke slimheid te

pas bracht, als middelen van betoog, verklaring of satire. David was

zeer gehecht aan de weinigen, die hem vriendschap betoonden – en even

gevoelig voor elke verachtelijke of kwade behandeling, die hij

ondervond, terwijl hij volkomen in staat was, als hij maar gelegenheid

er toe vond, zich te wreken. Het gemeene volk, dat doorgaans even hard

over elkander als over hunne meerderen oordeelt, hoewel het vrij wat

medelijden voor den armen „stumpert” betuigde, zoo lang men hem in

vodden langs het dorp liet loopen, zag hem niet zoodra behoorlijk

gekleed, verzorgd en zelfs eenigermate als gunsteling behandeld, of het

haalde al de voorbeelden van gevatheid en doorzicht aan, zoowel in zijn

handelingen als in zijn antwoorden welke de dorps-jaarboeken

opleverden, en grondde daarop de veronderstelling, dat David Gellatley

niet verder mal was, dan noodig scheen om hem voor zwaren arbeid te

vrijwaren. Dit gevoelen was nogthans even juist als dat der negers, die

uit de slimme en ondeugende kuren der apen opmaken, dat zij de gave der

spraak bezitten, en dit vermogen opzettelijk onderdrukken, uit vrees

dat men hen tot werken zal dwingen. David Gellatley was in goeden ernst

de halfgekrenkte hals, die hij scheen, en buiten staat tot eenige

aanhoudende en gestadige inspanning. Hij bezat juist oordeel genoeg om

hem voor zinneloosheid te bewaren; zooveel natuurlijk verstand als hem

tegen volslagen onnoozelheid vrijwaarde; eenige behendigheid in zaken

die op de jacht betrekking hadden, (waarin wij even groote dwazen

hebben zien uitmunten); uitnemende zachtheid en menschelijkheid in het

behandelen van aan hem toevertrouwde dieren, een warm hart, een

verbazend geheugen, en een oor voor de muziek.

Weldra vernam men nu paardengetrappel op het voorplein, alsmede Davie’s

stem, die, zich tot de groote jachthonden keerende, zong:

Spoedt u! jaagt langs veld en weide,

Stuift den vliet door die ginds plast!

Vliegt langs heuvelzoom en heide,

En waar ’t boschje ’t lachendst wast;

Waar de stroomen ’t helderst vloeien,

Waar de varen ’t weligst groeien,

Waar de dauw het langste glanst,

Waar dien ’t korhoen liefst gaat drinken,

Waar de Fee het laatst bij ’t blinken

Van het maanlicht heeft gedanst.

Op naar legers, die men zelden

Slechts zoo koel en eenzaam zag!

Op langs weiden, heuvlen, velden,

Bij ’t ontwaken van den dag!

„Behooren de verzen, die hij daar zingt, tot de oude Schotsche poëzie,

freule Bradwardine?”

„Ik geloof het niet,” hernam zij „Dit arme schepsel heeft een broeder

gehad, en de Hemel, alsof hij der familie het ongeluk van den armen

David wilde vergoeden, had hem talenten geschonken, die men in het dorp

voor iets buitengewoons hield. Een oom poogde hem op te leiden voor de

Schotsche kerk, maar hij kon niet de minste bevordering vinden, omdat

hij slechts een boerenzoon was. Hij keerde hopeloos, en met een

gebroken hart van de Akademie terug, en kreeg de tering. Mijn vader

ondersteunde hem tot zijn dood, die voorviel eer hij zijn negentiende

jaar bereikt had. Hij speelde op de fluit, en werd algemeen voor iemand

gehouden die een bijzonderen aanleg voor de poëzie had. Hij legde veel

liefde en medelijden voor zijn broeder aan den dag, die hem volgde als

zijn schaduw, en wij houden het er voor dat David van hem een menigte

liederen verzamelde, die weinig op die uit deze streek gelijken. Maar

als wij hem vragen, waar hij zulk een brok, als hij daar zingt,

opgedaan heeft, antwoordt: hij òf met een geweldigen lachbui, òf wel

door in tranen en jammerklachten uit te barsten, maar nooit vernam men

eene andere verklaring, of heeft men hem zijns broeders naam na diens

dood hooren noemen.”

„Zeker,” zeide Eduard, die altijd belang stelde in elk verhaal dat

eenigszins romantisch klonk, „zeker zou men meer van hem vernemen, als

men er meer bijzonder op aandrong.”

„Misschien wel,” antwoordde Rose; „maar mijn vader wil niemand

veroorloven zijne gevoeligheid op dit punt te krenken.”

Gedurende dezen tijd had de Baron, met behulp van Saunderson, een paar

geweldig groote jachtlaarzen aangetrokken, en noodigde thans onzen held

uit hem te volgen, terwijl hij met zware stappen den breeden trap

afging, in het voorbijgaan, telkens op de hooge ballustrade met den

knop van zijn zware karwats sloeg, en zich het air gevende van een

jager van Louis XIV bromde:

„Pour la chasse ordonnée, il faut préparer tout,

Ho la ho! Vite! vite debout!”

Waverley(#75933) · 第 28 / 156 题