DE MAALTIJD.

Het onthaal was overvloedig en keurig naar de Schotsche mode van dien

tijd, en de gasten deden den maaltijd groote eer aan. De Baron at als

een uitgehongerd soldaat; de heer van Balmawhapple als een jager;

Bullsegg van Killancureit als een boer; Waverley zelf als een reiziger;

en de rentmeester Mackwheeble als alle vier te zamen; maar uit eerbied,

of om door zijn houding te toonen, dat hij gevoelde in de

tegenwoordigheid van zijn patroon te zijn, – zat hij op den rand van

zijn stoel, op een afstand van drie voet van de tafel, en boog hij

zich, om in gemeenschap met zijn bord te blijven, zoo sterk voorover

dat degene die tegenover hem zat, alleen de top van zijne pruik kon te

zien krijgen.

Deze ootmoedige houding zou misschien voor iemand anders ongemakkelijk

zijn geweest, maar langdurige gewoonte maakte die, hetzij zittende of

wandelende, voor den waardigen rentmeester lang niet moeielijk. In het

laatste geval veroorzaakte het, ongetwijfeld, een niet zeer bevallig

uitsteken van zijn persoon naar dengene, die achter hem mocht loopen;

maar daar deze altijd zijn minderen waren (want de heer Mackwheeble was

zeer oplettend om voor alle hoogeren plaats te maken), stoorde hij er

zich weinig aan, als zijne minderen minachting of onbeleefdheid in zijn

houding zochten. Vandaar dat hij, over de binnenplaats op en neer

waggelende, naar zijn ouden grijzen hit, wel min of meer op een hond

geleek, die op zijn achterste pooten loopt:

De onbeëedigde geestelijke was een nadenkend en belangwekkend oud man,

wiens uiterlijk verried dat hij een lijder was om des gewetens wil, Hij

was een diergenen,

„Die zonder dat ze zijn gedwongen,

Hun ambt en voordeel offeren.”

De rentmeester was dan ook gewoon, wanneer de Baron het niet hoorde, om

met dezen gril van den heer Rubrick een weinig den spot te drijven, en

hem zijn overdrevene kieschheid te verwijten. En inderdaad, men moet

bekennen, dat hij zelf, ofschoon in zijn hart een vurig voorstander van

het verbannen koninklijk huis, zich vrij wel geschikt had in al de

verschillende gebeurtenissen van zijn tijd: zoo dat David Gellatley hem

eenmaal beschreef als een bijzonder goed man, die een zeer kalm en

vreedzaam geweten bezat, dat hem nooit eenig leed berokkende.

Toen de tafel afgenomen was, stelde de Baron de gezondheid van den

koning in, terwijl hij het beleefdelijk aan het geweten zijner gasten

overliet, op den Souverein de facto of de jure te drinken, al naar

gelang van hunne staatkundige denkwijze. Thans werd het gesprek

algemeen; en kort daarop verwijderde zich freule Bradwardine, die aan

tafel met natuurlijke bevalligheid en eenvoudigheid de rol van

gastvrouw op zich genomen had, terwijl haar voorbeeld door den

geestelijke gevolgd werd. Onder het overige gezelschap ging de wijn,

die de lofspraken van den gastheer ten volle rechtvaardigde,

onophoudelijk rond, schoon Waverley, niet zonder eenige moeite,

vrijheid verkreeg, om zijn glas soms te laten staan. Eindelijk, toen de

avond meer en meer begon te vallen, gaf de Baron een bijzonder teeken

aan den heer Saunders Saunderson, of, zoo als hij hem schertsende

noemde, Alexander ab Alexandro, waarop deze met een beteekenisvollen

knik het vertrek verliet. Kort daarop keerde hij terug, terwijl op zijn

deftig gelaat een plechtige en geheimzinnige glimlach zich vertoonde en

hij een klein eiken kistje met koperen sieraden van zonderlingen vorm

voor zijn heer neerzette. De Baron haalde een sleutel uit zijn zak,

opende het kistje, waaruit een gouden beker van een vreemd, antiek

voorkomen te voorschijn kwam, welke den vorm had van een opstaanden

beer, en dien de eigenaar met een gemengden blik van eerbied, trots en

genoegen aanzag, waardoor Waverley onwederstaanbaar herinnerd werd aan

Ben Jonson’s Tom Otter, met zijn bul, paard en hond, zoo als deze

spotvogel lachende de drie voornaamste bekers bij zijn tafel noemde.

Maar de heer Bradwardine keerde zich beleefdelijk tot hem, en verzocht

hem dit belangrijk overblijfsel uit den ouden tijd eens goed te

bezichtigen. „Het stelt,” zeide hij, „het wapen onzer familie voor, een

beer, gelijk gij ziet, en opstaande; omdat een goed wapenkundige gewoon

is ieder dier af te beelden in zijn edelsten stand, gelijk een paard

springend, een jachthond loopend, en, zoo als natuurlijk is, een

roofdier in actu ferociori in eene vechtende, verscheurende en

verslindende houding. Nu, mijnheer, dragen wij dit hoog achtbaar

wapenschild bij open brief of patent, van Frederik Barbarossa, keizer

van Duitschland, aan mijn voorzaat Godmund Bradwardine verleend, daar

het de helmcier is van een reusachtigen Deen, door hem in het Heilige

Land verslagen, en wel in een tweegevecht over een gerezen verschil

omtrent de kuischheid van des keizers echtgenoot of dochter; de

overlevering zegt niet nauwkeurig, welke; en dus gelijk Virgilius

zegt –

Mutemus clypeos Danaumque insignia nobis Aptemus. [40].

Maar wat den beker betreft, kapitein Waverley, deze werd vervaardigd op

last van Sint Duthac, Abt van Aberbrothock, uit dankbaarheid jegens een

anderen Baron van den huize van Bradwardine, die het erfgoed van dat

klooster moedig tegen zekere aanmatigende edelen verdedigd had. De

beker wordt niet ongepast. „de gezegende beer” van Bradwardine genoemd,

schoon de oude doctor Doubleit hem schertsend de Ursa Major placht te

heeten, en, in oude Katholijke tijden, schreef men hem zekere

eigenschappen van een geheimzinnigen en bovennatuurlijken aard toe. En

schoon ik aan zulke anilia [41] niet hecht, zoo is het zeker, dat hij

altijd als een plechtige standaard-beker en erfstuk van onze familie

beschouwd, en nooit dan bij hooge feesten gebruikt is; en daar de komst

van Sir Everards erfgenaam onder mijn dak voor mij zulk een feestdag

is, wijd ik dezen dronk aan het welzijn en den voorspoed van het oude

en hoog te vereeren huis van Waverley.”

Onder deze lange aanspraak, goot hij met alle voorzichtigheid een met

spinrag bezette flesch rooden wijn in den beker, die ongeveer een halve

flesch bevatte; en, na ten slotte de flesch aan den keldermeester te

hebben gegeven, om ze zorgvuldiglijk onder dezelfde helling te houden,

sloeg hij met veel plechtigheid den inhoud „des gezegenden beers van

Bradwardine” naar binnen.

Eduard zag met schrik en ontsteltenis, hoe het dier rondging, en dacht

met groote onrust en angst aan het gepaste motto: „wacht u voor den

beer,” doch gevoelde maar al te wel, dat, daar niemand van de gasten

zwarigheid maakte hem deze buitengewone eer te bewijzen, eene weigering

van zijn kant, om hunne hoffelijkheid te beantwoorden, ten hoogste

kwalijk zou worden opgenomen. Hij besloot zich dus aan dit staaltje van

dwingelandij te onderwerpen, en daarna, zoo mogelijk, de tafel te

verlaten, en op de sterkte van zijn gestel vertrouwende, deed hij het

gezelschap bescheid met den inhoud des bekers, en gevoelde zich minder

bezwaard door den dronk, dan hij zich had kunnen voorstellen. De

overigen, wier tijd beter was waargenomen, begonnen blijken van de

uitwerking van het druivensap te geven: „de goede wijn deed zijne goede

werking.” De eischen der etiquette en de trotschheid op geboorte,

begonnen plaats te maken voor den weldadigen invloed van het

sterrebeeld van den Beer, en de deftige titels, waarmede de drie heeren

elkander tot hiertoe hadden aangesproken, werden nu gemeenzaam tot

Tully, Bally en Killie verkort. Toen ettelijke flesschen geleegd waren,

verzochten de twee laatsten, na met elkander gefluisterd te hebben,

verlof om (eene vroolijke tijding voor Eduard!) en beker van

dankzegging te mogen vragen. Deze werd na eenig uitstel, ten laatste

uitgedronken, en Waverley begreep dat de Bacchanaliën voor dien avond

ten einde waren. Nooit in zijn leven had hij zich sterker vergist.

Daar de gasten hunne paarden in de kleine herberg, of uitspanning, zoo

als het genoemd werd, van het dorp hadden gelaten, kon de Baron, zonder

aan de beleefdheid te kort te doen, niet nalaten de laan met hen op te

wandelen; en Waverley voegde zich uit hetzelfde beginsel en om, na den

verhittenden maaltijd, den koelen zomeravond te genieten, bij het

gezelschap. Maar toen zij bij Luckie Macleary aankwamen, gaven de

heeren van Balmawhapple en Killancureit te kennen, dat zij hunne

dankbaarheid voor de genotene gastvrijheid op Tully-Veolan wenschten te

betuigen, door met hun gastheer en zijn vriend, kapitein Waverley, wat

ze met een technieken term „deoch an doruis” noemden, een glaasje op de

valreep [42] ter eere van des Barons gastvrijheid te gebruiken.

Ik mag niet nalaten op te merken, dat de rentmeester, die bij

ondervinding wist, dat het feest van den dag, hetwelk tot hiertoe op

kosten van zijn patroon had plaats gegrepen, voor een gedeelte op zijn

zak zou kunnen neerkomen, zijn kreupelen grijzen hit beklommen, en half

in de vroolijkheid van zijn hart, half uit vrees van in de rekening

betrokken te worden, het in een harden galop gezet had – aan een draf

viel niet te denken – en alreeds het dorp was uitgereden. De overigen

traden de herberg binnen, terwijl Eduard zich in weerlooze onderwerping

liet medeslepen; want zijn gastheer fluisterde hem toe, dat een

aarzeling bij zulk een voorslag zou beschouwd worden als een zwaar

vergrijp tegen de leges conviviales, de regels van een vroolijk

samenzijn. De weduwe Macleary scheen dit bezoek verwacht te hebben, wat

gemakkelijk kon, want gewoonlijk werden alle vroolijke partijen, niet

alleen op Tully-Veolan, maar ook op de andere heerenhuizen in

Schotland, zestig jaar geleden op deze wijze besloten. De gasten kweten

zich daarbij tevens van hun plicht van dankbaarheid jegens den

gastheer, moedigden het vertier van zijn uitspanning aan, deden eer aan

de plaats, die hun paarden een onderkomen verschafte, en stelden zich

schadeloos voor den door deftige, huiselijke gastvrijheid opgelegden

dwang, door, hetgeen Falstaff het zoetste gedeelte van den nacht noemt

door te brengen, in den ongedwongen omgang, alleen in een kroeg te

vinden.

Dientengevolge had Luckie Macleary, in het blijde vooruitzicht op het

bezoek der aanzienlijke gasten, voor het eerst in veertien dagen haar

huis geveegd, haar turfvuur tot zulk eene warmte gestookt, als het

saizoen, in haar vochtige hut, zelfs midden in den zomer vorderde; hare

houten tafel pas geschuurd, gedekt, den lammen poot er van met een stuk

turf onderschraagd, vier of vijf even lompe, zware stoelen,

gerangschikt zoo als de oneffenheid van haar leemen vloer dit het best

toeliet; en na zich verder met haar wit kapsel, mantelkraag en

scharlaken doek, te hebben getooid, wachtte zij, in de hoop op goede

winst, deftig het gezelschap af. Toen de gasten onder de berookte

daksparren van Luckie Macleary’s dicht met spinraggen prijkend vertrek

gezeten waren, verscheen de waardin, die reeds een wenk van den heer

van Balmawhapple ontvangen had, met een grooten tinnen kan, die ten

minste drie kan bevatte, in de wandeling „de gekuifde kip” genaamd, en

welke, in de taal der waardin, „overliep,” dat is, tot den rand gevuld

was met uitstekenden zoo even getapten rooden wijn.

Het bleek spoedig dat het weinigje verstand, hetwelk de beer niet

verslonden had, door de kip zou worden opgepikt; maar de verwarring die

meer en meer de overhand nam, begunstigde Eduards besluit, om den

vroolijk rondgaanden beker te vermijden. De overigen begonnen druk en

allen te gelijk, te babbelen, terwijl ieder zijn deel in het gesprek

nam, zonder in het minst acht te slaan op zijn buurman. De baron van

Bradwardine zong Fransche chansons-à-boire, en declameerde Latijnsche

versjes; Killancureit sprak over boomsnoeien en ploegen en het scheren

van eenjarige lammeren, en tweejarige schapen, over kalven en koeien en

bunsings en een ingediende wet op de tolhekken, terwijl Balmawhapple,

op hooger nooten dan beiden, pochte op zijn paard, zijn valken en een

jachthond, „de Fluiter” genaamd. Te midden van al dit geraas riep de

Baron bij herhaling om stilte; en toen ten laatste het instinct van

beleefde tucht zoo ver de overhand kreeg, dat hij voor een oogenblik

werd aangehoord, haastte hij zich om hunne oplettendheid te verzoeken

„voor een soldatenlied, en lievelingsstuk van den maarschalk hertog van

Berwick;” en daarop, zoo goed hij kon, de manier en toon van een

Franschen musketier nabootsende, begon hij terstond:

Mon coeur volage, dit elle,

N’est pas pour vous, garçon;

Est pour un homme de guerre,

Qui a barbe au menton,

Lon, Lon, Laridon.

Qui porte chapeau à plume,

Soulier à rouge talon,

Qui joue de la flûte,

Aussi du violon,

Lon, Lon, Laridon.

Balmawhapple kon het niet langer uithouden, maar viel in, met hetgeen

hij een v......d mooi lied noemde, door Gibby Gaethroughwi’t, den

speelman van Cupar opgesteld, en zonder meer, hief hij aan:

Ik trok langs de heide van Glenbarchans heen,

En over het moerige Killibraid veen,

En menigmaal poogde ik, soms uren aaneen,

Het dartele korhoen te vinden [43].

De Baron, wiens stem onder het luidere en meer geruchtmakende

geschreeuw van Balmawhapple verloren ging, gaf den wedstrijd op, maar

ging voort Lon, Lon, Laridon, te neuriën terwijl hij zijn gelukkiger

mededinger, die met de oplettendheid van het gezelschap vereerd was,

met een oog van verachting beschouwde, en Balmawhapple voortging:

En als het dan schichtig zich hief in de lucht,

Dan snapte ik het vaak in zijn rijzende vlucht;

’k Droeg zelden mijn weitasch in ’t veld zonder vrucht:

Niets kon waar ik aanleî me ontsnellen.

Na te vergeefs gepoogd te hebben zich het tweede vers te herinneren,

zong hij het eerste weder over, en verklaarde, onder het voortzetten

van zijn triomf, dat er meer gezond verstand in stak dan in al den

onzin van Frankrijk, en van het graafschap Fife op den koop toe. De

Baron antwoordde alleen met het langzaam nemen van een snuifje en met

een blik van onuitsprekelijke verachting. Maar die edele bondgenooten,

de Beer en de Hen, hadden den landjonker den gewonen eerbied uit het

oog doen verliezen dien hij Bradwardine anders toedroeg. Hij noemde den

wijn bogt, en riep met groot geschreeuw om brandewijn. Deze werd

gebracht, en nu benijdde de duivel der staatkunde zelfs de harmonie,

uit een Poolschen landdag ontstaan, alleen omdat er geen enkele

toornachtige wanklank in de vreemde ineensmelting van geluiden gehoord

werd. Door dezen drank aangehitst vroeg de heer van Balmawhapple, nu

boven alle mogelijke knikken en wenken verheven, waarmede de Baron van

Bradwardine, uit kieschheid jegens Eduard, hem tot hiertoe belet had

zich in staatkundige beschouwingen te verdiepen, met luide stemme een

gevulden beker, terwijl hij den volgenden toast instelde: „aan den

kleinen heer in zwart fluweel, die zoo veel dienst deed in 1702, en

moge de schimmel den nek breken over een molshoop!”

Eduard had op dit oogenblik zijn zinnen niet genoeg bijeen om zich te

herinneren, dat koning Willems val, welke zijn dood veroorzaakte, naar

men zeide veroorzaakt werd door het struikelen van zijn paard over een

molshoop; maar hij voelde zich echter geneigd zich over een dronk te

ergeren, die, naar den blik uit Balmawhapple’s oog te oordeelen, een

bijzonder vijandelijke toespeling scheen te bevatten op het bewind

waaronder hij diende. Maar, eer hij spreken kon, had de baron van

Bradwardine den twist al opgevat. „Mijnheer! welke ook mijn gevoelens,

tanquam privatus, in zulke zaken wezen mogen, ik zal niet dulden, dat

gij iets zegt, dat in staat is een onder mijn dak gehuisvesten edelman

te kwetsen. Mijnheer, zoo gij geen eerbied hebt voor de wetten der

wellevendheid, ontzie dan ten minste den krijgsmanseed, het sacrumentum

militare, waardoor ieder officier verbonden is aan den standaard,

waarop hij den eed heeft afgelegd. Zie bij Titus Livius, wat hij zegt

van die Romeinsche soldaten, welke ongelukkig genoeg waren om exeure

sacramentum, hun legereed te schenden; maar ge zijt onkundig, mijnheer,

zoowel in de oude geschiedenis als in de moderne hoffelijkheid.”

„Niet zoo onkundig als gij wel gelieft te zeggen,” brulde Balmawhapple.

„Ik weet wel, dat gij spreekt van het plechtige Verbond en de

Overeenkomst; maar zoo al de Whigs in de hel dat hadden wat...”

Hier spraken de Baron en Waverley beide te gelijk, terwijl de eerste

uitriep: „zwijg, mijnheer! Gij legt niet alleen uwe onwetendheid aan

den dag, maar onteert uw vaderland in het bijzijn van een vreemdeling

en een Engelschman.” Waverley van zijn kant verzocht op hetzelfde

oogenblik den heer Bradwardine verlof, om zelf eene beleediging te

wreken, die hem persoonlijk gold. Maar de Baron was door wijn, toorn en

minachting boven alle ondermaansche bedenkingen verheven.

„Kapitein Waverley, ik bid u, houd u toch stil; gij zijt elders,

misschien, sui juris, – uw eigen meester, wil ik zeggen en bevoegd,

naar ik vooronderstel, voor u zelven te denken en te spreken; maar op

mijn grondgebied, in deze geringe baronie van Bradwardine, en onder dit

dak, dat quasi het mijne is, daar het van mij afhangt wie daaronder

gehuisvest zal zijn, sta ik bij u in loco parentis en ben verplicht te

zorgen, dat u geen onheil overkome. En wat u betreft, mijnheer Falconer

van Balmawhapple, ik waarschuw u, laat mij niet meer merken dat gij de

wegen der wellevendheid overtreedt.”

„En ik zeg u, mijnheer Cosmo Comyne Bradwardine van Bradwardine en

Tully-Veolan,” hernam de jager, met innige verontwaardiging, „dat ik

iedereen dood zal schieten, die mijn toast weigert, laat hem een

Engelsche Whig zijn, met een zwart lintje om den hals, of een

overlooper die zijn eigene vrienden verlaat, om gunst te zoeken bij de

ratten van Hannover.”

In een oogenblik waren de beide degens ontbloot, en eenige wanhopige

stooten gewisseld. Balmawhapple was jong, stout en vlug; maar de Baron,

zijn wapen oneindig meer meester, zou weldra den genadestoot hebben

gegeven, als hij niet te veel onder den invloed van den Grooten Beer

had gestaan.

Eduard sprong vooruit om de beide strijders te scheiden, maar

struikelde en viel over het lichaam van den heer van Killancureit, die

lang uit op den grond lag. Hoe Killancureit, op zulk een kritiek

oogenblik, in deze liggende houding kwam, is nooit juist bekend

geworden. Sommigen dachten dat bij bezig was met zich onder de tafel te

verschuilen; hij zelf beweerde dat hij struikelde, terwijl hij een

dicht bijstaande stoel greep, om een ongeluk te voorkomen, door

Balmawhapple daarmede neêr te vellen. Hoe dit ook zij, indien geen

vlugger hulp dan de zijne, of die van Waverley, tusschenbeide gekomen

was, zou er zeker bloed zijn gestort. Maar het welbekende

zwaardengekletter, dat niets vreemds was in hare woning, joeg Luckie

Macleary op, die gerust buiten den aarden muur der stulp gezeten was,

verdiept in het opmaken van de rekening, ofschoon haar oogen

voortdurend op een vroom tractaat op haar schoot, gevestigd waren. Zij

stortte moedig binnen, onder het uitgillen van: „Waarom moeten toch de

heeren elkaâr hier doodslaan, en het huis van een eerlijke weduw

schande aandoen? Is er dan in het open veld geen gelegenheid om te

vechten?” een vertoog, dat ze ondersteunde door haar doek met groote

behendigheid over de degens der vechtenden te werpen. Middelerwijl

stormden de bedienden binnen, en daar deze toevallig tamelijk nuchter

waren, gelukte het hun, met behulp van Eduard en Killancureit, de

verwoede strijders te scheiden. Laatstgenoemde voerde Balmawhapple weg,

wraak zwerende tegen iederen Whig, Presbyteriaan en dweeper in Engeland

en Schotland, van John o’Groat’s af tot aan Kaap Lands Einde [44] toe,

en het was slechts met vele moeite dat hij eindelijk op zijn paard

gezet werd.

Met den bijstand van Saunder Saunderson, geleidde onze held den baron

van Bradwardine naar zijn woning, maar kon niet van hem verkrijgen naar

bed te gaan, voor en aleer hij een lange en geleerde redevoering had

gehouden over hetgeen dien avond was voorgevallen, waarvan echter niets

verstaanbaar was, behalve iets over de Centauren en de Lapithen.

Waverley(#75933) · 第 26 / 156 题