EEN SCHOTSCH HEEREN-HUIS, ZESTIG JAAR GELEDEN.

Het was omstreeks den middag, dat kapitein Waverley het wijd uit elkaar

gebouwde dorp, of liever gehucht, van Tully-Veolan binnenreed, in welks

nabijheid het huis van den heer der plaats gelegen was. De woningen

zagen er jammerlijk uit, inzonderheid voor hem, die aan de bevallige

netheid der Engelsche boerderijen gewoon was. Zonder dat er eenigen

regel bij in acht genomen was, stonden ze aan weerszijde van een soort

van slingerenden oneffen weg, waar kinderen, bijna in den

oorspronkelijken staat van naaktheid, lagen te spartelen, als om door

de hoeven van het eerste het beste voorbijkomende paard vertrapt te

worden. Nu en dan, wel is waar, wanneer zulk eene gebeurtenis

onvermijdelijk scheen, schoot een grootje, dat het oog op hen hield,

met haar kap, spinrokken en klos te voorschijn, stormde, als een

bezetene, een der ellendige hutten uit, en wierp zich midden op den

weg, terwijl ze uit den hoop van door de zon verbrande bengels den

haren oppakte, hem met een duchtigen stomp begroette en in haar hol

terugbracht, gedurende welken tijd het witharige knaapje uit al zijne

macht schreeuwde en een gillenden tremolo aanhief, tot accompagnement

van de grommende bestraffingen van het verwoede wijf. Eene andere

partij van dit concert werd uitgevoerd door een twintigtal nut- en

werkelooze honden, die onophoudelijk knorrende, blaffende en huilende

de paarden vervolgden en aanvlogen; een overlast te dien tijd in

Schotland zoo algemeen, dat een Fransch tourist, die, even als andere

reizigers, een goeden en redelijken grond voor alles wat hij opmerkte

wenschte te vinden, als een der merkwaardigheden in Schotland heeft

opgeteekend, dat de Staat in ieder dorp een troep honden er op nahield,

die dienen moesten om de chevaux de poste (te uitgehongerd en uitgeput,

om zonder zulk een prikkel aan den gang gehouden te worden) van het

eene dorp naar het andere te jagen, tot het volgende station. De kwaal

en het middel (hoe het ook zij) bestaan nog. Maar dit ligt buiten ons

tegenwoordig bestek, en werd alleen aangehaald ten gevalle der

inzamelaars van belasting, het gevolg van des heeren Dent’s „Wet op het

houden van honden.”

Naarmate Waverley voortreed, strompelde hier en daar een oud man,

evenzeer door arbeid als door jaren gebukt, met oogen rood van ouderdom

en rook, naar de deur van zijn hut, om de kleeding van den vreemdeling,

en den gang zijner paarden aan te gapen, en verzamelde zich dan met

zijn buren in een groep bij de smidse, om de waarschijnlijkheid te

bespreken, van waar de reiziger kwam en waarheen hij ging. Drie of vier

dorpsmeisjes, die van de bron of de beek terugkeerden met emmers en

kruiken op hare hoofden, leverden een aangenamer tafereel op, en

herinnerden, met hare dunne, korte rokken, haar bloote armen, beenen en

voeten, ongedekte hoofden en gevlochten haar, eenigszins aan de vrouwen

die een Italiaansch landschap opluisteren. Ook kon geen liefhebber van

het schilderachtige, iets afdingen op de bevalligheid van haar

kleeding, noch de evenredigheid van haar gestalte, ofschoon, om de

waarheid te zeggen, een Engelschman, naar het comfortable zoekende, een

woord aan zijne vaderlandsche taal bijzonder eigen, de kleederen minder

schamel, de voeten en beenen wat meer gedekt tegen het weder, en hoofd

en aangezicht tegen de zon beschermd gewenscht, of zelfs gedacht zou

hebben, dat de geheele persoon en kleeding aanmerkelijk winnen konden

door een ruime toediening van bronwater, benevens de benoodigde

hoeveelheid zeep. Het tooneel in het algemeen was niet opwekkend, want

het getuigde op het eerste gezicht, zeker van gebrek aan industrie, en

misschien aan verstandelijke ontwikkeling. Zelfs de nieuwsgierigheid,

de vurigste hartstocht van den ledigganger, scheen in het dorp

Tully-Veolan in een staat van lusteloosheid te verkeeren; – alleen de

straksgenoemde rekels legden in dit opzicht eenige bedrijvigheid aan

den dag; maar bij de dorpelingen was alles lijdelijk. Ze stonden den

knappen jongen Officier en zijn knecht na te gapen, maar zonder dat ze

door de levendige bewegingen en begeerige blikken de zucht verrieden,

waarmede zij, die te huis aan een eentoonig gemakkelijk leven gewoon

zijn, daar buiten naar vermaak uitzien. En toch lag er in het uitzicht

van het volk, meer van nabij bekeken, alles behalve onverschilligheid

of stompheid; hunne trekken waren ruw, maar opmerkelijk schrander;

ernstig, maar niet dof; en onder de jonge vrouwen of meisjes, zou een

kunstenaar meer dan éen model hebben kunnen kiezen, in gelaatstrekken

en vorm voor eene Minerva. Desgelijks hadden de kinderen, wier huid

zwart gebrand en wier haar wit gebleekt was, een levendigen en

belangstellenden blik. Het scheen over het algemeen, als of armoede, en

luiheid, haar maar al te getrouwe gezellin, zich vereenigden, om den

aangeboren aanleg en de verkregen kundigheden van een krachtigen,

schranderen en nadenkenden boerenstand te onderdrukken.

Dergelijke gedachten doorkruisten het hoofd van Waverley, terwijl hij

zijn paard langzaam door de oneffene met steenen bezaaide straat van

Tully-Veolan liet stappen, in zijn bespiegelingen slechts gestoord door

de kromme sprongen, waartoe zijn ros herhaaldelijk gedreven werd door

de aanvallen van die jankende kozakken, – de voornoemde keffers. Het

dorp was omtrent een kwartier gaans lang; want de onregelmatig

verspreid liggende woningen waren door tuinen, of „erven,” gelijk de

inwoners ze noemden, van elkander gescheiden, waarin, want het is

zestig jaar geleden, de nu algemeene aardappel onbekend was, maar die

bepoot waren met reusachtige koolplanten, omringd door heggen van

brandnetels, waartusschen hier en daar een hoog opgeschoten

dolle-kervel-steng of de nationale distel, die een deel der geringe

omtuining overschaduwden wiessen. De ongelijke grond, waarop het dorp

gebouwd was, was nooit geëffend: zoodat deze omheinde veldjes hellingen

van allerlei steilte opleverden, hier rijzende als terrassen, daar

weder diep dalende als looierskuilen. De steenen muren, welke deze

hangende tuinen van Tully-Veolan beschutten, of schenen te beschutten,

want ze waren vol gaten, waren gescheiden door een nauwen-gang, die

naar de gemeente-weide heenvoerde, waar door den gemeenschappelijken

arbeid der dorpelingen strooken rogge, haver, garst en boonen gekweekt

werden, elk van zulk eene geringe uitgestrektheid, dat de wonderlijke

verscheidenheid der oppervlakte op een geringen afstand, op het

stalenboek van een kleermaker geleek. Het was eene gunstige

uitzondering, zoo hier of daar achter de hut een ellendig afdak

gevonden werd, uit aarde, losse steenen en zoden bijeengebracht, waar

de vermogende een uitgehongerde koe of een kreupel paard kon stallen.

Maar bijna iedere hut was van voren beschut door een grooten, zwarten

hoop turf aan de eene zijde van de deur, terwijl aan de andere de

mesthoop zich in edelen naijver verhief.

Op een afstand van nog geen tweehonderd el van het einde des dorps

ontwaarde men de omheiningen, met vrij wat ophef de parken van

Tully-Veolan genaamd. Ze bestonden uit eenige vierkante velden, omringd

en afgescheiden door steenen muren ter hoogte van vijf voet. In het

midden der buitenste omheining was de groote poort, bestaande uit een

boog met kanteelwerk van boven, en versierd met twee verweerde en

verminkte steenbrokken, welke, indien men aan de dorpsoverlevering

geloof mag slaan, eens twee staande beeren, het familiewapen van

Bradwardine verbeeld hadden, of althans hadden moeten verbeelden. De

rijweg achter de poort was recht en tamelijk lang; hij liep tusschen

een dubbele rij zeer oude wilde kastanjes, om den anderen afgewisseld

door ahornboomen, welke tot zulk eene verbazende hoogte waren

opgeschoten, en zoo weelderig groeiden, dat hunne takken boven den

breeden weg een dicht gewelf vormden. Achter dit eerwaardig geboomte,

en daarmede evenwijdig, bevonden zich twee hooge schijnbaar even oude

muren, met klimop, kamperfoelie en andere soortgelijke gewassen

begroeid. De laan scheen zeer weinig begaan, en dan nog alleen door

voetgangers; zoodat, daar ze zeer breed en aanhoudend beschaduwd was,

ze met dik en welig gras was begroeid, uitgezonderd waar een pad, door

enkele voetgangers gebezigd, den weg van de buiten naar de binnenpoort

aanwees. Deze ingang bevond zich, even als de voorgaande, in het front

van een muur, met eenig ruw beeldhouwwerk, en van boven met kanteelwerk

versierd, waaroverheen de door het geboomte van de laan half

verborgene, hooge, steile daken en smalle trap gevels van het

heerenhuis uitstaken, en de hoeken met kleine torentjes voorzien waren.

Een der groote deuren van deze poort was open, en daar de zon haar

volle licht op het plein naar binnen wierp, drong een lange,

schitterende straal door de opening in de donkere lommerrijke laan. Dit

leverde een dier effecten op, welke de schilders zoo gaarne wedergeven,

en het schitterende licht vermengde zich bevallig met de schemering,

die zich een weg door de dichte takken baande, welke de breede, groene

laan overwelfden.

De eenzaamheid en stilte van het geheele tooneel hadden iets

kloosterachtigs: en Waverley, die zijn paard aan zijn knecht bij het

binnenkomen der eerste poort gegeven had, wandelde de rijlaan zachtkens

af, terwijl hij de aangename en koele schaduw genoot, en zóo ingenomen

was met de vreedzame denkbeelden van rust en afzondering, die dit

stille tooneel opwekten, dat hij de ellende en de morsigheid van het

pas verlaten dorp vergat. Het binnenste van het geplaveide binnenplein

stemde met het overige van het tooneel overeen. Het huis, dat uit twee

of drie smalle, hooge gebouwen, met steile regthoekig van elkander

uitgaande daken, scheen te bestaan, maakte de eene zijde der

binnenplaats uit. Het was gebouwd in een tijd, toen er geen kasteelen

meer noodig waren, en de Schotsche architectuur de kunst nog niet

verstond om een gezellig verblijf te ontwerpen. De vensters waren

talloos, maar zeer klein: het dak was met rondloopende kanteelen

voorzien en op elken hoek verhief zich een torentje, dat eer naar een

peperbus dan naar een Gothischen wachttoren geleek. Nogtans getuigde

het front geenszins eene volkomene gerustheid in tijden van gevaar. Er

waren schietgaten voor geweren, en ijzeren traliën vóor de onderste

ramen, waarschijnlijk om de zwervende benden van heidenen te verjagen,

of weerstand te bieden aan een stroopend bezoek van de veedieven uit de

naburige Hooglanden. Stallen en andere bergplaatsen besloegen de

overzijde van het vierkant. De eerste waren lage gewelven, met nauwe

spleten, in plaats van vensters, volgens eene opmerking van Eduard’s

bediende, „eer gelijkende op een gevangenis voor moordenaren, dieven,

en soortgelijke boosdoeners, dan op eene plaats voor Christenvee.”

Boven deze kerkerachtige stallen waren korenzolders, en andere

bewaarplaatsen, die men langs een buitentrap van lomp metselwerk

bereiken kon. Twee muren met kanteelen, waarvan een aan den kant der

oprijlaan, en de ander het binnenplein van den tuin scheidde,

voltooiden de afsluiting.

Ook deze plaats had hare sieraden. In een hoek stond een lompe, ronde

duiventil, in omvang en lompheid op het merkwaardige gesticht,

Arthursoven geheeten, gelijkende, dat de hoofden van alle

oudheidkenners in Engeland in de war zou hebben gebracht, zoo niet de

waardige eigenaar er van het gedenkteeken tot herstelling van een

bijgelegen dijk, had afgebroken. Deze duiventil, of columbarium, zoo

als de eigenaar ze noemde, had geene geringe waarde voor een Schotschen

land-edelman van dezen tijd, wiens schamele inkomsten vermeerderd

werden door de heffingen, welke deze vlugge fourageurs op de

boerderijen legden, en door de conscriptie onder hen ten behoeve van

zijn tafel geheven.

In een anderen hoek was eene fontein, waar een verbazend groote beer,

in steen uitgehouwen, voor een ontzaglijke steenen kom stond, waarin

hij het water door zijn muil ontlastte. Dit kunststuk wekte de

bewondering der landstreek, tien mijlen in het rond op. Ik moet niet

vergeten, dat allerlei soort van beeren, klein en groot, half of

geheel, uitgehouwen waren boven de ramen, op de gevels aan het uiteinde

der goten en de torentjes ondersteunende, met het oude familiemotto,

„Wacht u voor den beer,” dat onder elk dezer dieren te lezen stond. De

plaats was ruim, wèl bestraat en zindelijk, daar er waarschijnlijk nog

een ingang achter de stallen was, om de mest weg te ruimen. Alles in

het rond had iets verlatens en zou, zonder het aanhoudende plassen der

fontein, dood stil zijn geweest, terwijl het gansche tooneel wel

geschikt scheen om aan Waverley’s verbeelding het denkbeeld van een

klooster op te dringen. – Doch hier vragen wij verlof tot het sluiten

van een hoofdstuk, waarin niets dan stil leven geschilderd werd. [30]

Waverley(#75933) · 第 20 / 156 题