Het was omstreeks den middag, dat kapitein Waverley het wijd uit elkaar
gebouwde dorp, of liever gehucht, van Tully-Veolan binnenreed, in welks
nabijheid het huis van den heer der plaats gelegen was. De woningen
zagen er jammerlijk uit, inzonderheid voor hem, die aan de bevallige
netheid der Engelsche boerderijen gewoon was. Zonder dat er eenigen
regel bij in acht genomen was, stonden ze aan weerszijde van een soort
van slingerenden oneffen weg, waar kinderen, bijna in den
oorspronkelijken staat van naaktheid, lagen te spartelen, als om door
de hoeven van het eerste het beste voorbijkomende paard vertrapt te
worden. Nu en dan, wel is waar, wanneer zulk eene gebeurtenis
onvermijdelijk scheen, schoot een grootje, dat het oog op hen hield,
met haar kap, spinrokken en klos te voorschijn, stormde, als een
bezetene, een der ellendige hutten uit, en wierp zich midden op den
weg, terwijl ze uit den hoop van door de zon verbrande bengels den
haren oppakte, hem met een duchtigen stomp begroette en in haar hol
terugbracht, gedurende welken tijd het witharige knaapje uit al zijne
macht schreeuwde en een gillenden tremolo aanhief, tot accompagnement
van de grommende bestraffingen van het verwoede wijf. Eene andere
partij van dit concert werd uitgevoerd door een twintigtal nut- en
werkelooze honden, die onophoudelijk knorrende, blaffende en huilende
de paarden vervolgden en aanvlogen; een overlast te dien tijd in
Schotland zoo algemeen, dat een Fransch tourist, die, even als andere
reizigers, een goeden en redelijken grond voor alles wat hij opmerkte
wenschte te vinden, als een der merkwaardigheden in Schotland heeft
opgeteekend, dat de Staat in ieder dorp een troep honden er op nahield,
die dienen moesten om de chevaux de poste (te uitgehongerd en uitgeput,
om zonder zulk een prikkel aan den gang gehouden te worden) van het
eene dorp naar het andere te jagen, tot het volgende station. De kwaal
en het middel (hoe het ook zij) bestaan nog. Maar dit ligt buiten ons
tegenwoordig bestek, en werd alleen aangehaald ten gevalle der
inzamelaars van belasting, het gevolg van des heeren Dent’s „Wet op het
houden van honden.”
Naarmate Waverley voortreed, strompelde hier en daar een oud man,
evenzeer door arbeid als door jaren gebukt, met oogen rood van ouderdom
en rook, naar de deur van zijn hut, om de kleeding van den vreemdeling,
en den gang zijner paarden aan te gapen, en verzamelde zich dan met
zijn buren in een groep bij de smidse, om de waarschijnlijkheid te
bespreken, van waar de reiziger kwam en waarheen hij ging. Drie of vier
dorpsmeisjes, die van de bron of de beek terugkeerden met emmers en
kruiken op hare hoofden, leverden een aangenamer tafereel op, en
herinnerden, met hare dunne, korte rokken, haar bloote armen, beenen en
voeten, ongedekte hoofden en gevlochten haar, eenigszins aan de vrouwen
die een Italiaansch landschap opluisteren. Ook kon geen liefhebber van
het schilderachtige, iets afdingen op de bevalligheid van haar
kleeding, noch de evenredigheid van haar gestalte, ofschoon, om de
waarheid te zeggen, een Engelschman, naar het comfortable zoekende, een
woord aan zijne vaderlandsche taal bijzonder eigen, de kleederen minder
schamel, de voeten en beenen wat meer gedekt tegen het weder, en hoofd
en aangezicht tegen de zon beschermd gewenscht, of zelfs gedacht zou
hebben, dat de geheele persoon en kleeding aanmerkelijk winnen konden
door een ruime toediening van bronwater, benevens de benoodigde
hoeveelheid zeep. Het tooneel in het algemeen was niet opwekkend, want
het getuigde op het eerste gezicht, zeker van gebrek aan industrie, en
misschien aan verstandelijke ontwikkeling. Zelfs de nieuwsgierigheid,
de vurigste hartstocht van den ledigganger, scheen in het dorp
Tully-Veolan in een staat van lusteloosheid te verkeeren; – alleen de
straksgenoemde rekels legden in dit opzicht eenige bedrijvigheid aan
den dag; maar bij de dorpelingen was alles lijdelijk. Ze stonden den
knappen jongen Officier en zijn knecht na te gapen, maar zonder dat ze
door de levendige bewegingen en begeerige blikken de zucht verrieden,
waarmede zij, die te huis aan een eentoonig gemakkelijk leven gewoon
zijn, daar buiten naar vermaak uitzien. En toch lag er in het uitzicht
van het volk, meer van nabij bekeken, alles behalve onverschilligheid
of stompheid; hunne trekken waren ruw, maar opmerkelijk schrander;
ernstig, maar niet dof; en onder de jonge vrouwen of meisjes, zou een
kunstenaar meer dan éen model hebben kunnen kiezen, in gelaatstrekken
en vorm voor eene Minerva. Desgelijks hadden de kinderen, wier huid
zwart gebrand en wier haar wit gebleekt was, een levendigen en
belangstellenden blik. Het scheen over het algemeen, als of armoede, en
luiheid, haar maar al te getrouwe gezellin, zich vereenigden, om den
aangeboren aanleg en de verkregen kundigheden van een krachtigen,
schranderen en nadenkenden boerenstand te onderdrukken.
Dergelijke gedachten doorkruisten het hoofd van Waverley, terwijl hij
zijn paard langzaam door de oneffene met steenen bezaaide straat van
Tully-Veolan liet stappen, in zijn bespiegelingen slechts gestoord door
de kromme sprongen, waartoe zijn ros herhaaldelijk gedreven werd door
de aanvallen van die jankende kozakken, – de voornoemde keffers. Het
dorp was omtrent een kwartier gaans lang; want de onregelmatig
verspreid liggende woningen waren door tuinen, of „erven,” gelijk de
inwoners ze noemden, van elkander gescheiden, waarin, want het is
zestig jaar geleden, de nu algemeene aardappel onbekend was, maar die
bepoot waren met reusachtige koolplanten, omringd door heggen van
brandnetels, waartusschen hier en daar een hoog opgeschoten
dolle-kervel-steng of de nationale distel, die een deel der geringe
omtuining overschaduwden wiessen. De ongelijke grond, waarop het dorp
gebouwd was, was nooit geëffend: zoodat deze omheinde veldjes hellingen
van allerlei steilte opleverden, hier rijzende als terrassen, daar
weder diep dalende als looierskuilen. De steenen muren, welke deze
hangende tuinen van Tully-Veolan beschutten, of schenen te beschutten,
want ze waren vol gaten, waren gescheiden door een nauwen-gang, die
naar de gemeente-weide heenvoerde, waar door den gemeenschappelijken
arbeid der dorpelingen strooken rogge, haver, garst en boonen gekweekt
werden, elk van zulk eene geringe uitgestrektheid, dat de wonderlijke
verscheidenheid der oppervlakte op een geringen afstand, op het
stalenboek van een kleermaker geleek. Het was eene gunstige
uitzondering, zoo hier of daar achter de hut een ellendig afdak
gevonden werd, uit aarde, losse steenen en zoden bijeengebracht, waar
de vermogende een uitgehongerde koe of een kreupel paard kon stallen.
Maar bijna iedere hut was van voren beschut door een grooten, zwarten
hoop turf aan de eene zijde van de deur, terwijl aan de andere de
mesthoop zich in edelen naijver verhief.
Op een afstand van nog geen tweehonderd el van het einde des dorps
ontwaarde men de omheiningen, met vrij wat ophef de parken van
Tully-Veolan genaamd. Ze bestonden uit eenige vierkante velden, omringd
en afgescheiden door steenen muren ter hoogte van vijf voet. In het
midden der buitenste omheining was de groote poort, bestaande uit een
boog met kanteelwerk van boven, en versierd met twee verweerde en
verminkte steenbrokken, welke, indien men aan de dorpsoverlevering
geloof mag slaan, eens twee staande beeren, het familiewapen van
Bradwardine verbeeld hadden, of althans hadden moeten verbeelden. De
rijweg achter de poort was recht en tamelijk lang; hij liep tusschen
een dubbele rij zeer oude wilde kastanjes, om den anderen afgewisseld
door ahornboomen, welke tot zulk eene verbazende hoogte waren
opgeschoten, en zoo weelderig groeiden, dat hunne takken boven den
breeden weg een dicht gewelf vormden. Achter dit eerwaardig geboomte,
en daarmede evenwijdig, bevonden zich twee hooge schijnbaar even oude
muren, met klimop, kamperfoelie en andere soortgelijke gewassen
begroeid. De laan scheen zeer weinig begaan, en dan nog alleen door
voetgangers; zoodat, daar ze zeer breed en aanhoudend beschaduwd was,
ze met dik en welig gras was begroeid, uitgezonderd waar een pad, door
enkele voetgangers gebezigd, den weg van de buiten naar de binnenpoort
aanwees. Deze ingang bevond zich, even als de voorgaande, in het front
van een muur, met eenig ruw beeldhouwwerk, en van boven met kanteelwerk
versierd, waaroverheen de door het geboomte van de laan half
verborgene, hooge, steile daken en smalle trap gevels van het
heerenhuis uitstaken, en de hoeken met kleine torentjes voorzien waren.
Een der groote deuren van deze poort was open, en daar de zon haar
volle licht op het plein naar binnen wierp, drong een lange,
schitterende straal door de opening in de donkere lommerrijke laan. Dit
leverde een dier effecten op, welke de schilders zoo gaarne wedergeven,
en het schitterende licht vermengde zich bevallig met de schemering,
die zich een weg door de dichte takken baande, welke de breede, groene
laan overwelfden.
De eenzaamheid en stilte van het geheele tooneel hadden iets
kloosterachtigs: en Waverley, die zijn paard aan zijn knecht bij het
binnenkomen der eerste poort gegeven had, wandelde de rijlaan zachtkens
af, terwijl hij de aangename en koele schaduw genoot, en zóo ingenomen
was met de vreedzame denkbeelden van rust en afzondering, die dit
stille tooneel opwekten, dat hij de ellende en de morsigheid van het
pas verlaten dorp vergat. Het binnenste van het geplaveide binnenplein
stemde met het overige van het tooneel overeen. Het huis, dat uit twee
of drie smalle, hooge gebouwen, met steile regthoekig van elkander
uitgaande daken, scheen te bestaan, maakte de eene zijde der
binnenplaats uit. Het was gebouwd in een tijd, toen er geen kasteelen
meer noodig waren, en de Schotsche architectuur de kunst nog niet
verstond om een gezellig verblijf te ontwerpen. De vensters waren
talloos, maar zeer klein: het dak was met rondloopende kanteelen
voorzien en op elken hoek verhief zich een torentje, dat eer naar een
peperbus dan naar een Gothischen wachttoren geleek. Nogtans getuigde
het front geenszins eene volkomene gerustheid in tijden van gevaar. Er
waren schietgaten voor geweren, en ijzeren traliën vóor de onderste
ramen, waarschijnlijk om de zwervende benden van heidenen te verjagen,
of weerstand te bieden aan een stroopend bezoek van de veedieven uit de
naburige Hooglanden. Stallen en andere bergplaatsen besloegen de
overzijde van het vierkant. De eerste waren lage gewelven, met nauwe
spleten, in plaats van vensters, volgens eene opmerking van Eduard’s
bediende, „eer gelijkende op een gevangenis voor moordenaren, dieven,
en soortgelijke boosdoeners, dan op eene plaats voor Christenvee.”
Boven deze kerkerachtige stallen waren korenzolders, en andere
bewaarplaatsen, die men langs een buitentrap van lomp metselwerk
bereiken kon. Twee muren met kanteelen, waarvan een aan den kant der
oprijlaan, en de ander het binnenplein van den tuin scheidde,
voltooiden de afsluiting.
Ook deze plaats had hare sieraden. In een hoek stond een lompe, ronde
duiventil, in omvang en lompheid op het merkwaardige gesticht,
Arthursoven geheeten, gelijkende, dat de hoofden van alle
oudheidkenners in Engeland in de war zou hebben gebracht, zoo niet de
waardige eigenaar er van het gedenkteeken tot herstelling van een
bijgelegen dijk, had afgebroken. Deze duiventil, of columbarium, zoo
als de eigenaar ze noemde, had geene geringe waarde voor een Schotschen
land-edelman van dezen tijd, wiens schamele inkomsten vermeerderd
werden door de heffingen, welke deze vlugge fourageurs op de
boerderijen legden, en door de conscriptie onder hen ten behoeve van
zijn tafel geheven.
In een anderen hoek was eene fontein, waar een verbazend groote beer,
in steen uitgehouwen, voor een ontzaglijke steenen kom stond, waarin
hij het water door zijn muil ontlastte. Dit kunststuk wekte de
bewondering der landstreek, tien mijlen in het rond op. Ik moet niet
vergeten, dat allerlei soort van beeren, klein en groot, half of
geheel, uitgehouwen waren boven de ramen, op de gevels aan het uiteinde
der goten en de torentjes ondersteunende, met het oude familiemotto,
„Wacht u voor den beer,” dat onder elk dezer dieren te lezen stond. De
plaats was ruim, wèl bestraat en zindelijk, daar er waarschijnlijk nog
een ingang achter de stallen was, om de mest weg te ruimen. Alles in
het rond had iets verlatens en zou, zonder het aanhoudende plassen der
fontein, dood stil zijn geweest, terwijl het gansche tooneel wel
geschikt scheen om aan Waverley’s verbeelding het denkbeeld van een
klooster op te dringen. – Doch hier vragen wij verlof tot het sluiten
van een hoofdstuk, waarin niets dan stil leven geschilderd werd. [30]