EEN GARNIZOEN IN SCHOTLAND.

Onder verschillende aandoeningen, waarvan de voornaamste was een

algemeen beklemmend en tevens plechtig gevoel, dat hij op het punt

stond om nu grootendeels aan zijn eigen beheer en leiding te worden

overgelaten, verliet Waverley den volgenden morgen het kasteel, te

midden der zegenwenschen en tranen van al de oude bedienden en inwoners

van het dorp, vermengd met een of ander bescheiden verzoekje, om

sergeants- en korporaals-strepen, enz. van hen, die betuigden dat zij

er nooit aan gedacht zouden hebben Jacob, Gillis en Jonathan soldaat te

laten worden, tenzij om, volgens hun plicht, hunnen jongenheer te

vergezellen. Volgens Eduards plicht, maakte hij zich van die beden af

met minder beloften, dan men ligt van een jonkman van zoo weinig

wereldkennis zou hebben verwacht. Na een kort bezoek te Londen reisde

hij te paard, destijds het algemeen gebruik, naar Edinburgh, en vandaar

naar Dundee, een zeehaven aan de oostkust van Angus, waar zijn regiment

in garnizoen lag.

Thans trad hij een nieuwe wereld in, waar hem een tijdlang alles mooi

toescheen, omdat het nieuw was. Kolonel Gardiner, de bevelvoerende

officier was zelf een studie voor een romanesk en tevens nadenkend

jongeling. Hij was rank, knap en vlug, ofschoon niet meer jeugdig. In

zijn jonge jaren was hij, wat men, verzachtender wijze, een pretmaker

noemt, geweest; en er waren zonderlinge verhalen in omloop omtrent zijn

plotselinge bekeering van twijfelzucht, zoo niet van ongeloof, tot eene

ernstige en zelfs geestdrijvende stemming. Men fluisterde elkander in

het oor, dat een bovennatuurlijke invloed, die zelfs voor de zinnen was

waar te nemen geweest, dezen wonderbaarlijken ommekeer had te weeg

gebracht, en schoon sommigen den nieuwbekeerden een dweeper noemden,

dacht er niemand aan, hem voor een huichelaar te houden. Deze vreemde

en geheimzinnige omstandigheid verleende den kolonel Gardiner iets

bijzonder indrukmakends in het oog des jongen krijgsmans. [28] En men

mag met grond veronderstellen, dat onder de officieren van een

regiment, door zulk een achtbaren man aangevoerd, een bedaarder en

ordelijker geest heerschte, dan gewoonlijk; en dat Waverley daardoor

aan menige verzoeking ontkwam, waaraan hij anders zou hebben

blootgestaan.

Intusschen werd zijn opvoeding als krijgsman voortgezet. Daar hij reeds

goed te paard zat, werd hij ingewijd in de kunsten der hoogere

rijschool, die, tot volkomenheid gebracht, de fabel van den Centaurus

bijna verwezenlijken, daar het besturen van het paard veeleer alleen

van des rijders wil schijnt af te hangen dan van eenig uitwendig teeken

of beweging. Desgelijks ontving hij onderwijs in den velddienst. Maar

ik moet bekennen, dat, na het bekoelen van het eerste vuur, zijne

vorderingen, wat het laatste betreft, niet zoo waren, als hij gewenscht

en verwacht had. Het beroep van officier, het eerbiedwekkendste van

allen voor een onervaren ziel, omdat het met zooveel uiterlijke pracht

gepaard gaat, is in den grond iets zeer droogs en afgetrokkens, daar

het hoofdzakelijk op rekenkunstige verbindingen berust, die veel

oplettendheid vorderen, benevens een koel en beredeneerd hoofd, om ze

in werking te brengen. Onze held was onderworpen aan aanvallen van

verstrooidheid, bij welke gelegenheid zijn misslagen gelach, ja

somtijds berisping uitlokten. Dit gaf hem een pijnlijk gevoel van

minderheid in die hoedanigheden, welke bij oudgedienden van groote

waarde schenen en door hen het meest geëerbiedigd werden. Hij vroeg

zich zelven te vergeefs, waarom zijn oog niet even goed over afstand en

ruimte kon oordeelen, als dat van dezen en genen zijner makkers; waarom

zijn hoofd niet altijd slaagde in het ontwarren der verschillende

afzonderlijke bewegingen, tot het uitvoeren van een bepaalde

verrichting vereischt; en waarom zijn geheugen, in de meeste gevallen

zoo vlug, de kunsttermen en kleinere punten van etiquette, of

krijgstucht, niet nauwkeurig wist te onthouden. Waverley was zedig van

aard, en verviel dus niet tot den groven misslag van te denken, dat

zulke kleinigheden van de dienst zijn aandacht niet verdienden, of zich

te verbeelden, dat hij voor generaal in de wieg gelegd was, omdat hij

slechts een zeer middelmatig ondergeschikt krijgsman was. De waarheid

was, dat de ongeregelde en vluchtige wijze van lezen, die hij gevolgd

had, op zijn tot afzondering en mijmering overhellenden aard, haar

invloed uitoefende, en hem die weifelende neiging had medegedeeld,

welke in volslagen strijd is met eigenlijke studie en gestadige

oplettendheid. Inmiddels was hij geweldig met zijn tijd verlegen. De

adel uit de nabuurschap was ongunstig voor de regeering gestemd, en

betoonde den militairen bezoekers weinig gastvrijheid; en de

stedelingen, die hoofdzakelijk in den handel hunne bezigheden vonden,

waren geen lieden, met wie Waverley wenschte in betrekking te komen.

Het begin van den zomer, en het verlangen om iets meer van Schotland te

leeren kennen, dan hij op een wandelrid kon waarnemen, brachten hem er

toe voor eenige weken verlof te vragen. Hij besloot eerst den ouden

vriend en correspondent van zijn oom te bezoeken, met het oogmerk om

den tijd van zijn verblijf naar gelang der omstandigheden te verlengen

of te bekorten. Hij reisde natuurlijk te paard, en met een enkelen

bediende, en bracht den eersten nacht door in een ellendige herberg,

waar de waardin schoenen noch kousen droeg, en de waard, die zich een

fatsoenlijk man noemde, veel lust had zijn gast onbeschoft te

behandelen, omdat deze het genoegen van zijn gezelschap bij het

avondeten niet had verzocht. [29] Den volgenden dag trok Eduard een

opene, onomheinde landstreek door, en naderde langzamerhand de

Hooglanden van Perth, die in het eerst zich als een blauwe streep aan

den gezichteinder hadden vertoond, maar nu tot zware reusachtige

massa’s aangroeiden, die dreigende op de vlakte onder haar nederzagen.

Dicht aan den voet van dezen geweldigen scheidsmuur, echter nog in het

Laagland, woonde Cosmo Comyne Bradwardine van Bradwardine; en zoo de

grijze oudheid eenig geloof verdient, dan hadden zijne voorvaderen, met

al hunne erven er gewoond sedert de aloude dagen van den edelen koning

Duncan.

Waverley(#75933) · 第 18 / 156 题