Op den avond van dezen merkwaardigen zondag trad Sir Everard de
boekerij binnen, waar hij onzen jongen held bijna had betrapt, bezig
met het oude zwaard van Sir Hildebrand in het rond te zwaaijen, dat als
een erfstuk bewaard, gewoonlijk boven den schoorsteen in de boekerij,
onder een portret van den ridder en zijn paard hing, wiens
gelaatstrekken bijna geheel bedekt waren door des ridders vreeselijk
zware krulpruik, terwijl het door hem bereden strijdros verborgen was
onder den ontzachlijken mantel van de Bath-orde, waarmede hij omhangen
was. Sir Everard trad binnen, en na een blik op de schilderij en een
tweeden op zijn neef geslagen te hebben, begon hij eene kleine deftige
aanspraak, die echter spoedig overging in zijne natuurlijke eenvoudige
spreekwijze, bij deze gelegenheid door meer dan gewone aandoening
verlevendigd. „Neef,” zeide hij „dat is, mijn lieve Eduard, het is Gods
wil, en insgelijks de wil van uw vader, wien het, naast God, uw plicht
is te gehoorzamen, dat gij ons verlaat, om het krijgsmans beroep te
volgen, waarin zoovelen uwer voorvaderen zich onderscheiden hebben. Ik
heb de noodige schikkingen gemaakt die u zullen in staat stellen, om in
het veld te verschijnen als hun afstammeling en als de stamhouder van
het huis Waverley; en, op ’t slagveld zult ge niet vergeten, welken
naam gij draagt. Maar Eduard, mijn lieve jongen, herinner u insgelijks,
dat gij de laatste van dien stam zijt, en dat alleen op u de hoop
berust, dat hij niet zal uitsterven; en daarom, zoo ver plicht en eer
zulks toelaten, vermijd het gevaar – ik meen, noodeloos gevaar – en
houd u niet op met gemeene knapen, spelers en Whigs, waarvan er zoo als
te vreezen is, maar al te veel in de dienst gevonden worden, waarin gij
treden zult. Uw Kolonel is, naar men mij bericht heeft, een uitmuntend
man – voor een Presbyteriaan; maar gij zult uw plicht in het oog houden
jegens God, de kerk van Engeland en den – (deze gaping had volgens de
orde behooren aangevuld te worden met het woord koning; maar daar dit
woord ongelukkig een dubbelen en onzekeren zin had, de éen doelende op
het feitelijk bezit en de ander op het recht, zoo vulde de ridder het
aan) – de kerk van Engeland en alle ingestelde machten.” Vervolgens,
daar hij zich niet verder als redenaar waagde, bracht hij zijn neef
naar den stal, om de paarden te zien, die hij voor hem bestemd had.
Twee waren er zwart, de kleur van het regiment, beide uitmuntend
schoone dieren; de drie andere waren stevige, vlugge rijpaarden, voor
de reis, of voor Eduards bedienden bestemd; twee dezer waren uit die
van het slot gekozen; een derde, die als staljongen dienst zou doen,
zou in Schotland wel te krijgen zijn.
„Gij zult slechts met een klein gevolg vertrekken,” zei de baronet, „in
vergelijking met Sir Hildebrand, toen hij voor de poort van zijn slot
een talrijker troep ruiterij monsterde; dan uw geheele regiment. Ik zou
graag gezien hebben, dat de twintig jonge lieden van mijn goederen, die
dienst hebben genomen bij uw regiment, te gelijk met u naar Schotland
hadden kunnen vertrekken. Het zou ten minste iets geweest zijn; maar
men heeft mij gezegd, dat zulk een gevolg in den tegenwoordigen tijd
als iets ongewoons beschouwd zou worden, nu allerlei nieuwe en dwaze
gewoonten ingevoerd zijn om de natuurlijke banden, die het volk aan
zijne landheeren hechten, te verzwakken.”
Sir Everard had zijn best gedaan, om deze onnatuurlijke richting van
den tijdgeest te verbeteren; want hij had de banden van gehechtheid
tusschen de recruten en hun jongen kapitein verstrekt, niet alleen door
een overvloedigen maaltijd van vleesch en bier, bij wijze van
afscheidsfeest, maar tevens door een ruim geschenk in geld, hetwelk eer
strekte om de genoegens dan wel om de orde en tucht op hun marsch te
bevorderen. Na de paarden in oogenschouw genomen te hebben, bracht Sir
Everard zijn neef terug naar de bibliotheek, waar hij een met zorg
toegevouwen brief voor den dag haalde, volgens ouder gewoonte omwonden
met een strookje ongesponnen zijde, en verzegeld met een nauwkeurig
afdruksel van het Waverleysche wapenschild. Deze brief was, met alle
deftigheid van dien tijd, geadresseerd „Aan den Hoogwelgeboren Heere
Cosmo Comyne Bradwardine, van Bradwardine, op zijn residentie
Tully-Veolan, graafschap Perth, Schotland. – Ter vriendelijke bezorging
van kapitein Eduard Waverley, neef van Sir Everard Waverley, van
Waverley-Honour, Baronet.”
De edelman aan wien dit breedvoerig adres gerigt was, en over wien wij
in het vervolg meer zullen te spreken hebben, had in ’t jaar 1745 de
wapens gevoerd voor het verbannen koninklijke huis van Stuart, en was
te Preston, in Lancashire, gevangen genomen. Hij was iemand van zeer
oude familie, maar van niet onbezwaard vermogen; een geletterde, naar
de gewone wijze der Schotten, dat is te zeggen, eerder omslachtig dan
nauwkeurig, en meer een belezen man dan een taalkenner. Men verhaalde
van hem, dat hij van zijn liefde tot de oude schrijvers een zeer
bijzonder blijk had gegeven. Op weg tusschen Preston en Londen gelukte
het hem aan zijn wachters te ontsnappen; maar toen men hem naderhand
vond, rondslenterende in de nabijheid van de plaats waar zij den
vorigen nacht verblijf gehouden hadden, werd hij herkend en andermaal
gevat. Zijn medgezellen, en zelfs zijn geleiders, stonden verbaasd over
zijn onvoorzichtigheid, en konden niet nalaten te vragen, waarom hij,
eenmaal in vrijheid, niet zijn best gedaan had, om eene veilige
schuilplaats te bereiken; waarop hij antwoordde, dat dit zijn voornemen
was geweest, maar dat hij, om de waarheid te zeggen, was teruggekeerd
om zijn Titus Livius te zoeken, dien hij in de haast van zijn vlucht
vergeten had [24]. Dit eenvoudig verhaal trof den heer, die, zoo als
wij reeds gezegd hebben, de verdediging van sommige dezer ongelukkige
lieden, voor rekening van Sir Everard, en van misschien nog eenigen van
zijne partij, had op zich genomen. Hij was daarenboven zelf een
bewonderaar van den ouden Paduaschen geschiedschrijver, en schoon zijn
eigen geestdrift hem niet ligt tot zoo iets buitensporigs zou vervoerd
hebben, zelfs om de uitgaaf van Sweynheim en Pannartz (die men voor de
editio princeps houdt) terug te krijgen, achtte hij echter de
gehechtheid van den Schot daaraan niet minder hoog, en deed hij zoo
zijn best om alle bewijzen tegen hem te ontzenuwen, of te verzwakken,
om rechtsgeleerde bezwaren tegen de vervolging te ontdekken en zoo
voorts, dat het hem gelukte Cosmo Comyne Bradwardine’s volkomen
vrijspraak en ontheffing van zekere alles behave prettige gevolgen van
een veroordeeling wegens hoogverraad te redden.
De baron van Bradwardine, want zoo werd hij in Schotland doorgaans
genoemd, (schoon zijn gemeenzame vrienden hem Tully-Veolan, of nog
korter Tully noemden) stond niet zoo ras rectus in curia (als
gezuiverde voor de rechtbank), of hij begaf zich per post naar
Waverley-Honour om er zijn hulde en dankbetuiging te brengen. Eén
zelfde zucht voor veld en jachtvermaken, en een algemeene
overeenstemming in staatkundige gevoelens, legden den grond tot zijne
vriendschap met Sir Everard, al verschilden hunne gewoonten en
liefhebberijen in andere opzichten nog al aanmerkelijk: en nadat hij
verscheidene weken op Waverley-Honour had doorgebracht, vertrok hij met
tallooze betuigingen van achting, terwijl hij bij den Baronet er met
warmte op aandrong, dat deze zijn bezoek zou beantwoorden, en in een
volgend saizoen deel nemen aan de korhoender-jacht, op zijn veengronden
in Perth. Kort daarop maakte de heer Bradwardine uit Schotland eene som
tot afdoening der kosten, bij ’s Konings Hoog Gerechtshof te
Westminster gemaakt, over; welke som, schoon juist niet zoo ontzaglijk
groot, in Engelsch geld berekend, in haar oorspronkelijken vorm van
Schotsche ponden, schellingen, enz. [25] zulk eene verbazende
uitwerking had op het gestel van Duncan Mackwheeble, des Barons
vertrouwden zaakwaarnemer, rentmeester en rechterhand, dat hij een
aanval van kolijk kreeg, die vijf dagen aanhield, eeniglijk en alleen,
zooals hij zeide, veroorzaakt door dat hij het ongelukkige werktuig
moest worden, om zulk eene belangrijke som uit zijn geboorteland aan
die valsche Engelschen over te maken. Maar, gelijk vaderlandsliefde het
schoonste gevoel is, zoo is zij ook dikwijls de meest verdachte
dekmantel van geheel andere aandoeningen; en velen met den heer
Mackwheeble bekend, beweerden, dat zijne betuigingen van spijt niet
geheel belangeloos waren, en dat hij veel minder zou gezucht hebben
over het uitbetalen der gelden aan de deugnieten te Westminster,
wanneer ze niet waren geheven op de goederen van Bradwardine, een fonds
dat hij meer bijzonder als het zijne beschouwde. Dan de rentmeester
betuigde, dat hij volstrekt geen eigen belang kende:
„Wee, wee om Schotland, maar geen zier om mij!”
Wat den edelman betreft, deze was verheugd, dat zijn waardige vriend
Sir Everard Waverley van Waverley-Honour terugbetaling ontvangen had
der kosten, welke hij voor rekening van het huis Bradwardine had
gemaakt. Het was van belang, zeide hij, voor de eer van zijn familie,
en van het koninkrijk Schotland in het algemeen, dat deze verschotten
terstond betaald werden, en het uitstellen zou een openbare schande
zijn. Sir Everard, gewoon om veel grootere sommen met onverschilligheid
te behandelen, ontving de drie honderd pond sterling zonder eens op te
merken, dat deze betaling van internationaal belang was, en zou
waarschijnlijk de gansche zaak vergeten hebben, indien Mackwheeble
bedacht geweest was, om zijn kolijk te verzachten door het gezondene te
onderscheppen. Van dit oogenblik dateerde echter eene jaarlijksche
correspondentie bestaande in een korten brief, een mand wild en een
paar gevulde vaten, tusschen Waverley-Honour en Tully-Veolan, terwijl
de Engelsche toezending in groote kazen en sterk bier, faizanten en
reeën, en het Schotsche tegengeschenk uit korhoenders, hazen, gezouten
zalm en eigengestookte jenever bestond. Al deze geschenken werden
gegeven en ontvangen, als bewijzen van standvastige vriendschap en
genegenheid tusschen twee edele huizen. Natuurlijk vloeide hieruit
voort, dat de stamhouder van Waverley-Honour Schotland niet gevoeglijk
kon bezoeken, zonder van een geloofsbrief bij den baron van Bradwardine
voorzien te zijn.
Nadat dit onderwerp uitgelegd en geregeld was, gaf de heer Pembroke
zijn wensch te kennen, om een afzonderlijk afscheid van zijn waarden
kweekeling te mogen nemen. Des goeden mans vermaningen aan Eduard, om
zijn leven en zeden onbevlekt te bewaren, en aan de beginselen van het
Christendom trouw te blijven, het godloos gezelschap van spotters en
vrijgeesten te vermijden, die er maar al te veel bij het leger waren,
bleven niet onvermengd met zijn staatkundige vooroordeelen. Het had den
Hemel behaagd, zeide hij, Schotland (ontwijfelbaar om de zonden zijner
voorvaderen in 1642) in een nog treuriger staat van duisternis te
houden, dan zelfs het ongelukkige koninkrijk van Engeland. Hier immers,
schoon de kandelaar der kerke van Engeland eenigermate van zijne plaats
was verzet, bestond ten minste nog een schemerlicht: er was eene
hierarchie, schoon kettersch en vervallen van de beginselen, door die
groote kerkvaders Sancroft [26] en zijne broederen aangekleefd en
voorgestaan; er was een liturgie, schoon jammerlijk verdraaid in
sommige der voornaamste gebeden. Maar in Schotland was het volslagen
duisternis, en, uitgenomen eenige steeds vervolgde overgeblevenen, hier
en daar verstrooid, waren de kansels overgelaten aan Presbyterianen, en
gelijk hij vreesde aan secten-mannen van allerlei aard. Het was zijn
plicht, zijn lieven kweekeling in staat te stellen, aan zulke heillooze
en gevaarlijke leeringen in kerk en staat, die hij van tijd tot tijd
zou moeten vernemen, weerstand te bieden.
Hier haalde de heer Pembroke twee geweldige pakken voor den dag, die
ieder een geheelen riem dicht geschreven stukken schenen te bevatten.
Het was de arbeid van ’s waardigen mans geheele leven; en nooit gingen
arbeid en ijver zoo volslagen te loor. Hij was eens naar Londen gegaan,
met het voornemen om ze aan de wereld te schenken, door middel van een
boekverkooper, wel bekend door den handel in dergelijke geschriften en
tot wien men hem gezegd had zich te wenden met zekere woorden en met
een zeker teeken, dat, naar het schijnt, in die dagen gangbaar was
onder de Jacobieten. Nauwelijks had de heer Pembroke het schibboleth
met den vereischten klem uitgebracht, of de boekverkooper begroette
hem, in weerwil van alle tegenbetuiging, met den titel van doctor; en
na hem in zijn achterwinkel gebracht, en overal te hebben nagezien,
waar iemand al of niet verborgen kon zijn, begon hij: „Wel doctor! –
wel! – alles onder de roos. – Alles dicht – er is hier zelfs geen gat
voor een Hannoversche rat om in te kruipen. Wel zoo, – he! goed nieuws
van onze vrienden aan den overkant? – en hoe vaart de waardige koning
van Frankrijk? – Of misschien komt gij nu uit Rome – want Rome moet
eindelijk gaan handelen – de Kerk moet hare kaars aan de oude lamp
opsteken. – He – wat – beschroomd? Gij bevalt mij des te beter; maar
wees onbevreesd.”
Hier brak de heer Pembroke met eenige moeite een stroom van vragen af,
vergezeld van teekens, knikjes en wenken; en na eindelijk den
boekverkooper overtuigd te hebben dat hij hem te veel eer aandeed, door
te vooronderstellen dat hij een zendeling van het verdreven koningshuis
was, gaf hij hem te verstaan wat zijn bedoeling was.
De uitgever ging nu, met een veel deftiger houding, tot het onderzoeken
der handschriften over. De titel van het eerste was: „Eene Dissentie
van de Dissenters, of de Comprehensie weerlegd, betoogende de
onmogelijkheid van alle bijlegging der geschillen tusschen de Kerk en
de Puriteinen, Presbyterianen of Sectarissen van welken aard ook,
opgehelderd uit de Schriftuur, de Kerkvaders en de voortreffelijkste
godgeleerden.” De uitgave van dit werk werd door den boekverkooper
stellig geweigerd. „Wèl gemeend,” zeide hij, „en geleerd, buiten
twijfel; maar de tijd is voorbij. In klein-Cicero-formaat gedrukt, zou
het acht honderd bladzijden beloopen en nooit de kosten goed maken. Ik
verzoek dus er van verschoond te blijven – ik bemin en eer de ware kerk
van ganscher harte, en was het eene predikatie geweest over het
martelaarschap of een kleinigheid van twaalf stuivers – wel nu, ik zou
iets wagen, voor de eer van het geestelijk kleed. – Maar, kom, laat ons
het andere zien. „Het erfelijke Recht gerecht.” – Ha! daar is eenige
zin in, Hm – hm – hm – bladzijden zooveel – papier zooveel, – drukloon,
– Hm – evenwel wil ik u zeggen, doctor, gij moet er wat van het
Grieksch en Latijn uitgooien; zwaar, doctor, verd....d zwaar – (met
verlof) en zoo gij er wat zout bij doet – ik ben er de man niet naar om
ooit mijn schrijvers in ongelegenheid te brengen – ik heb uitgegeven
voor Drake en Charlwood Lawton en voor den armen Amhurst. [27] – Ach
Caleb! Caleb! Wel, het was schande den armen Caleb te laten
verhongeren, en er zijn zoo veel vette predikers en heeren onder ons!
Eens in de week had ik hem ten eten: maar goede Hemel, wat is eens in
de week, als iemand niet weet, waar hij de andere zes dagen wat krijgen
zal! – Kom ik moet het handschrift den kleinen Tom Alibi laten zien,
die al mijn rechtsgeleerde zaken waarneemt – ik moet onder de lei
blijven – het gemeen was laatst al heel onvriendelijk – allen Whigs en
Rondhoofden, allen Willemiten en Hannoversche ratten.”
Den volgenden dag ging de heer Pembroke weder bij den uitgever: maar
bevond dat Tom Alibi’s advies dezen van de onderneming had doen afzien.
„Niet, dat ik niet (wat wilde ik ook zeggen?) om den wil der kerk naar
de strafkoloniën wou gaan; met genoegen – maar, doctorlief ik heb vrouw
en kinderen; – doch, om mijn ijver te toonen, ik wil de karwei aan mijn
buurman Trimmel aanprijzen – hij heeft vrouw noch kind, en niet veel
omhanden, dus zal eene zeereis hem niet zoo ongelegen komen.” Maar de
heer Trimmel was ook onverbiddelijk, en de heer Pembroke, gelukkig
misschien voor hem zelven, was genoodzaakt naar Waverley-Honour terug
te keeren met zijn verhandeling ter handhaving der echte
grondbeginselen van Kerk en Staat in den mantelzak gepakt.
Daar, door de baatzuchtige lafhartigheid van den boekhandel, naar alle
waarschijnlijkheid het publiek beroofd zou worden van het voordeel,
hetwelk er van zijn onvermoeiden arbeid te hopen was, besloot de heer
Pembroke twee afschriften van deze verbazende manuscripten, ten
gebruike van zijn leerling, te maken. Hij gevoelde dat hij, als
gouverneur, wat lui was geweest; en daarenboven kwelde hem zijn
geweten, dat hij in het verzoek van den heer Richard Waverley had
toegestemd, om Eduard geene denkbeelden in te boezemen, die met de
tegenwoordige inrichtingen in Kerk en Staat onbestaanbaar waren. „Maar
nu,” dacht hij, „mag ik, zonder mijn woord te verbreken, daar hij niet
langer onder mijn opzicht is, den jongeling de middelen in handen geven
om voor zichzelven te oordeelen, en heb ik slechts zijn verwijtingen te
vreezen, dat ik hem zoolang het licht heb onthouden, hetwelk in zijn
ziel zal opgaan, na volbrachte lectuur.” Terwijl hij aldus aan de
droombeelden van een schrijver en een staatkundige toegaf, stopte zijn
geliefde leerling, die weinig uitlokkends in den titel der
verhandelingen zag, en door het aantal dicht ineen geschreven regels
afgeschrikt werd, het handschrift in een hoek van zijn reiskoffer.
Tante Rachel’s vaarwel was kort maar teeder; alleen waarschuwde zij
haar dierbaren Eduard, dien ze waarschijnlijk zeer vatbaar geloofde,
voor de betoovering der Schotsche schoonen. Zij stemde toe, dat in het
noordelijke gedeelte van het eiland eenige oude familiën woonden; maar
het waren alle Whigs en Presbyterianen, uitgenomen de Hooglanders, en
wat deze betrof, kon ze niet nalaten te zeggen dat er niet veel
kieschheid onder de dames kon heerschen, waar de gewone dracht der
heeren, gelijk men haar verzekerd had, om er het minste van te zeggen,
zeer vreemd en alles behalve welvoegelijk was. Zij besloot met eene
vriendelijke en roerende zegenbede en gaf den jongen officier, als een
bewijs harer liefde, een kostbaren diamanten ring, een in die dagen
veel door de mannen gedragen sieraad, en een beurs vol zware
goudstukken, die insgelijks zestig jaar geleden vrij wat algemeener
waren, dan in later tijd.