KEUZE VAN EEN BEROEP.

Wegens de uitvoerigheid, waarmede ik Waverleys bezigheden, en de

richting die ze aan zijn verbeelding gaven, geschetst heb, zal de lezer

in de volgende geschiedenis wellicht eere navolging verwachten van den

bekenden roman van Cervantes. Maar door dit te veronderstellen, zou hij

mijne wijsheid te kort doen. Het is mijn voornemen niet de voetstappen

van dien onnavolgbaren schrijver te drukken, in het schilderen van die

geheele verbijstering des verstands, welke de voorwerpen verwart, zoo

ras ze zich voordoen, maar ik wensch die meer gewone afwijking van het

gezonde oordeel te schetsen, die de zaken zooals ze werkelijk bestaan

opneemt, doch daaraan een zweem van eigen romanesken toon en kleur

mededeelt. Eduard Waverley was er zoo verre van af, om te

veronderstellen dat hij bij anderen zijne wijze van zien en gevoelen

vinden zou, of te wanen dat de tegenwoordige toestand der maatschappij

geschikt was om de droomen te verwezenlijken, waaraan hij zich zoo

gaarne overgaf, dat hij niets meer vreesde dan de gevoelens die de

vrucht waren van zijne mijmeringen, door anderen ontdekt te zien. Hij

had geen vertrouwde, en wenschte er geen te hebben, om hem zijne

droomerijen mede te deelen, waarvan hij het belachelijke zoo zeer

gevoelde, dat, als hij had moeten kiezen tusschen een straf waaraan

geen schande verbonden was, en de noodzakelijkheid om een koel en

bedaard verslag te geven van de denkbeeldige wereld, waarin hij het

beste deel van zijn leven doorbracht, hij, geloof ik, niet geaarzeld

zou hebben zich aan de eerste te onderwerpen. Deze afzondering werd hem

dubbel dierbaar, toen hij, met den loop der jaren, den invloed der

ontwakende hartstochten gevoelde. Vrouwelijke vormen van uitstekende

bevalligheid en volmaakte schoonheid begonnen een rol te spelen in

zijne denkbeeldige avonturen en het duurde niet lang of hij begon rond

te zien, en de scheppingen zijner verbeelding met de vrouwen uit de

werkelijkheid te vergelijken. De lijst der schoonen, die hare

bevalligheden wekelijks in de kerk van Waverley ten toon spreidden, was

talrijk noch uitgelezen. Verre weg de dragelijkste was jufvrouw Sissly,

of zoo als ze liever wilde genoemd worden, Cecilia Stubbs, de dochter

van den heer Stubbs van de pachthoeve. Ik weet niet of het door het

„eenvoudigste toeval van de wereld” was, eene spreekwijze, die op

vrouwelijke lippen niet altijd den voorbedachten raad uitsluit, of dat

het uit overeenstemming van smaak kwam, dat Cecilia meer dan eens

Eduard op zijn lievelingswandeling in het Waverleys-Park ontmoette. Hij

had den moed nog niet gehad haar bij deze gelegenheid aan te spreken;

maar de ontmoeting was niet zonder uitwerking gebleven. Een romaneske

minnaar is een zonderlinge afgodendienaar, die er zich soms weinig aan

stoort, uit welke stof hij het voorwerp zijner aanbidding vormt,

althans zoo de natuur dit voorwerp slechts wat uiterlijke schoonheid

geschonken heeft, kan hij gemakkelijk den Juwelier en den Dervish, in

de oostersche vertelling [21] spelen, en haar overvloedig, uit de

voorraadschuren zijner eigene verbeelding, met bovennatuurlijke

bekoorlijkheden en al de rijkdommen van geest en hart voorzien.

Maar eer de bekoorlijkheden van Cecilia Stubbs haar wezenlijk tot een

godin gemaakt, of ten minste haar even hoog geplaatst hadden als de

heilige van dien naam, vatte Rachel Waverley eenige vermoedens op,

welke haar bewogen de aanstaande apotheose of heiligverklaring te

voorkomen. Zelfs de eenvoudigste en onergdenkendste der vrouwen (God

zegene haar!) bezitten een aangeboren instinct in soortgelijke zaken,

welke soms zoo ver gaat, dat ze neigingen bespeuren, die nooit bestaan

hebben, en maar zelden missen die te ontdekken, welke onder het bereik

harer waarneming vallen. Freule Rachel legde er zich met groote

voorzichtigheid op toe, niet om het naderend gevaar te bestrijden, maar

om het te voorkomen, en bracht haren broeder aan het verstand, dat de

erfgenaam van zijn huis noodzakelijk iets meer van de wereld moest

zien, dan mogelijk was bij zijn aanhoudend verblijf op Waverley-Honour.

Sir Everard had in den beginne geen ooren naar een voorstel, waardoor

hij van zijn neef zou gescheiden worden. Eduard was eenigzins op boeken

gesteld; dat stemde hij toe; maar de jeugd, zooals hij altijd gehoord

had, was de tijd om te leeren, en er bestond geen twijfel of hij zou,

als zijn leeslust gestild, en zijn hoofd met kundigheden vervuld was,

zich van zelf op de vermaken der jacht en de belangen van de landstreek

toeleggen. Ook hij had het, zeide hij, dikwijls betreurd, dat hij in

zijn jeugd niet een weinig tijd aan de studie besteed had: hij zou er

niet minder goed om geschoten of gejaagd hebben, en het

Parlementsgebouw met langere redevoeringen hebben doen weergalmen, dan

de driftige „Neen’s”, waarmede hij, als lid van het Huis onder het

bestuur der Whigs, zich tegen elken maatregel van het Bewind verzette.

Tante Rachels bezorgdheid echter schonk haar de behendigheid om haar

plan door te drijven. Ieder hoofd van hun huis had vreemde landen

bezocht, of bij het leger gediend, alvorens zich op Waverley-Honour

neêr te zetten, en ze beriep zich voor de waarheid harer verzekering op

den stamboom, een gezag dat nooit door Sir Everard weersproken werd.

Met éen woord, er werd een voorstel aan den heer Richard Waverley

gedaan, om zijn zoon te laten reizen, onder toezicht van zijn

gouverneur, den heer Pembroke, terwijl de Baronet op een gepaste en

milde wijze in de reiskosten zou voorzien. De vader had niet het minste

bezwaar; maar toen er aan de tafel van den Minister over gesproken

werd, trok de groote man een bedenkelijk gezicht. De reden werd den

vader in ’t geheim medegedeeld. „De ongelukkige staatkundige richting

van Sir Everard,” merkte de Minister op, „maakte dat het hoogst

ongeschikt was een jongeling van zulke groote vooruitzichten op het

vaste land te laten reizen, met een gouverneur, buiten alle kijf, door

zijn oom gekozen om hem in diens voetstappen en naar zijn voorschriften

te leiden. Hoedanig zou mijnheer Eduard Waverleys gezelschap te Parijs,

hoedanig dat te Rome zijn, waar alle soort van strikken door den

Pretendent en zijn zoons gelegd werden? Dit waren alle maal punten

waarover de heer Waverley zich nog wel tweemaal bedenken mocht. De

minister zelf kon zeggen, dat Zijn Majesteit de diensten van den heer

Richard Waverley op zulk een hoogen prijs stelde, dat, indien zijn zoon

voor eenige jaren in dienst wilde gaan, hij rekenen kon op een escadron

van een der dragonderregimenten, die onlangs uit Vlaanderen waren terug

gekomen.”

Een op deze wijze gegeven wenk liet zich niet straffeloos

veronachtzamen, en ofschoon zeer bevreesd om de vooroordeelen van zijn

broeder te krenken, besloot Richard Waverley de hem aldus voor zijn

zoon aangeboden plaats niet te weigeren. De waarheid is, dat hij in

ruime mate, en te recht, rekende op Sir Everards liefde tot Eduard, die

niet liet voorzien, dat hij hem een stap kwalijk zou nemen, door hem

uit onderwerping aan zijns vaders wil gedaan. Twee brieven kondigden

dit besluit den Baronet en diens neef aan. In den laatsten bepaalde hij

zich alleen tot de mededeeling van de zaak, terwijl daarin tevens de

toebereidselen werden opgegeven, die hij te maken had om zich bij het

regiment te voegen. Aan zijn broeder schreef Richard uitvoeriger en

zeer omzichtig. Hij stemde, op de vleijendste wijze, toe, dat het voor

zijn zoon zeer goed zou wezen, iets meer van de wereld te zien, en hij

drukte zelfs in de nederigste bewoordingen zijn dankbaarheid voor den

aangeboden bijstand uit; maar hij gaf zijn leedwezen te kennen, dat

Eduard thans ongelukkig niet, bij machte was volkomen te handelen

overeenkomstig het plan, door zijn besten vriend en weldoener

ontworpen. Hij zelf had met smart gedacht aan de werkeloosheid van den

jongen, op een leeftijd, dat al zijn voorvaders de wapens gedragen

hadden; ja de Koning zelf had zich verwaardigd te vragen, of de jonge

Waverley thans niet in Vlaanderen was, op een leeftijd dat zijn

grootvader reeds zijn bloed voor zijn Koning, in den grooten

burgeroorlog gestort had? Deze vraag ging met de aanbieding van een

escadron vergezeld. Wat kon hij doen? Er was geen tijd om zijn broeder

te raadplegen, al ware het ook, dat er zwarigheden van zijn zijde

mochten bestaan, om zijn neef de roemrijke loopbaan van diens

voorvaderen te laten betreden. En, om kort te gaan, dat Eduard thans

(na de mindere graden van Kornet en Luitenant met een buitengewone

vlugheid te zijn overgesprongen) kapitein Waverley bij de dragonders

van Gardiner was, en hij zich binnen eene maand te vervoegen had bij

zijn regiment te Dundee, in Schotland.

Sir Everard Waverley ontving deze mededeeling met gemengde

gewaarwordingen. Toen het geslacht van Hannover den troon van Engeland

beklom, had hij zich uit het Parlement teruggetrokken, en zijn gedrag

in het gedenkwaardige jaar 1715 was niet geheel en al onopgemerkt

gebleven. Er liepen geruchten van bijzondere monsteringen van boeren en

paarden te Waverley bij maneschijn, en van kisten vol in Holland

gekochte en aan den Baronet geadresseerde geweren en pistolen; maar

deze laatste werden onderschept door de waakzaamheid van een ambtenaar

der accijnsen, die later op een donkeren nacht, voor zijn

gedienstigheid door eenige moedige boerenknapen afgestraft werd. Ja,

wat meer is, men had zelfs gezegd, dat bij het arresteren van Sir

Willem Wyndham, den aanvoerder der Tory-partij, een brief van Sir

Everard in den zak van diens rok was gevonden. Maar er liet zich geene

openbare aanklacht op bouwen; en het Bewind, tevreden met den opstand

van 1715 onderdrukt te hebben, achtte het voorzichtig noch raadzaam

zijn wraak verder uit te strekken, dan tot de ongelukkigen, die

openlijk de wapenen hadden opgevat.

Sir Everard legde ook niet de minste vrees aan den dag ten opzichte der

geruchten omtrent zijn persoon onder zijn Whigsche buren verspreid. Het

was wel bekend, dat hij verscheidene in ongelegenheid geraakte

Noord-Engelschen en Schotten met geld had bijgestaan, die na te

Preston, in Lancashire, gevat te zijn, in de gevangenissen van Newgate

en Marshalsea waren opgesloten; en het was zijn zaakwaarnemer en gewone

raadsman, die zich met de verdediging van sommigen dezer ongelukkigen

belast had. Algemeen was men van gevoelen, dat, zoo de Ministers een

wettig bewijs in handen gehad hadden van Sir Everards deelneming aan

den Opstand, hij dan niet zou gewaagd hebben de bestaande regeering te

tarten, of wèl dat hij dit niet straffeloos zou hebben gedaan. De

gevoelens echter, die hem toen beheerschten, waren die van den

jongeling, en wel in een veel bewogen tijd. Sedert was Sir Everards

Jacobietisme langzamerhand verkoeld, gelijk een vuur dat uit gebrek aan

brandstof uitdooft. Van tijd tot tijd vond hij gelegenheid om zijne

Torysche en kerkelijke beginselen te versterken, bij verkiezingen en

vergaderingen; maar betrekkelijk het erfelijke troonrecht waren zijn

denkbeelden zoo wat in doodslaap gevallen. Intusschen schokte het zijn

gevoel niet weinig, zijn neef bij het leger te zien onder de

Brunswijksche dynastie; en dat te meer, daar, behalve zijn nauwgezette

begrippen van het vaderlijk gezag, het onmogelijk, of ten minste hoogst

onvoorzichtig zou geweest zijn, om de zaak met geweld te keer te gaan.

Deze onderdrukte ergernis gaf aanleiding tot veel zuchten en steunen,

hetgeen op rekening gesteld werd van een opkomenden aanval van jicht,

tot de waardige Baronet, na om de ranglijst gezonden te hebben, zijn

troost zocht in het optellen van de afstammelingen der huizen van

erkende staatkundige eerlijkheid: de Mordaunts, Granvilles en Stanleys,

wier namen hij hier aantrof. Terwijl hij nu al zijn ingenomenheid met

familieëer en oorlogsroem te hulp riep, besloot hij volgens eene

logica, niet ongelijk aan die van Falstaff, dat, zoo er oorlog op

handen was, ofschoon het schande zou zijn, zich bij eene andere partij

dan bij die éene te scharen, het echter nog grooter schande wezen zou

bij dien strijd stil te zitten, dan om te strijden voor den slechtste

van allen, al was die bij overweldiging op den troon gekomen. Wat tante

Rachel betreft, haar plan was wel niet juist volgens hare wenschen

gelukt, maar zij was in de noodzakelijkheid zich aan de omstandigheden

te onderwerpen. Zij vond ook afleiding voor hare droefheid in het

gereedmaken der uitrusting van haren neef, en niet weinig vergoeding in

het vooruitzicht van hem in volle uniform te zien schitteren.

Eduard Waverley zelf ontving de geheel onverwachte kennisgeving met

levendige en onuitsprekelijke verbazing. Het was, gelijk een fraai, oud

gedicht het uitdrukt „een vuur in de heide ontstoken,” dat een eenzamen

heuvel met smook bedekt en dien te gelijk door een somber vuur

verlicht. Zijn gouverneur, of liever de heer Pembroke, want hij heette

slechts zelden gouverneur, vond in Eduards kamer eenige fragmenten van

verzen, die hem schenen ingegeven te zijn door het onverwachte opslaan

van deze bladzijde uit zijn levensboek. De geleerde, die alles voor

poëzij hield, wat door zijn vrienden vervaardigd, en in fraaie rechte

regels, waarvan allen met een hoofdletter begonnen, geschreven werd,

deelde dezen schat aan tante Rachel mede, die, haar bril met tranen

bevochtigd op den neus, ze overschreef in haar zakboekje, onder

uitgezochte recepten voor de keuken of de apotheek, lievelingsteksten

en fragmenten van godsdienstige boeken naar haren smaak, als ook een

paar liedjes van krijgshaftigen en Jacobietischen inhoud, die ze in

hare jonge dagen placht te neuriën; uit welke verzameling de

dichterlijke proeven van haar neef werden getrokken, toen het boek

zelf, met andere authentieke stukken van de familie Waverley, ter

inzage werden gegeven aan den onwaardigen uitgever van deze

merkwaardige geschiedenis. Indien ze het genoegen van den lezer al niet

verhoogen, zullen ze ten minste beter dan eenig verslag den woesten en

ongeregelden aard van onzen held doen kennen.

Toen ’s avonds laat de herfst zijn rood

En goud op het Zwarte-meer-dal goot,

Gaf, stil en zedig, ’t effen meer

De purpren wolk en goudgloed weêr,

En beeldde ’t vloeijend bergkristal

Het bergland af en ’t lage dal.

Daar spiegelde in den heldren stroom

Zich elke bloem en elke boom

En rots en toren trouw en teêr,

Als lag daar onder ’t vredig meer,

Bevrijd van de onrust, zorg en smart,

Het deel van ieder menschenhart,

Een wereld, die, naar allen schijn,

Nog schooner dan onze aard moest zijn.

Maar, ver en buldrend opgestaan,

Verhief zich plotseling de orkaan,

En wekte snel den Geest van ’t meer

Hij hoorde ’t buldren van het weêr

En ’s eiken kreunend dof gebrom;

Hij sloeg den zwarten mantel om,

Gelijk de krijgsman op den kreet

Van d’ oorlog zich in ’t pantser kleedt.

Maar als de stormwind nader toog,

Betrok zijn forsche wenkbrauwboog,

En werd zijn wang van kleur beroofd.

De helmpluim schudde er op zijn hoofd,

Toen hij het golvend wed beval

Te dondren door ’t misvormde dal.

Die ideale wereld ging

Op eens in wilden warrelkring

Met d’ opgejaagden vloed te loor.

Van kalmte en rust geen enkel spoor.

En wrak bij wrak dier zaligheid

Lag op den oever ver verspreid.

Toen zag ’k dien ommekeer met vreugd,

Ja, met een wondervreemd geneugt.

Terwijl de wind, in wilden trots,

Den kamp bestond met golf en bosch,

Stond ’k op den toren. ’t Was alsof

Mij toen een vreemd geheimnis trof,

En aan zijn zoet gevlei mijn hart,

Hoe langs zoo meer gekluisterd werd;

Toen treurde ik ras, door ’t stormenheer

Omringd, om ’t stil tooneel niet meer.

Zoo breekt de waarheid ook eens heel

Des jonkheids lokkend luchtkasteel;

Zoo bant ze elk toovrend droomgezigt

Dat, als het landschap, rijk aan licht

En glans en schoon, op ’t meervlak scheen,

Eer ’t voor den najaarsstorm verdween.

En voor verbeeldings scheppend oog

Is nu die vorm, die langs mij toog,

En mij dus ketende om zijn schoon,

Geborgen bij geliefde doôn;

Want liefdes droom en liefdes bloem

Maakt plaats voor krijgsgewoel en roem.

In eenvoudig proza, want misschien drukken deze verzen het niet bepaald

genoeg uit, werd het vluchtige beeld van Cecilia Stubbs in kapitein

Waverley’s hart uitgewischt, te midden van de beslommeringen zijner

nieuwe stemming. Zij zelve verscheen, wel is waar, in vollen glans, in

haar vaders bank, op den Zondag toen hij voor het laatst de dienst in

de oude dorpskerk bijwoonde; bij welke gelegenheid hij, op verzoek van

zijn oom en van tante Rachel (zonder, om de waarheid te zeggen, er zich

lang toe te laten bidden) werd overgehaald, om zich in volle uniform te

vertoonen.

Het beste middel om geen al te hoog denkbeeld van anderen te koesteren,

is zeer met zich zelven ingenomen te zijn. Jufvrouw Stubbs had wel alle

hulp ingeroepen, die de kunst aan de schoonheid verleenen kan; maar

helaas! hoepelrok, moesjes, golvende lokken en een nieuw kleed van echt

Fransche zijde, vermochten niets op een jongen dragonder-officier, die

voor het eerst zijn met goud omboorden hoed, zijn rijlaarzen en

sleepsabel droeg. Ik weet niet, of, gelijk de kampioen in de oude

ballade,

Zijn hart alleen voor de eere sloeg,

En liefde bleef verzaken;

Geen vrouw, in ’t land had kracht genoeg,

Om ’t ijskoud hart te raken,

dan of de schitterende en met goud geborduurde rok, die thans zijn

borst beschermde, Cecilia’s blikken trotseerde; maar hare pijlen werden

te vergeefs op hem afgeschoten.

Toch zag ik, waar Cupido’s schichtje vloog;

Het viel niet neêr op ’t bloemrijk westerveld,

Maar trof een knaap, de bloem van heel het west,

Heer Jonas Cubertfield, ’s rentmeesters zoon.

Terwijl ik verschooning vraag voor mijn heroica (waaraan ik in zekere

gevallen niet kan nalaten lucht te geven), moet ik tot mijn leedwezen

berichten, dat wij hier afscheid dienen te nemen van de schoone

Cecilia, die, gelijk menige dochter van Eva, na het vertrek van Eduard,

en het vervliegen van zekere ijdele door haar gevoede droomen, zich

stilletjes tevreden stelde met een pis-aller, en na verloop van zes

maanden hare hand schonk, aan voornoemden Jonas, zoon van des baronets

rentmeester, en erfgenaam (geen gering vooruitzicht!) van eens

rentmeesters fortuin, behalve het fraaie verschiet van zijn vader in

zijn post op te zullen volgen. Al deze voordeelen bewogen den heer

Stubbs, evenals het bruine gelaat en de manhaftige gestalte van den

vrijer, zijn dochter, het punt van „afkomst” over ’t hoofd te zien, en

zoo kwam het huwelijk tot stand. Niemand scheen meer in haar schik dan

tante Rachel, die tot hiertoe het ingebeelde juffertje wel een weinig

schuins had aangekeken (voor zoo ver hare goedhartigheid dit toeliet),

maar die bij de eerste verschijning van het jonggehuwde paar in de

kerk, de bruid met een glimlach en een diepe buiging vereerde, in

tegenwoordigheid van den predikant, den kapelaan, den koster en de

geheele vergadering der vereenigde gemeenten van Waverley en Beverley.

Ik verzoek, eens voor altijd, verschooning van den lezer, die een roman

enkel tot vermaak in handen neemt, dat ik hem zoo lang kwel met

ouderwetsche staatkunde en Whig’s en Tory’s en Jacobieten en

Hannoveranen; maar de waarheid is, dat ik niet zou kunnen beloven, dat

de geschiedenis zonder dat verstaanbaar, of niet ongerijmd wezen zou.

Mijn ontwerp vordert dat ik de beweegredenen ontwikkel, waaruit de

handeling voortvloeit; en deze beweegredenen berusten noodwendig op de

gevoelens, vooroordeelen en partijschappen dier tijden. Ik noodig mijne

schoone lezeressen, wier kunne en ongeduld haar het grootste recht

geven om over deze uitweidingen te klagen, niet in een vliegenden

wagen, door gevleugelde paarden getrokken, of door tooverkracht in

beweging gebracht, mede te gaan. Ik bezit slechts een eenvoudige

Engelsche reiskoets op vier wielen en langs den straatweg loopende. Zij

wien dit rijtuig niet bevalt, mogen het op de eerste pleisterplaats

verlaten en wachten op Prins Hussein’s tapijt of des wevers Malek’s

[22] vliegend schilderhuisje. Zij die mij willen blijven vergezellen,

zullen van tijd tot tijd blootgesteld zijn aan de onaangenaamheid van

moeielijke wegen, steile heuvels, modderpoelen en andere wereldsche

bezwaren. Maar, met tamelijk goede paarden en „een geschikten voerman,”

(zoo als men in de advertentiën leest) verbind ik mij zoo spoedig

mogelijk een schilderachtiger en romanesker landstreek te bereiken,

indien mijn passagiers eenig geduld met me willen hebben op de eerste

stations. [23]

Waverley(#75933) · 第 14 / 156 题