Ik heb reeds een wenk gegeven, dat de grillige en ziekelijke wansmaak,
door overdaad van beuzelachtige lectuur aangekweekt, onzen held niet
slechts ongeschikt maakte voor ernstige en gezette bezigheid, maar hem
zelfs eenigermate een weerzin had ingeboezemd in hetgeen tot hiertoe
zijn liefhebberij was geweest.
Hij had zijn zestiende jaar bereikt, toen zijn afgetrokken aard en zijn
zucht naar eenzaamheid zoo sterk in het oog vielen, dat Sir Everards
bezorgdheid opgewekt werd. Hij poogde deze neiging tegen te gaan, door
zijn neef uittenoodigen tot allerhande jachtvermaken, waarin de
voornaamste uitspanning van zijn eigen jeugd bestaan had. Maar, schoon
Eduard voor een enkel saizoen het jachtroer gretig opnam, verloor hij,
zoodra hij geleerd had er zich met eenige behendigheid van te bedienen,
alle genoegen in deze tijdkorting.
In het volgend voorjaar bracht des ouden Izaäk Walton’s „Volmaakte
hengelaar” hem er toe, om een ijverige beoefenaar van diens kunst te
worden. Maar van alle uitspanningen, welke het vernuft ooit heeft
uitgevonden om ledigheid te verdrijven, is het visschen het allerminst
geschikt om iemand te vermaken, wiens traagheid zijn ongeduld evenaart,
en de hengelroede van onzen held werd spoedig ter zijde gelegd. Goed
gezelschap en voorbeeld, waardoor onze driften sterk beteugeld en
beheerscht worden, zouden wel hunne gewone uitwerking op onzen
jeugdigen dweeper hebben kunnen uitoefenen; maar de buurt was dun
bevolkt, en de te huis opgevoede jonge lieden, die men er aantrof,
behoorden niet tot de klasse, waaruit makkers voor Eduard konden
gekozen worden, en nog veel minder waren ze in staat om zijn naijver op
te wekken bij die veldvermaken, welke zij als het hoofddoel van hun
leven beschouwden.
Er waren eenige andere jongelieden, die eene betere opvoeding ontvangen
hadden en van veel minder bekrompen aard; maar onze held was
eenigermate van hun kring uitgesloten. Sir Everard had, na den dood van
koningin Anna, zijne plaats in het Parlement opgegeven, en, met de
klimmende jaren, terwijl het aantal zijner tijdgenooten verminderde,
zich langzamerhand uit de zamenleving teruggetrokken; zoodat, wanneer
Eduard weleens met knappe en welopgevoede jonge lieden van zijn stand
en vooruitzichten in aanraking kwam, hij zijn minderheid gevoelde, niet
zoo zeer uit gebrek aan onderwijs en kennis, als uit gemis aan
oefening, om hetgene hij wist voor te dragen en te pas te brengen. Eene
sterke, dagelijks toenemende gevoeligheid deed dezen afkeer van het
gezellig verkeer aangroeijen. De vrees van het minste vergrijp tegen de
wellevendheid begaan te hebben, was voor hem ondragelijk; want
misschien veroorzaakt de schuld van het kwaad zelf bij sommige
gemoederen zulk een pijnlijk gevoel van schaamte en wroeging niet, als
een zedig, gevoelig en onervaren jongeling ondervindt, bij het
bewustzijn, dat hij de maatschappelijke vormen uit het oog verloren of
zich belachelijk gemaakt heeft. Waar wij niet op ons gemak zijn, daar
kunnen wij niet gelukkig wezen; en daarom is het niet vreemd, dat
Eduard Waverley in den waan verkeerde, dat hij onbemind was en
ongeschikt voor het gezellig verkeer, alleen omdat hij de gave nog niet
verkregen had, er zich met gemak te bewegen, en anderen genoegen te
geven of het zich zelven te verschaffen.
De uren door hem bij zijn oom en tante gesleten, werden verbeuzeld met
telkens herhaalde vertellingen van den praatzieken ouderdom. Doch zelfs
daarbij werd zijn verbeelding, het overheerschend vermogen van zijn
geest, menigmaal opgewekt. Familie-overlevering en geslachtkundige
historie, waarover Sir Everard meestal sprak, is juist het
tegenovergestelde van den barnsteen, die, schoon op zich zelven een
kostbare zelfstandigheid, toch doorgaans vliegen, stroohalmpjes en
andere prullen bevat; terwijl de genoemde studiën, op zich zelve hoogst
onbeduidend en beuzelachtig, nogtans dienen, om zeer veel van hetgeen
in de oude zeden zeldzaam en belangrijk is, voor de vergetelheid te
bewaren, en een aantal wetenswaardige kleinigheden in herinnering te
houden, die door geen ander middel te bewaren, of tot ons over te
brengen zouden zijn. Zoo derhalve Eduard Waverley van tijd tot tijd
geeuwde bij het oplezen van den droogen catalogus van de namen zijner
voorvaderen, en bij het opsommen hunner onderling aangegane huwelijken,
en in zijn hart de koude en langdradige nauwkeurigheid verwenschte,
waarmede de waardige Sir Everard de onderscheidene trappen van
verwantschap naging, die er bestonden tusschen het huis van
Waverley-Honour en de dappere baronnen, ridders en heeren, met welke
het vermaagschapt was; zoo hij (in weerwil zijner verplichting aan de
drie hermelijnen) soms met al de drift van een Hotspur, in zijn hart
vloekte op de poespas der wapenkunde, hare griffioenen, hare monsters
en hare draken verwenschte, waren er echter oogenblikken, waarin zijn
verbeelding opgewekt en zijne oplettendheid geboeid werd.
De daden van Wilibert van Waverley in het Heilige Land, zijn lange
afwezigheid en gevaarlijke avonturen, zijn veronderstelde dood en zijn
terugkomst op den avond, toen zijn geliefde den held gehuwd had, die
haar tegen beschimping en verdrukking had beschermd; de edelmoedigheid,
waarmede de kruisridder zijn aanspraken opgaf en in het naburig
klooster den eeuwigen vrede zocht, [20] – naar deze en soortgelijke
verhalen kon hij luisteren tot zijn hart gloeide en zijn oog
glinsterde. En niet minder was hij aangedaan, wanneer zijn tante
Rachel, van het lijden en de dapperheid van Alice Waverley, gedurende
den grooten burgeroorlog, verhaalde. De vriendelijke gelaatstrekken van
de bejaarde jonkvrouw namen een verhevener uitdrukking aan, als ze
verhaalde, hoe Karel, na den slag van Worcester, voor een dag toevlucht
vond op Waverley-Honour, en hoe, toen een troep ruiterij naderde, om
het huis te doorzoeken, Lady Alice haar jongsten zoon uitzond, van een
handvol huisbedienden vergezeld, met het bevel, om ten koste van hun
leven, een uur uitstel te bewerken, ten einde den Koning den tijd te
verschaffen om te ontvluchten. „En, God zij haar genadig,” dus placht
Freule Rachel voort te gaan, terwijl zij hare oogen op de beeltenis der
heldin vestigde, en er bijvoegde, „wel kocht ze het behoud van haar
koning duur met het leven van haar meest geliefd kind. Hij werd hier
heen gebracht als gevangene, doodelijk gewond; en gij kunt nog de
sporen van zijn bloed zien, van de groote zaaldeur, langs de kleine
gaanderij en verder op naar de kamer waar hij werd nedergelegd, om aan
de voeten zijner moeder te sterven. Maar ze troostten elkander; want
hij zag aan het schitteren van zijn moeders oog, dat het doel zijner
wanhopige verdediging bereikt was.” „Ach! ik herinner mij,” ging zij
voort, „ik herinner mij nog iemand gezien te hebben, die hem kende en
beminde. Om zijnentwil leefde en stierf Lucie St. Aubin ongehuwd,
schoon een der schoonste en rijkste partijen in dit koninkrijk; het
geheele land liep haar na, maar geheel haar leven lang droeg ze den
zwaren rouw, om den armen Willem; want zij waren verloofd, ofschoon
niet getrouwd, en ze stierf in – ik herinner mij den datum niet; maar
wèl, dat in November van datzelfde jaar, toen ze gevoelde dat hare
krachten begonnen af te nemen, ze nog eenmaal verlangde naar
Waverley-Honour gebracht te worden. Ze bezocht toen al de plaatsen waar
ze met zijn oudoom geweest was, en liet de tapijten opnemen, om het
spoor van zijn bloed te zien, en als tranen in staat waren geweest het
uit te wisschen, zou het er niet meer aanwezig zijn; want er was geen
droog oog in het geheele huis. Gij zoudt gemeend hebben, Eduard, dat
zelfs de boomen om haar treurden; want naast haar vielen de bladeren
af, zonder dat het geringste koeltje zich bewoog; en waarlijk ze zag er
uit als iemand, die ze nooit weder groen zou zien.”
Na het hooren van zulke legenden sloop onze held doorgaans weg, om zich
aan de mijmeringen over te geven, daardoor opgewekt. In den hoek van de
uitgestrekte en sombere boekerij, bij geen ander licht, dan hetgeen de
smeulende blokken op den breeden haard verspreidden, kon hij uren lang
die inwendige tooverij uitoefenen, waardoor gebeurtenissen uit het
verledene of die welke de verbeelding oproept, voor het oog van den
droomer als het ware leven. Nu eens zag hij voor zich een langen en
rijken sleep van schitterende vizioenen verrijzen: het bruiloftsfeest
binnen het kasteel van Waverley; de ranke en vermagerde gestalte van
den rechtmatigen heer in zijn pelgrims gewaad, als een onopgemerkt
toeschouwer der vreugde van zijn gewaanden erfgenaam en van zijne
bestemde bruid; den elektrieken schok door de ontdekking veroorzaakt;
het grijpen der vazallen naar de wapenen; de verbazing van den
bruidegom; de schrik en verwarring van de bruid; de bittere smart
waarmede Wilibert opmerkte, dat zij van ganscher harte in het huwelijk
toestemde; de houding die getuigde van waardigheid, en diep gevoel,
waarmede hij het half ontbloote zwaard weder in de schede stak, en het
huis zijner voorvaders verliet om het voor altijd den rug toe te
keeren. Dan liet hij wederom het tooneel veranderen, en de fantazie
moest hem gehoorzamen en tante Rachels treurspel vertoonen. Hij zag
Lady Waverley zitten in het prieel, geheel en al oor om het minste
geluid op te vangen, terwijl haar hart van angst klopte, nu eens
luisterende naar de wegsmeltende klanken van den hoefslag van ’s
konings paard, en toen deze verstierven, in elk windje, waardoor de
boomen in het park bewogen werden, het geraas der verwijderde
schermutseling hoorende. Een geluid in de verte wordt vernomen, als het
ruischen van een bergstroom; het komt nader, en Eduard kan duidelijk
het draven der paarden, het getier en geschreeuw der manschappen, en
daaronder het knallen van pistoolschoten onderscheiden; alles hoe
langer hoe meer het kasteel naderende. De dame springt op – een
ontsteld bediende stort binnen. – Maar waartoe zulk eene beschrijving
vervolgen?
Daar het leven in deze denkbeeldige wereld onzen held dagelijks
aangenamer werd, zoo was het hem naar evenredigheid onaangenaam
gestoord te worden. De uitgebreide landerijen, waardoor het slot
omringd was, die, daar ze den omvang van een park ver te boven gingen,
gemeenlijk Waverley Jacht genoemd werden, waren oorspronkelijk
boschgrond geweest, en bezaten, schoon afgewisseld door uitgestrekte
open vakken, waarin de jonge reeën dartelden, nog geheel het woeste
karakter van eertijds. Het land was doorsneden met breede lanen, op
vele plaatsen half begroeid met kreupelhout, waar de schoonen van
vroegere dagen hare standplaats plachten te kiezen, om het hert door de
windhonden te zien vervolgen, of eene gelegenheid te vinden om met den
armboog op te mikken. Op éen plek, kenbaar door een met mos begroeid
gothisch gedenkteeken, dat nog den naam van koninginneplek behield, had
Elizabeth, naar men zeide, met eigen hand zeven herten doorschoten. Dit
was een lievelingsplek van Eduard Waverley. Op andere tijden was hij
gewoon met het jachtroer en zijn hond, die als voorwendsel voor anderen
moesten dienen, en met een boek op zak, dat misschien als voorwendsel
voor hemzelven dienen moest, eene dezer lange lanen in te slaan, die na
anderhalf uur klimmens, zich allengs vernauwde tot een ruw, smal pad
door den steenachtigen en dichtbegroeiden pas, Het Zwarte dal genaamd,
en eensklaps een uitzicht schonk op een diep en donker meertje, om
dezelfde reden Het Zwarte meer genoemd. Daar stond in vroeger tijd een
eenzame toren op eene rots, bijna geheel door water omringd, die den
naam verkregen had van „de sterkte van Waverley,” omdat hij vaak in
gevaarlijke tijden tot toevluchtsoord der familie had gediend. Daar
voerden, gedurende de oorlogen van York en Lancaster, de laatste
aanhangers van de Roode Roos, die hare zaak durfden voorstaan, een
onafgebroken en vernielenden krijg, tot de sterkte door den vermaarden
Richard van Gloucester werd veroverd. Hier hield ook een troepje
Koningsgezinden zich lang staande onder Nigel Waverley, den ouderen
broeder van dien Willem, wiens lotgevallen tante Rachel gewoon was te
vertellen. Op deze plekken schiep Eduard er behagen in, zich in zoete
en bittere overdenkingen te verdiepen, terwijl hij, gelijk een kind te
midden van zijn speelgoed, uit den schitterenden maar nutteloozen
voorraad van beelden en droomen zijner fantazie, gebouwen optrok, die
even luisterrijk waren, maar even spoedig verdwenen als die eener
avondwolk. Welke uitwerking dit toegeven aan zijn lievelingsgewoonte op
zijn gemoed en karakter had, zal in het volgende hoofdstuk blijken.