De opvoeding van onzen held, Eduard Waverley, was van eenigzins
ongeregelden aard. In zijn kindsheid leed zijn gestel, of werd
verondersteld te lijden (hetgeen volmaakt hetzelfde is) van de
Londensche lucht. Zoodra derhalve ambtsbezigheden, parlementszittingen
of het najagen van belang- en eerzuchtige doeleinden zijn vader naar de
stad riepen, waar hij doorgaans acht maanden van het jaar zijn verblijf
hield, werd Eduard naar Waverley-Honour gebracht, en had er zoowel eene
verandering van meesters en van lessen als van woning plaats. Dit zou
men hebben kunnen voorkomen, indien zijn vader hem aan de zorgen van
een vasten gouverneur had toevertrouwd. Maar hij begreep, dat iemand
van zijne keuze waarschijnlijk niet welgevallig op Waverley-Honour zou
geweest zijn, en dat eene keuze, zoo als Sir Everard ligt doen zou,
indien de zaak aan dezen overgelaten werd, hem zelven met een lastigen
huisgenoot, zoo al niet met een staatkundigen spion, in zijn huisgezin
zou bezwaard hebben. Hij haalde daarom zijn secretaris, een jong man
van smaak en kunde over, een uur of twee aan Eduards opvoeding te
besteden, zoolang deze op Brere-Wood Lodge was, en liet zijn oom
verantwoordelijk voor zijne vorderingen in de letterkunde, gedurende
het verblijf op het kasteel.
Ook hiervoor werd in zekere mate behoorlijk gezorgd. Sir Everards
Kapelaan, van de Oxfordsche academie, die zijn betrekking aldaar
verloren had omdat hij, bij de troonsbeklimming van George I, geweigerd
had den gevorderden eed af te leggen, was niet slechts een uitstekend
beoefenaar der oude letterkunde, maar ook vrij bedreven in de
wetenschappen, en in de meeste nieuwe talen. Hij was echter bejaard en
toegevend, en de herhaalde tusschenregeering, gedurende welke Eduard
geheel van zijne tucht ontslagen was, bracht zulk eene verslapping van
gezag te weeg, dat de knaap in ruime mate vrijheid had te leeren, zoo
als hij wilde, wat hij wilde en wanneer hij wilde.
Deze ongeregeldheid zou verderfelijk geweest zijn voor een jongen van
geringe geestvermogens, die, gevoelende hoe moeielijk het verwerven van
kundigheden is, ze geheel en al zou verwaarloosd hebben, zoo hij niet
daartoe door zijn meester werd aangezet, en even gevaarlijk zou zij
ligt gebleken zijn voor een knaap, wiens levenslust sterker was dan
zijn verbeelding of gevoel, daar de onweerstaanbare invloed van vrouw
natuur op een krachtig gestel, hem gewis van den morgen tot den avond
tot het najagen van veldvermaken zou hebben aangespoord. Maar Eduard
Waverleys karakter was van beide evenver verwijderd. Zijn bevatting was
zoo ongemeen vlug, dat ze bijna op intuïtie geleek, en de voornaamste
zorg van zijn onderwijzer was, om hem, gelijk een jager zich zou
uitdrukken, voor het voorbijloopen van het wild te bewaren, dat wil
zeggen, voor het verwerven van kunde op eene vluchtige, oppervlakkige
en onvoldoende wijze. En hier had de meester nog eene andere neiging te
bestrijden, maar al te vaak met een schitterende verbeelding en
levendigen geest gepaard, – namelijk die traagheid van aard, welke
alleen te overwinnen is door vurige zucht naar voldoening, en die de
studie laat varen, zoodra de nieuwsgierigheid voldaan, het genoegen in
het overwinnen van moeielijkheden gelegen, voorbij, en de nieuwheid van
het onderzoek ten einde is. Eduard legde zich met geestdrift op een of
anderen hem door zijn meester voorgelegden klassieken schrijver toe; en
maakte zich in zoo verre met diens stijl bekend, dat hij het boek
begreep, en als dit hem beviel of belang inboezemde, las hij het uit.
Maar het was te vergeefs dat men zijn aandacht op taalkundige
fijnheden, op het verschil van tongval, op de schoonheid eener
gelukkige uitdrukking of op de kunstmatige verbindingen der syntaxis
poogde te bepalen. „Ik kan een Latijnsch schrijver lezen en verstaan,”
zei de jonge Eduard, met het zelfvertrouwen en de vermetele
lichtzinnigheid van een vijftienjarigen knaap, „en Scaliger of Bentley
konden niet veel meer.” Helaas! hij voorzag niet, dat, terwijl hem
vrijheid gegeven werd, om slechts voor zijn vermaak te lezen, hij voor
altijd de gelegenheid verloor, om zich de gewoonte van gezette en
ijverige studie eigen te maken en om de kunst te leeren, al de
vermogens zijner ziel op eenig ernstig onderzoek te bepalen – eene
kunst veel degelijker dan het opgaren zelfs van die vertrouwde kennis
der klassieke letteren, die het voornaamste doel der studie uitmaakt.
Ik weet, men zal mij hier aan de noodzakelijkheid herinneren, om de
jeugd het onderwijs aangenaam te maken, en aan Tasso’s bijvoeging van
honig in de voor een kind gereed gemaakte medicijnen; maar in eene
eeuw, waarin den kinderen de droogste kundigheden langs den
aanlokkelijken weg van onderhoudende spelen worden geleerd, heeft men
weinig reden om voor de gevolgen van eene al te ernstige of te gestreng
ingerichte studie beducht te zijn. De geschiedenis van Engeland is
thans tot een kaartspel gemaakt; de meetkundige voorstellen tot
legkaarten en raadsels; en het rekenen kan, naar men ons verzekerd
heeft, genoegzaam aangeleerd worden, door eenige uren in de week te
besteden aan eene nieuwe en meer ingewikkelde inrichting van het
Ganzebord. Er hapert nog maar éene schrede aan, en de artikelen des
Geloofs en de Tien Geboden zullen op dezelfde wijze geleerd worden,
zonder dat men het deftige gelaat, den deftigen toon en de vrome
oplettendheid zal behoeven, tot hiertoe van de welopgevoede jeugd in
dit koningrijk gevorderd. Intusschen mag men wel ernstig in overweging
nemen, of zij, die gewoon zijn enkel door zulke middelen onderwijs te
ontvangen, er niet toe zullen komen, om alles wat hun voorkomt onder de
gedaante van studie, te verwerpen; of zij, die de geschiedenis door
speelkaarten leeren, er niet toe zullen vervallen, om aan het middel
boven het doeleinde de voorkeur te geven, en of, zoo wij de waarheden
van de godsdienst spelend onderwijzen, onze kweekelingen niet
langzamerhand zullen verleid worden, hun godsdienst slechts als spel te
beschouwen. Voor onzen jongen held, wien het vrij gelaten werd zijn
onderricht enkel volgens de neiging zijns harten te kiezen, en die, bij
gevolg het slechts zoo lang zoekt, als het hem genoegen verschafte, had
de toegevendheid zijner opvoeders kwade gevolgen, die gedurende
geruimen tijd van invloed waren op zijn karakter, zijn geluk en zijn
bruikbaarheid in de maatschappij.
Eduards verbeeldingskracht en liefde voor de letteren, schoon de eerste
levendig en de laatste vurig was, ver van een middel tegen deze kwaal
aan te bieden, dienden slechts om hare hevigheid te vermeerderen. De
boekerij op Waverley-Honour, een ruim Gothisch vertrek, met dubbele
bogen en eene gaanderij, bevatte een even gemengde als uitgebreide
boekverzameling. Zij was in den loop van twee honderd jaren
bijeengebracht door eene familie, die altijd rijk was geweest, en bij
gevolg geneigd uit weelde, de kasten te vullen met de letterkunde van
den dag, zonder veel onderzoek of nauwgezette beoordeeling. In dit
uitgebreid gebied mogt Eduard vrij rondzwerven. Zijn gouverneur had
zijne eigene geliefkoosde studiën; en kerkelijke politiek en
godsdienstig twistgeschrijf, verbonden met de zucht tot gemak, –
ofschoon hij op bepaalde uren zich bezig hield met den vermoedelijken
erfgenaam van zijn beschermer, – gaven hem aanleiding om iedere
verontschuldiging aan te grijpen, om geen bepaald en geregeld toezicht
over al zijn studiën te houden.
Sir Everard was zelf nooit iemand van studie geweest, en hield het er
voor, even als zijne zuster, Rachel Waverley, dat, als men slechts las,
het doet er niet toe wat, men nuttig bezig was. Zij waren beiden
overtuigd dat het volgen der letters van het alphabet met het oog op
zich zelf, een verdienstelijke arbeid was, zonder dat men angstvallig
behoefde te onderzoeken, welke denkbeelden of leeringen uit de
schikking der letters geboren worden. Terwijl een betere opvoeding zijn
zucht om zich te vermaken al spoedig in dorst naar kennis zou
herschapen hebben, dreef de jonge Waverley, gelijk een schip zonder
stuurman of roer, in deze zee van boeken rond. Niets groeit wellicht
meer door toegevendheid aan, dan deze oppervlakkige en ongeregelde
leeslust, vooral wanneer men er zulk eene gunstige gelegenheid toe
vindt. Ik geloof, dat een der redenen, waarom men zoovele voorbeelden
van geleerdheid in de mindere standen aantreft, hierin te zoeken is,
dat de arme student, met gelijke geestvermogens, beperkt is tot een
engen kring, als hij zijn lust tot lezen voldoen wil, en genoopt is
zich die boeken, welke hij bezit, eigen te maken, eer hij nieuwe kan
verkrijgen. Eduard, integendeel, las, evenals die lekkerbek, die zich
niet verwaardigde meer dan een klein hapje uit den door de zon
gekleurden kant eener perzik te nemen, geen oogenblik langer in een
boek als zijne nieuwsgierigheid of belangstelling er niet meer door
geboeid werd, en het noodwendig gevolg was, dat de gewoonte, om alleen
deze soort van onderhoud te zoeken, het afleeren er van dagelijks
moeielijker maakte; tot dat de zucht om te lezen, even als alle andere
sterke begeerten, waaraan men te veel toegeeft, eene zekere verzadiging
veroorzaakt.
Maar, eer hij tot deze onverschilligheid kwam, had hij zijn geheugen,
hetwelk inderdaad allergelukkigst mocht heeten, met een grooten
voorraad van wetenswaardige, schoon slecht gerangschikte kundigheden,
verrijkt. In de Engelsche letterkunde had hij Shakespeare en Milton,
alsmede de oudere tooneeldichters bestudeerd; menige boeiende en
belangrijke plaats uit de kronijken kende hij van buiten; terwijl hij
bijzonder vertrouwd was met Spencer, Drayton en andere dichters, die
zich op het romantische gebied hebben onderscheiden; zeker de
verleidelijkste werken voor een jeugdige verbeelding, eer de driften
ontwaakt zijn, die een meer sentimenteele soort van poëzij eischen.
Hiervoor opende zijne kennis van het Italiaansch hem later de deur. Hij
had de tallooze romantische gedichten doorloopen, welke sedert den tijd
van Pulci een geliefkoosde oefening zijn geweest voor Italiës schoone
geesten, en had bevrediging gezocht in de talrijke verzamelingen der
„Novelle,” welke, in navolging van het Decamerone, door het genie van
deze smaakvolle, schoon weelderige natie voortgebracht werden. In de
oude letterkunde had Waverley de gewone vorderingen gemaakt, en las hij
de meest bekende schrijvers; verwijl het Fransch hem een bijna
onuitputtelijken voorraad van gedenkschriften had opgeleverd,
nauwelijks geloofwaardiger dan romans, en van romans, zoo
welgeschreven, dat ze nauwelijks van gedenkschriften te onderscheiden
waren. De schitterende bladzijden van Froissart, met zijne hartroerende
en prachtige beschrijvingen van oorlog en tournooijen, behoorden tot
zijn lievelingslectuur; en uit die van Brantôme en de la Noue had hij
geleerd het woeste, losse en bijgeloovige karakter der edelen van de
Ligue, met den strengen, stroeven en soms woeligen geest der Hugenooten
te vergelijken. De Spanjaard had bijgedragen, om zijn voorraad van
ridderlijke en romaneske denkbeelden te vermeerderen. De vroegere
letterkunde der Noordsche natiën ontging niet aan de liefhebberij van
iemand, die meer las om de verbeelding dan om het verstand te voeden.
En echter mocht Eduard Waverley, ofschoon hij veel wist wat slechts
weinigen bekend is, te recht voor onwetend gehouden worden, omdat hij
weinig wist van hetgeen den mensch waardigheid geeft, en hem in staat
stelt een hooge plaats in de maatschappij op eervolle wijze te
vervullen.
Eenige oplettendheid van de zijde zijner ouders, had ligt kunnen
strekken, om de ontaarding van den geest, het gevolg van zulk een
ongeregelde wijze van studie, te voorkomen. Maar zijne moeder stierf in
het zevende jaar na de verzoening tusschen de broeders, en Richard
Waverley zelf, die na dezen tijd meestal in Londen woonde, was te zeer
vervuld met zijn plannen om rijkdom en onderscheiding te verwerven, om
zich niet tevreden te stellen met de verzekering dat Eduard zeer op
boeken gesteld en wellicht bestemd was om Bisschop te worden. Had hij
de wakende droomen van zijn zoon kunnen nagaan, hij zou dan tot eene
geheel andere gevolgtrekking gekomen zijn.