Het is, dus, zestig jaren geleden, dat Eduard Waverley, de held der
volgende bladzijden, afscheid nam van zijne familie, om zich te voegen
bij een regiment dragonders, waarbij hij onlangs een officiersplaats
erlangd had. Het was een treurige dag op Waverley-Honour, toen de
jeugdige krijgsman afscheid nam van Sir Everard, zijn hem hartelijk
genegen ouden oom, van wiens naam en familiegoed hij de vermoedelijke
erfgenaam was. Verschil van staatkundige gevoelens had lang geleden den
baronet in onmin gebracht met zijn jongeren broeder, Richard Waverley,
den vader van onzen held. Sir Everard had van zijne voorouders den
geheelen sleep van Tory en streng-kerkelijke neigingen en vooroordeelen
geërfd, waardoor het huis van Waverley sedert den grooten burgeroorlog
zich onderscheiden had. Richard daarentegen, die tien jaar jonger was,
zag zich beperkt tot de fortuin van een jongeren broeder, en vond in
het spelen van die rol even weinig eer als voordeel. Hij zag al spoedig
in, dat, wil men op den levensweg vooruitkomen, het noodzakelijk is,
zoo min mogelijk op zijne schouders te laden. De schilders spreken van
de moeielijkheid, om gemengde hartstochten in dezelfde trekken, op
hetzelfde oogenblik, uit te drukken; voor den zielkundige zou het niet
minder bezwaarlijk zijn, de onderscheidene drijfveeren na te vorschen,
waarvan onze daden afhankelijk zijn. Met behulp der geschiedenis en van
het gezond verstand kwam Richard Waverley tot de overtuiging, volgens
de woorden van het oude liedje dat:
Lijdlijke gehoorzaamheid maar spel,
Zich niet verzetten onzin was.
Waarschijnlijk echter, zou geen redeneering in staat geweest zijn het
erfelijk vooroordeel te weren, indien Richard voorzien had, dat Sir
Everard, die zich eene eerste ongelukkige liefde sterk aantrok, tot op
zijn twee-en-zeventigste jaar een oude vrijer zou blijven. Het
vooruitzicht op de erfenis, hoe verwijderd ook, zou in dat geval er hem
toe gebracht hebben, zich te getroosten, het grootste deel zijns levens
als „Jonker Richard van het Kasteel, de broeder van den baronet,” door
te brengen, in de hoop dat hij vóór zijn dood, den titel zou voeren van
Sir Richard Waverley van Waverley-Honour, erfgenaam van een vorstelijk
goed en van grooten staatkundigen invloed in het graafschap, waar zijne
bezittingen gelegen waren. Maar zulk een loop der dingen liet zich
bezwaarlijk verwachten in Richard’s jeugd, toen Sir Everard in den
bloei des levens was, en zeker kon zijn van in bijna iedere familie als
een aannemelijke partij te zullen worden beschouwd, hetzij rijkdom of
schoonheid door hem mocht worden nagejaagd, en op een tijd toen
inderdaad het gerucht van zijn aanstaand huwelijk de buurt geregeld
eenmaal ’s jaars in rep en roer bracht. Zijn broeder zag dus geen weg
tot onafhankelijkheid, dan dien van zijn eigene krachten in te spannen,
en een staatkundig geloof te omhelzen, meer overeenkomstig zoowel met
de rede als met zijn eigen belang, dan de erfelijke verkleefdheid van
Sir Everard aan de Orthodoxe Kerk en het huis van Stuart. Bij zijn
intrede in de wereld veranderde hij dus van partij en deed zich als een
openbare Whig en vriend der Hannoversche troonsopvolging kennen.
Het ministerie van dien tijd streefde er wijselijk naar om de macht der
oppositie te verzwakken. De Tory-adel, die zijn luister van den
zonneschijn des troons ontleende, was sedert korten tijd begonnen zich
langzamerhand met het nieuwe regeerende huis te verzoenen. Maar de
rijke Engelsche land-edellieden, eene klasse die, bij veel van de oude
zeden en oorspronkelijke onbedorvenheid, een groote mate van
stijfzinnig en onbuigzaam vooroordeel behield, bleven op een afstand,
terwijl zij een trotschen en wreveligen tegenstand boden en menigen
blik van gemengde spijt en hoop op ’s Hertogenbosch, Avignon en Italië
wierpen. [16]
Het toetreden des naastbestaanden van een dezer onverzettelijke
tegenstanders, werd als een middel beschouwd om meer bekeerlingen te
maken, en dien ten gevolge werd Richard Waverley veel meer dan zijne
bekwaamheden of zijn staatkundig gewicht eischten, door de ministers
begunstigd en bevorderd. Men had trouwens ontdekt, dat hij vrij wat
aanleg had voor het staatkundig leven; en eenmaal bij den Minister
toegelaten, werd hij ook spoedig bevorderd. Sir Everard zag uit de
openbare nieuwsberichten eerst, dat de heer Richard Waverley tot lid
van het Lagerhuis gekozen was, om een ministerieelgezind plaatsje te
vertegenwoordigen; daarna, dat de heer Richard Waverley een belangrijk
deel had genomen in de debatten over de Accijnswet, ten gunste van het
bewind; en eindelijk, dat de heer Richard Waverley, vereerd was met het
lidmaatschap van een dier colleges, waar het genoegen van zijn land te
dienen gepaard gaat met andere belangrijke voordeelen, die, om ze des
te aannemelijker te maken, geregeld elk kwartaal terugkomen.
Ofschoon deze gebeurtenissen elkander zoo spoedig opvolgden, dat de
schrandere redacteur van een hedendaagsch nieuwsblad de twee laatste
zou voorzegd hebben, op het eigen oogenblik dat hij de eerste
aankondigde, bereikten ze Sir Everard echter slechts langzaam en, als
het ware druppelsgewijs, uit den kouden en tragen distilleerketel van
Dyer’s „Weekblad.” [17] Want in het voorbijgaan zij hier aangemerkt,
dat, in plaats van die postkarren, door middel waarvan ieder
ambachtsman in zijn stuiversclub des avonds uit twintig elkander
tegensprekende dagbladen het nieuws van den vorigen dag uit de
hoofdstad kan ontvangen, in die dagen een wekelijksche post op
Waverley-Honour een wekelijksche courant bracht, die, nadat ze Sir
Everard’s nieuwsgierigheid, benevens die zijner zuster en van een ouden
keldermeester had bevredigd, geregeld gebracht werd van het slot naar
de pastorie, en vervolgens van de pastorie naar den heer Stubbs op de
boerderij, vandaar, naar des baronets rentmeester, in zijn net wit huis
op de heide; van den rentmeester naar den schout, en van dezen, door
een uitgebreiden kring van eerzame vrouwen en bazen, door wier harde en
hoornachtige handen ze gemeenlijk omtrent eene maand na hare uitkomst
aan flarden was gescheurd.
Dit langzame overbrengen van berichten was in het geval van Richard
Waverley niet zonder eenig nut, want, als al de gruwelen door hem
gepleegd, op eens Sir Everard’s ooren bereikt hadden, zou buiten
twijfel de nieuwbenoemde ambtenaar slechts weinig reden gehad hebben,
zich op zijn staatkundigen voorspoed te verheffen. Het karakter van den
baronet, ofschoon hij onder de zachtaardigste der menschen behoorde,
had ook zijn gevoelige zijde; zijns broeders gedrag had hem diep
gekwetst; het famieliegoed Waverley was een vrije bezitting (want het
was nooit bij iemand der voormalige eigenaars opgekomen, dat een hunner
nakomelingen zich schuldig zou kunnen maken aan de afschuwelijkheden,
aan Richard door Dyer’s nieuwsblad thans te laste gelegd,) en al ware
het dit ook niet, dan moest toch het huwelijk van den bezitter voor
zijn broeder als erfgenaam volstrekt noodlottig worden. Deze
verschillende denkbeelden verdrongen elkander in het brein van Sir
Everard, zonder dat hij evenwel tot eenig bepaald besluit kwam.
Hij onderzocht zijn stamboom, die, opgeluisterd met menig zinnebeeldig
teeken van eer en heldendeugd, aan den rijk versierden wand der groote
zaal hing. De naaste afstammelingen van Sir Hildebrand Waverley, bij
ontstentenis van die van den oudsten zoon Wilfred, (van wien Sir
Everard en zijn broeder de eenige vertegenwoordigers bleven,) waren
(gelijk dit hooggeschatte register hem berichtte, en hij inderdaad zelf
wel wist) de Waverleys van Highley-Park, in het graafschap Hampshire
met welke de hoofdtak of liever de stamhouders van het huis, sedert het
groote rechtsgeding in 1670, alle gemeenschap had opgegeven. Deze
zijtak had een tweede vergrijp jegens het hoofd en den oorsprong van
zijn adel gepleegd, door het huwelijk van diens vertegenwoordiger met
Judith, erfgename van Olivier Bradshawe, van Highley-Park, wiens wapen,
hetzelfde als dat van Bradshawe den koningsmoordenaar, door haar met
het oude en eerbiedwaardige der Waverleys vereenigd was geworden. Deze
beleedigingen echter waren, in de hitte zijner gramschap, uit het
geheugen van Sir Everard verdwenen, en zoo de procureur Duitendief,
dien hij met zijn rijtuig opzettelijk had laten halen, slechts een uur
vroeger aangekomen ware, zou deze het buitenkansje hebben gehad om eene
nieuwe erfregeling van de heerlijkheid en het rechtsgebied van
Waverley-Honour met alle aanhoorigheden op te stellen. Maar een uur van
koel overleg is van geen luttel belang, als het gebezigd wordt om de
wederzijdsche gebreken van twee maatregelen te wikken en te wegen,
welke ons geen van beide werkelijk aanstaan. De procureur vond zijn
cliënt in een diep gepeins gewikkeld, hetwelk hij te eerbiedig was om
anders te storen, dan door het te voorschijn halen van zijn papier en
lederen inktkoker, ten bewijze dat hij gereed was de bevelen van
„mijnheer” op te teekenen. Doch zelfs deze kleine beweging hinderde Sir
Everard, die ze voor een verwijt zijner besluiteloosheid aanzag. Hij
zag naar den procureur met een soort van verlangen, om zijn vonnis uit
te spreken, toen de zon, die van achter een wolk te voorschijn kwam, op
eens haar schitterend licht door de geschilderde glazen in het donker
kabinet wierp, waar zij zaten. Zoodra de baronet zijn oog naar dien
glans ophief, viel het juist op het middelste schild, waarop hetzelfde
devies prijkte, door zijn voorzaat, gelijk men zeide, in het veld van
Hastings gevoerd: drie hermelijnen in zilver op een azuren veld, met de
eigenaardige spreuk, „sans tache” „Moge onze naam eer vergaan,” dacht
Everard, „dan dat dit oude en geëerde wapen vereenigd zou worden met
het onteerde schild van een verraderlijken rondhoofd!”
Dit alles was het uitwerksel van een invallenden zonnestraal, die den
procureur het noodige licht gaf om zijne pen te vermaken. De pen werd
te vergeefs versneden. De rechtsgeleerde werd weggezonden, met verzoek
om zich op het eerste bevel gevel gereed te houden.
De verschijning van den procureur op het kasteel gaf aanleiding tot
vrij wat gissingen in dat gedeelte der wereld, waarvan Waverley-Honour
het middelpunt uitmaakte. Maar de oordeelkundige staatslieden dezer
kleine wereld voorspelden nog ergere gevolgen voor Richard Waverley,
toen kort na zijn verzaking der familie-politiek zijn broeder iets
anders ondernam. Dit was niets minder dan een uitstapje van den baronet
in de koets met zes paarden, met een gevolg van vier bedienden in rijk
liverei, om een bezoek van eenigen duur af te leggen bij een edelen
Pair, op de grenzen van het graafschap, van onbevlekte afkomst en
standvastige Tory-beginsels, en de gelukkige vader van zes ongehuwde,
wel opgevoede dochters. Sir Everards ontvangst in dit gezin was, zoo
als men licht begrijpt, gunstig genoeg; maar van de zes jonge dames
viel ongelukkig zijn smaak op Lady Emilia, de jongste, die zijn
oplettendheden met een verlegenheid aannam, welke terstond verried, dat
zij ze niet durfde afwijzen, maar tevens, dat ze haar alles behalve
aangenaam waren. Sir Everard moest wel iets buitengewoons bespeuren in
de onderdrukte aandoening, die zij liet blijken bij de voorkeur, welke
hij haar schonk; maar gerustgesteld door de verstandige gravin, die ze
voorstelde als slechts de natuurlijke gevolgen eener afgezonderde
opvoeding, zou het offer licht volbracht zijn geworden, zoo als zeker
dikwerf geschiedt, ware dit niet verhinderd door den moed eener oudere
zuster, die den rijken minnaar openbaarde, dat Lady Emilia haar hart
geschonken had aan een jong soldaat zonder fortuin, een harer
naastbestaanden. Op deze tijding, welke hem in een bijeenkomst met de
jonge dame door haar zelve, schoon in den vreeselijksten angst voor
haars vaders gramschap, werd bevestigd, legde Sir Everard eene groote
ontroering aan den dag. Eer en edelmoedigheid waren erfelijke
eigenschappen van het huis Waverley. Met eene bevalligheid en
kieschheid, een romanheld waardig, gaf Sir Everard zijn aanzoek om de
hand van Lady Emilia op. Het gelukte hem zelfs vóor zijn vertrek van
den vader de toestemming te verkrijgen tot hare vereeniging met het
voorwerp harer keuze. Welke drangredenen hij bezigde, kan niet
nauwkeurig opgegeven worden; maar onmiddellijk na deze onderhandeling
klom de jonge officier in het leger met eene snelheid op, die de gewone
bevordering naar verdienste zonder bescherming, verre te boven ging.
De schok, dien Sir Everard bij deze gelegenheid ondervond, hoewel
verzacht door het bewustzijn van braaf en edelmoedig gehandeld te
hebben, bleef niet zonder invloed op zijn volgend leven. Zijn besluit
om te trouwen was in een vlaag van toorn genomen; de moeite van het
vrijen strookte niet al te wel met de deftige gemakzucht zijner
leefwijze; hij was maar even aan het gevaar ontsnapt, van eene vrouw te
huwen, die hem nooit kon beminnen, en zijn trots kon bezwaarlijk zeer
gevleid zijn door den afloop der liefdesgeschiedenis, al ware het ook
dat zijn hart er niet onder geleden had. De slotsom van de gansche zaak
was, dat hij naar Waverley-Honour terugkeerde, zonder zijne genegenheid
op iemand anders te hebben overgebracht, niettegenstaande de zuchten en
kwijnende blikken der schoone snapster, die, uit zuiver zusterlijke
liefde, het geheim van Lady Emilia had geopenbaard, en in weerwil van
de knikjes, wenken en toespelingen der gedienstige, vrome moeder, en de
deftige lofspraken, die de graaf achtereenvolgens hield over de
ingetogenheid, het gezond verstand en den bijzonder goeden aanleg
zijner eerste, tweede, derde, vierde en vijfde dochter. De herinnering
aan zijn mislukte liefde was voor Sir Everard, zoo als voor vele
anderen van zijn aard, die tevens koel, trotsch, licht geraakt en traag
zijn, eene waarschuwing: om zich niet andermaal aan soortgelijke
teleurstelling, droefheid en vergeefsche moeite te wagen. Hij bleef op
Waverley-Honour leven als een oud Engelsch edelman, van hooge afkomst
en groot fortuin. Zijne zuster Freule Rachel Waverley, zat aan ’t hoofd
van zijne tafel, en zij werden langzamerhand een oud vrijer en eene
oude vrijster, de zachtaardigste en vriendelijkste van allen, die ooit
de gelofte om ongehuwd te blijven hadden afgelegd.
Sir Everards verstoordheid op zijn broeder, hoe hevig ook in den
beginne, was slechts van korten duur; zijn afkeer nogtans van den Wigh
en den rijks-ambtenaar, schoon niet sterk genoeg, om hem een of
anderen, voor Richards belangen nadeeligen maatregel te doen nemen,
vermeerderde op den duur de tusschen hen bestaande vervreemding.
Richard kende de wereld en zijn broeder te goed om niet te begrijpen,
dat eenige onvoorzichtige of overhaaste toenadering van zijn kant, den
passieven afkeer van den baron, tot handelen zou opwekken. Het toeval
bracht echter ten laatste eene toenadering te weeg. Richard had een
jonge vrouw van goeden huize getrouwd, in de hoop dat de invloed van
hare bloedverwanten en van haren rijkdom zijne bevordering in de hand
zou werken. Door haar werd hij bezitter van eene heerlijkheid van
eenige waarde, op eenige mijlen afstands van Waverley-Honour.
De kleine Eduard, de held onzer geschiedenis, toen in zijn vijfde jaar,
was hun eenig kind. Op zekeren morgen liep de jongen met de meid, aan
wier zorgen hij toevertrouwd was, een half uur verder dan de oprijlaan
van Brere-Wood-Lodge, zijns vaders plaats. Hunne aandacht werd
getrokken door eene koets met zes deftige, zwarte langstaart paarden
bespannen, en met zoo veel snijwerk en verguldsel dat het zelfs den
Lord Mayor eere zou hebben aangedaan. Het rijtuig wachtte op den
eigenaar, die, op een kleinen afstand, zich onledig hield met het
nagaan der vorderingen van een half gebouwde pachterswoning. Ik weet
niet of de „bonne” van den knaap eene vrouw uit Wallis of uit Schotland
[18] geweest was, of op welke wijze hij een wapenschild met drie
hermelijnen met het denkbeeld van persoonlijk eigendom in verband
bracht; maar zoodra hij het wapen der familie zag, besloot hij stoutweg
zijn recht te doen gelden op het schitterende rijtuig, waarop het
geschilderd was. De baronet kwam terug, terwijl de meid het kind te
vergeefs van zijn voornemen poogde terug te brengen, om zich de
vergulde koets met zes paarden toe te eigenen. De ontmoeting had op een
gelukkig oogenblik voor Eduard plaats, daar de aandacht zijns ooms
juist, met een zeker weemoedig gevoel was gevallen op de flinke knapen
van den forschen landman, wiens woning volgens zijne plannen gebouwd
werd. In het ronde, blozende gelaat van den kleinen engel dáar, vóor
hem, die zijn oog had, zijn naam droeg en eene erfelijke aanspraak op
zijn bloedverwantschap, genegenheid en bescherming bezat, krachtens een
band, door Sir Everard even heilig geacht, als de Kouseband of de
Blauwe mantel [19], scheen de Voorzienigheid hem juist het meest
geschikte voorwerp toe te zenden, om de leegte in zijne toekomst en in
zijn hart aan te vullen. Het kind en de meid werden in het rijtuig
terug gezonden naar Brere-Wood-Lodge, met eene boodschap, welke voor
Richard Waverley de deur van verzoening met zijn ouderen broeder
openzette. Hun omgang evenwel bleef eer stijf en beleefd, dan
broederlijk en hartelijk; maar voldeed aan de wenschen van beide
partijen. Sir Everard genoot in het gezelschap van zijn kleinen neef de
voldoening voor zijn trots, dat zijn geslacht niet zou uitsterven,
terwijl hij tegelijker tijd zijn hartelijke genegenheid aan het kind
schenken kon. Wat Richard Waverley betreft, deze zag, in de toenemende
liefde tusschen oom en neef, het middel om de toekomst van zijn zoon te
verzekeren, zoo al niet om zijn eigen erfopvolging te bevorderen, die
hij besefte, eer in gevaar geraken, dan bevorderd zou worden door een
poging zijnerzijds, tot een meer innigen omgang met een man van Sir
Everards gewoonten en gevoelens.
Op deze wijze verkreeg de kleine Eduard, volgens eene soort van
stilzwijgend verdrag, vrijheid om het grootste gedeelte van het jaar op
het Kasteel door te brengen, terwijl hij daardoor tot beide
huisgezinnen in dezelfde nauwe betrekking scheen te staan, ofschoon de
gemeenschap tusschen deze, voor het overige, zich tot stijve
boodschappen en nog stijver bezoeken bepaalde. De opvoeding van den
knaap werd beurtelings naar den smaak en de gevoelens van zijn oom en
van zijn vader geregeld. Doch hiervan meer in het volgende hoofdstuk.