WAVERLEY-HONOUR. [15] EEN TERUGBLIK.

Het is, dus, zestig jaren geleden, dat Eduard Waverley, de held der

volgende bladzijden, afscheid nam van zijne familie, om zich te voegen

bij een regiment dragonders, waarbij hij onlangs een officiersplaats

erlangd had. Het was een treurige dag op Waverley-Honour, toen de

jeugdige krijgsman afscheid nam van Sir Everard, zijn hem hartelijk

genegen ouden oom, van wiens naam en familiegoed hij de vermoedelijke

erfgenaam was. Verschil van staatkundige gevoelens had lang geleden den

baronet in onmin gebracht met zijn jongeren broeder, Richard Waverley,

den vader van onzen held. Sir Everard had van zijne voorouders den

geheelen sleep van Tory en streng-kerkelijke neigingen en vooroordeelen

geërfd, waardoor het huis van Waverley sedert den grooten burgeroorlog

zich onderscheiden had. Richard daarentegen, die tien jaar jonger was,

zag zich beperkt tot de fortuin van een jongeren broeder, en vond in

het spelen van die rol even weinig eer als voordeel. Hij zag al spoedig

in, dat, wil men op den levensweg vooruitkomen, het noodzakelijk is,

zoo min mogelijk op zijne schouders te laden. De schilders spreken van

de moeielijkheid, om gemengde hartstochten in dezelfde trekken, op

hetzelfde oogenblik, uit te drukken; voor den zielkundige zou het niet

minder bezwaarlijk zijn, de onderscheidene drijfveeren na te vorschen,

waarvan onze daden afhankelijk zijn. Met behulp der geschiedenis en van

het gezond verstand kwam Richard Waverley tot de overtuiging, volgens

de woorden van het oude liedje dat:

Lijdlijke gehoorzaamheid maar spel,

Zich niet verzetten onzin was.

Waarschijnlijk echter, zou geen redeneering in staat geweest zijn het

erfelijk vooroordeel te weren, indien Richard voorzien had, dat Sir

Everard, die zich eene eerste ongelukkige liefde sterk aantrok, tot op

zijn twee-en-zeventigste jaar een oude vrijer zou blijven. Het

vooruitzicht op de erfenis, hoe verwijderd ook, zou in dat geval er hem

toe gebracht hebben, zich te getroosten, het grootste deel zijns levens

als „Jonker Richard van het Kasteel, de broeder van den baronet,” door

te brengen, in de hoop dat hij vóór zijn dood, den titel zou voeren van

Sir Richard Waverley van Waverley-Honour, erfgenaam van een vorstelijk

goed en van grooten staatkundigen invloed in het graafschap, waar zijne

bezittingen gelegen waren. Maar zulk een loop der dingen liet zich

bezwaarlijk verwachten in Richard’s jeugd, toen Sir Everard in den

bloei des levens was, en zeker kon zijn van in bijna iedere familie als

een aannemelijke partij te zullen worden beschouwd, hetzij rijkdom of

schoonheid door hem mocht worden nagejaagd, en op een tijd toen

inderdaad het gerucht van zijn aanstaand huwelijk de buurt geregeld

eenmaal ’s jaars in rep en roer bracht. Zijn broeder zag dus geen weg

tot onafhankelijkheid, dan dien van zijn eigene krachten in te spannen,

en een staatkundig geloof te omhelzen, meer overeenkomstig zoowel met

de rede als met zijn eigen belang, dan de erfelijke verkleefdheid van

Sir Everard aan de Orthodoxe Kerk en het huis van Stuart. Bij zijn

intrede in de wereld veranderde hij dus van partij en deed zich als een

openbare Whig en vriend der Hannoversche troonsopvolging kennen.

Het ministerie van dien tijd streefde er wijselijk naar om de macht der

oppositie te verzwakken. De Tory-adel, die zijn luister van den

zonneschijn des troons ontleende, was sedert korten tijd begonnen zich

langzamerhand met het nieuwe regeerende huis te verzoenen. Maar de

rijke Engelsche land-edellieden, eene klasse die, bij veel van de oude

zeden en oorspronkelijke onbedorvenheid, een groote mate van

stijfzinnig en onbuigzaam vooroordeel behield, bleven op een afstand,

terwijl zij een trotschen en wreveligen tegenstand boden en menigen

blik van gemengde spijt en hoop op ’s Hertogenbosch, Avignon en Italië

wierpen. [16]

Het toetreden des naastbestaanden van een dezer onverzettelijke

tegenstanders, werd als een middel beschouwd om meer bekeerlingen te

maken, en dien ten gevolge werd Richard Waverley veel meer dan zijne

bekwaamheden of zijn staatkundig gewicht eischten, door de ministers

begunstigd en bevorderd. Men had trouwens ontdekt, dat hij vrij wat

aanleg had voor het staatkundig leven; en eenmaal bij den Minister

toegelaten, werd hij ook spoedig bevorderd. Sir Everard zag uit de

openbare nieuwsberichten eerst, dat de heer Richard Waverley tot lid

van het Lagerhuis gekozen was, om een ministerieelgezind plaatsje te

vertegenwoordigen; daarna, dat de heer Richard Waverley een belangrijk

deel had genomen in de debatten over de Accijnswet, ten gunste van het

bewind; en eindelijk, dat de heer Richard Waverley, vereerd was met het

lidmaatschap van een dier colleges, waar het genoegen van zijn land te

dienen gepaard gaat met andere belangrijke voordeelen, die, om ze des

te aannemelijker te maken, geregeld elk kwartaal terugkomen.

Ofschoon deze gebeurtenissen elkander zoo spoedig opvolgden, dat de

schrandere redacteur van een hedendaagsch nieuwsblad de twee laatste

zou voorzegd hebben, op het eigen oogenblik dat hij de eerste

aankondigde, bereikten ze Sir Everard echter slechts langzaam en, als

het ware druppelsgewijs, uit den kouden en tragen distilleerketel van

Dyer’s „Weekblad.” [17] Want in het voorbijgaan zij hier aangemerkt,

dat, in plaats van die postkarren, door middel waarvan ieder

ambachtsman in zijn stuiversclub des avonds uit twintig elkander

tegensprekende dagbladen het nieuws van den vorigen dag uit de

hoofdstad kan ontvangen, in die dagen een wekelijksche post op

Waverley-Honour een wekelijksche courant bracht, die, nadat ze Sir

Everard’s nieuwsgierigheid, benevens die zijner zuster en van een ouden

keldermeester had bevredigd, geregeld gebracht werd van het slot naar

de pastorie, en vervolgens van de pastorie naar den heer Stubbs op de

boerderij, vandaar, naar des baronets rentmeester, in zijn net wit huis

op de heide; van den rentmeester naar den schout, en van dezen, door

een uitgebreiden kring van eerzame vrouwen en bazen, door wier harde en

hoornachtige handen ze gemeenlijk omtrent eene maand na hare uitkomst

aan flarden was gescheurd.

Dit langzame overbrengen van berichten was in het geval van Richard

Waverley niet zonder eenig nut, want, als al de gruwelen door hem

gepleegd, op eens Sir Everard’s ooren bereikt hadden, zou buiten

twijfel de nieuwbenoemde ambtenaar slechts weinig reden gehad hebben,

zich op zijn staatkundigen voorspoed te verheffen. Het karakter van den

baronet, ofschoon hij onder de zachtaardigste der menschen behoorde,

had ook zijn gevoelige zijde; zijns broeders gedrag had hem diep

gekwetst; het famieliegoed Waverley was een vrije bezitting (want het

was nooit bij iemand der voormalige eigenaars opgekomen, dat een hunner

nakomelingen zich schuldig zou kunnen maken aan de afschuwelijkheden,

aan Richard door Dyer’s nieuwsblad thans te laste gelegd,) en al ware

het dit ook niet, dan moest toch het huwelijk van den bezitter voor

zijn broeder als erfgenaam volstrekt noodlottig worden. Deze

verschillende denkbeelden verdrongen elkander in het brein van Sir

Everard, zonder dat hij evenwel tot eenig bepaald besluit kwam.

Hij onderzocht zijn stamboom, die, opgeluisterd met menig zinnebeeldig

teeken van eer en heldendeugd, aan den rijk versierden wand der groote

zaal hing. De naaste afstammelingen van Sir Hildebrand Waverley, bij

ontstentenis van die van den oudsten zoon Wilfred, (van wien Sir

Everard en zijn broeder de eenige vertegenwoordigers bleven,) waren

(gelijk dit hooggeschatte register hem berichtte, en hij inderdaad zelf

wel wist) de Waverleys van Highley-Park, in het graafschap Hampshire

met welke de hoofdtak of liever de stamhouders van het huis, sedert het

groote rechtsgeding in 1670, alle gemeenschap had opgegeven. Deze

zijtak had een tweede vergrijp jegens het hoofd en den oorsprong van

zijn adel gepleegd, door het huwelijk van diens vertegenwoordiger met

Judith, erfgename van Olivier Bradshawe, van Highley-Park, wiens wapen,

hetzelfde als dat van Bradshawe den koningsmoordenaar, door haar met

het oude en eerbiedwaardige der Waverleys vereenigd was geworden. Deze

beleedigingen echter waren, in de hitte zijner gramschap, uit het

geheugen van Sir Everard verdwenen, en zoo de procureur Duitendief,

dien hij met zijn rijtuig opzettelijk had laten halen, slechts een uur

vroeger aangekomen ware, zou deze het buitenkansje hebben gehad om eene

nieuwe erfregeling van de heerlijkheid en het rechtsgebied van

Waverley-Honour met alle aanhoorigheden op te stellen. Maar een uur van

koel overleg is van geen luttel belang, als het gebezigd wordt om de

wederzijdsche gebreken van twee maatregelen te wikken en te wegen,

welke ons geen van beide werkelijk aanstaan. De procureur vond zijn

cliënt in een diep gepeins gewikkeld, hetwelk hij te eerbiedig was om

anders te storen, dan door het te voorschijn halen van zijn papier en

lederen inktkoker, ten bewijze dat hij gereed was de bevelen van

„mijnheer” op te teekenen. Doch zelfs deze kleine beweging hinderde Sir

Everard, die ze voor een verwijt zijner besluiteloosheid aanzag. Hij

zag naar den procureur met een soort van verlangen, om zijn vonnis uit

te spreken, toen de zon, die van achter een wolk te voorschijn kwam, op

eens haar schitterend licht door de geschilderde glazen in het donker

kabinet wierp, waar zij zaten. Zoodra de baronet zijn oog naar dien

glans ophief, viel het juist op het middelste schild, waarop hetzelfde

devies prijkte, door zijn voorzaat, gelijk men zeide, in het veld van

Hastings gevoerd: drie hermelijnen in zilver op een azuren veld, met de

eigenaardige spreuk, „sans tache” „Moge onze naam eer vergaan,” dacht

Everard, „dan dat dit oude en geëerde wapen vereenigd zou worden met

het onteerde schild van een verraderlijken rondhoofd!”

Dit alles was het uitwerksel van een invallenden zonnestraal, die den

procureur het noodige licht gaf om zijne pen te vermaken. De pen werd

te vergeefs versneden. De rechtsgeleerde werd weggezonden, met verzoek

om zich op het eerste bevel gevel gereed te houden.

De verschijning van den procureur op het kasteel gaf aanleiding tot

vrij wat gissingen in dat gedeelte der wereld, waarvan Waverley-Honour

het middelpunt uitmaakte. Maar de oordeelkundige staatslieden dezer

kleine wereld voorspelden nog ergere gevolgen voor Richard Waverley,

toen kort na zijn verzaking der familie-politiek zijn broeder iets

anders ondernam. Dit was niets minder dan een uitstapje van den baronet

in de koets met zes paarden, met een gevolg van vier bedienden in rijk

liverei, om een bezoek van eenigen duur af te leggen bij een edelen

Pair, op de grenzen van het graafschap, van onbevlekte afkomst en

standvastige Tory-beginsels, en de gelukkige vader van zes ongehuwde,

wel opgevoede dochters. Sir Everards ontvangst in dit gezin was, zoo

als men licht begrijpt, gunstig genoeg; maar van de zes jonge dames

viel ongelukkig zijn smaak op Lady Emilia, de jongste, die zijn

oplettendheden met een verlegenheid aannam, welke terstond verried, dat

zij ze niet durfde afwijzen, maar tevens, dat ze haar alles behalve

aangenaam waren. Sir Everard moest wel iets buitengewoons bespeuren in

de onderdrukte aandoening, die zij liet blijken bij de voorkeur, welke

hij haar schonk; maar gerustgesteld door de verstandige gravin, die ze

voorstelde als slechts de natuurlijke gevolgen eener afgezonderde

opvoeding, zou het offer licht volbracht zijn geworden, zoo als zeker

dikwerf geschiedt, ware dit niet verhinderd door den moed eener oudere

zuster, die den rijken minnaar openbaarde, dat Lady Emilia haar hart

geschonken had aan een jong soldaat zonder fortuin, een harer

naastbestaanden. Op deze tijding, welke hem in een bijeenkomst met de

jonge dame door haar zelve, schoon in den vreeselijksten angst voor

haars vaders gramschap, werd bevestigd, legde Sir Everard eene groote

ontroering aan den dag. Eer en edelmoedigheid waren erfelijke

eigenschappen van het huis Waverley. Met eene bevalligheid en

kieschheid, een romanheld waardig, gaf Sir Everard zijn aanzoek om de

hand van Lady Emilia op. Het gelukte hem zelfs vóor zijn vertrek van

den vader de toestemming te verkrijgen tot hare vereeniging met het

voorwerp harer keuze. Welke drangredenen hij bezigde, kan niet

nauwkeurig opgegeven worden; maar onmiddellijk na deze onderhandeling

klom de jonge officier in het leger met eene snelheid op, die de gewone

bevordering naar verdienste zonder bescherming, verre te boven ging.

De schok, dien Sir Everard bij deze gelegenheid ondervond, hoewel

verzacht door het bewustzijn van braaf en edelmoedig gehandeld te

hebben, bleef niet zonder invloed op zijn volgend leven. Zijn besluit

om te trouwen was in een vlaag van toorn genomen; de moeite van het

vrijen strookte niet al te wel met de deftige gemakzucht zijner

leefwijze; hij was maar even aan het gevaar ontsnapt, van eene vrouw te

huwen, die hem nooit kon beminnen, en zijn trots kon bezwaarlijk zeer

gevleid zijn door den afloop der liefdesgeschiedenis, al ware het ook

dat zijn hart er niet onder geleden had. De slotsom van de gansche zaak

was, dat hij naar Waverley-Honour terugkeerde, zonder zijne genegenheid

op iemand anders te hebben overgebracht, niettegenstaande de zuchten en

kwijnende blikken der schoone snapster, die, uit zuiver zusterlijke

liefde, het geheim van Lady Emilia had geopenbaard, en in weerwil van

de knikjes, wenken en toespelingen der gedienstige, vrome moeder, en de

deftige lofspraken, die de graaf achtereenvolgens hield over de

ingetogenheid, het gezond verstand en den bijzonder goeden aanleg

zijner eerste, tweede, derde, vierde en vijfde dochter. De herinnering

aan zijn mislukte liefde was voor Sir Everard, zoo als voor vele

anderen van zijn aard, die tevens koel, trotsch, licht geraakt en traag

zijn, eene waarschuwing: om zich niet andermaal aan soortgelijke

teleurstelling, droefheid en vergeefsche moeite te wagen. Hij bleef op

Waverley-Honour leven als een oud Engelsch edelman, van hooge afkomst

en groot fortuin. Zijne zuster Freule Rachel Waverley, zat aan ’t hoofd

van zijne tafel, en zij werden langzamerhand een oud vrijer en eene

oude vrijster, de zachtaardigste en vriendelijkste van allen, die ooit

de gelofte om ongehuwd te blijven hadden afgelegd.

Sir Everards verstoordheid op zijn broeder, hoe hevig ook in den

beginne, was slechts van korten duur; zijn afkeer nogtans van den Wigh

en den rijks-ambtenaar, schoon niet sterk genoeg, om hem een of

anderen, voor Richards belangen nadeeligen maatregel te doen nemen,

vermeerderde op den duur de tusschen hen bestaande vervreemding.

Richard kende de wereld en zijn broeder te goed om niet te begrijpen,

dat eenige onvoorzichtige of overhaaste toenadering van zijn kant, den

passieven afkeer van den baron, tot handelen zou opwekken. Het toeval

bracht echter ten laatste eene toenadering te weeg. Richard had een

jonge vrouw van goeden huize getrouwd, in de hoop dat de invloed van

hare bloedverwanten en van haren rijkdom zijne bevordering in de hand

zou werken. Door haar werd hij bezitter van eene heerlijkheid van

eenige waarde, op eenige mijlen afstands van Waverley-Honour.

De kleine Eduard, de held onzer geschiedenis, toen in zijn vijfde jaar,

was hun eenig kind. Op zekeren morgen liep de jongen met de meid, aan

wier zorgen hij toevertrouwd was, een half uur verder dan de oprijlaan

van Brere-Wood-Lodge, zijns vaders plaats. Hunne aandacht werd

getrokken door eene koets met zes deftige, zwarte langstaart paarden

bespannen, en met zoo veel snijwerk en verguldsel dat het zelfs den

Lord Mayor eere zou hebben aangedaan. Het rijtuig wachtte op den

eigenaar, die, op een kleinen afstand, zich onledig hield met het

nagaan der vorderingen van een half gebouwde pachterswoning. Ik weet

niet of de „bonne” van den knaap eene vrouw uit Wallis of uit Schotland

[18] geweest was, of op welke wijze hij een wapenschild met drie

hermelijnen met het denkbeeld van persoonlijk eigendom in verband

bracht; maar zoodra hij het wapen der familie zag, besloot hij stoutweg

zijn recht te doen gelden op het schitterende rijtuig, waarop het

geschilderd was. De baronet kwam terug, terwijl de meid het kind te

vergeefs van zijn voornemen poogde terug te brengen, om zich de

vergulde koets met zes paarden toe te eigenen. De ontmoeting had op een

gelukkig oogenblik voor Eduard plaats, daar de aandacht zijns ooms

juist, met een zeker weemoedig gevoel was gevallen op de flinke knapen

van den forschen landman, wiens woning volgens zijne plannen gebouwd

werd. In het ronde, blozende gelaat van den kleinen engel dáar, vóor

hem, die zijn oog had, zijn naam droeg en eene erfelijke aanspraak op

zijn bloedverwantschap, genegenheid en bescherming bezat, krachtens een

band, door Sir Everard even heilig geacht, als de Kouseband of de

Blauwe mantel [19], scheen de Voorzienigheid hem juist het meest

geschikte voorwerp toe te zenden, om de leegte in zijne toekomst en in

zijn hart aan te vullen. Het kind en de meid werden in het rijtuig

terug gezonden naar Brere-Wood-Lodge, met eene boodschap, welke voor

Richard Waverley de deur van verzoening met zijn ouderen broeder

openzette. Hun omgang evenwel bleef eer stijf en beleefd, dan

broederlijk en hartelijk; maar voldeed aan de wenschen van beide

partijen. Sir Everard genoot in het gezelschap van zijn kleinen neef de

voldoening voor zijn trots, dat zijn geslacht niet zou uitsterven,

terwijl hij tegelijker tijd zijn hartelijke genegenheid aan het kind

schenken kon. Wat Richard Waverley betreft, deze zag, in de toenemende

liefde tusschen oom en neef, het middel om de toekomst van zijn zoon te

verzekeren, zoo al niet om zijn eigen erfopvolging te bevorderen, die

hij besefte, eer in gevaar geraken, dan bevorderd zou worden door een

poging zijnerzijds, tot een meer innigen omgang met een man van Sir

Everards gewoonten en gevoelens.

Op deze wijze verkreeg de kleine Eduard, volgens eene soort van

stilzwijgend verdrag, vrijheid om het grootste gedeelte van het jaar op

het Kasteel door te brengen, terwijl hij daardoor tot beide

huisgezinnen in dezelfde nauwe betrekking scheen te staan, ofschoon de

gemeenschap tusschen deze, voor het overige, zich tot stijve

boodschappen en nog stijver bezoeken bepaalde. De opvoeding van den

knaap werd beurtelings naar den smaak en de gevoelens van zijn oom en

van zijn vader geregeld. Doch hiervan meer in het volgende hoofdstuk.

Waverley(#75933) · 第 8 / 156 题