Eene geheimnisvolle kalmte heerscht omhoog en omlaag.
Wat is de kalmte streelend zoet,
Dat suizen en in sluimer zijgen,
Dat plechtig stil en stiller zwijgen,
Die rozenkleurige avondgloed!
't Is of de rust rondom ons henen
Een zachter inborst in ons stort;
't Is of ons harte ruimer wordt,
En wat er boos was, is verdwenen.
Een onbestemd en diep gevoel
Ontwaakt en trilt er in onze âren...
Wie mocht dien indruk nooit ontwaren?
Wien laat dat purprend Westen koel?
Nu zweven als op donzen schachten
Geliefde beelden om ons heen;
Nu wemelt droom aan droom dooreen,
En zielsgepeinzen en gedachten.
De ontroering grijpt ons in 't gemoed;
Haars ondanks wordt de ziel bewogen;
Er klopt een heimwee in ons bloed;
Soms wisschen wij een traan uit de oogen,
Onwetend wat hem drupplen doet.