XXV.

Naar den Hootond en de Kruisen.

Wij verlaten Ronse door de Zonnestraat en volgen klimmende voetwegen.

Een trouwe vriend, een bewonderaar der schoone natuur en tevens een

liefhebber van eigen taal en kunst, vergezelt ons als gids.

Sprekende over het wel en wee, dat vroegere jaren ons aanbrachten,

naderen wij de nieuwe kapel «ten witten Tak,» een sierlijk, Gothisch

gebouwtje met tien kleine vensters.

Waar het oude kapelleken stond, vinden wij nu eene landelijke herberg.

SANDERUS verhaalt, dat hier in lang vervlogen tijden een groote, breede

eik groeide. Onder de looverrijke takken school een beeldje van

O.-L.-Vrouw.

De tak, die het beeldje droeg, was witter dan de andere. Dit maakte de

aandacht der landzaten gaande, weshalve de geloovigen in het begin der

lente naar den heuvel stroomden, om de Moedermaagd te vereeren en te

aanroepen.

Ten jare 1636 heerschte eene besmettelijke ziekte in vele gemeenten van

Vlaanderen, onder andere te Kortrijk en te Ronse. In de eerste stad

vroegen de wethouders eene plechtige processie met het wonderdadig

beeld van O.-L.-Vrouw van Groeninge; in de tweede beloofde men eene

kapel te bouwen ter eere van de machtige Troosteres der bedrukten.

De kwaal verminderde, en in de eerste maanden van 1639 voltooide men de

eenvoudige bidplaats. Sedertdien beginnen de «kapellekensdagen» ieder

jaar den 2 Juli.

Wij zetten onze wandeling voort, gaan het schoone kasteel van M. Cambier

voorbij, en bewonderen de omliggende hoven en parken met hunne

weelderige en veelkleurige gewassen. Weldra bereiken wij den Hootond,

die 150 meters hoog is.

Bij den molen, op de kruin, blijven wij staan.

Westwaarts, boven den Kluisberg, glinstert de zon, haren glans

verspreidende over een landschap, dat ongemeen groot en schoon is.

De molenaar -- een vriendelijk man -- komt bij en wijst ons aan den

blauwen gezichteinder de torens van Maria-Horebeke, Merelbeke, Gent,

Evergem, Drongen, Vosselare en Deinze; -- die van Ruiselede, Brugge,

Tielt, Pittem, Ardooie, Ingelmunster, Hooglede, Roeselare, Passchendale

en Kortrijk; -- benevens die van Toerkonje, Robaais, Rijsel, Templeuve,

Doornik, Antoing en Peruwelz. In het geheel kan men de kerken van 108

steden en dorpen onderscheiden. Tusschen Brugge en Peruwelz is er een

rechte afstand van 80 kilometers of 16 mijlen. Evergem en Rijsel zijn 70

kilometers of 14 mijlen van elkander verwijderd.

Welk eene verscheidenheid in dat overgroote panorama! Ginds, tusschen

Ansegem en Mooregem, is het Bouveloobosch; bij Tiegem daagt het

Kapelbosch. Naderbij poost het oog op de wouden van Quaremont en den

Kluisberg. Links blauwt de Drievuldigheidsberg, in het Doorniksche.

Heinde en verre steekt de roode kleur der daken aangenaam af bij het

donkere groen der gewassen.

Terugkeerende naar den steenweg, blikken wij op de stad, in de diepte,

en verderop de reeks heuvelen, die langs Ellezele en Vloesberge naar

Lessen loopen. Aan den gezichteinder onderscheiden wij den «Kattemolen»

en van den Daele's bosch.

Op de hoogte der Kruisen groeien weelderige boomen, onder wier toppen

eenige lusthuizen schuilen. Daar kan men in den zomer, bij het op- en

ondergaan der zon, de ontwakende of insluimerende natuur bespieden en...

frisch ademhalen.

Van de Kruisen trekt de stad heur water. Langs den steenweg, in eenen

grooten kelder, hoort men het klare vocht onverpoosd ruischen.

Onze vriend wijst ons eenen grooten treuresch, die nu en dan schijnt te

trillen onder den adem des winds. Denkt hij misschien aan de rijke en de

arme lieden, die hij ziet voorbijslenteren? Aan den snellen loop der

jaargetijden? Aan de vluchtigheid der aardsche genoegens?

Reisjes in Zuid-Vlaanderen · 第 35 / 47 题