Reizen.
Onder de menigvuldige boeken en handschriften, door wijlen
GOETHALS-VERCRUYSSE aan de stad Kortrijk geschonken, vindt men den
«_Grooten Gentschen comptoir-almanach voor 1767_.»
De bezitter van dit boek teekende, op de witte deelen der bladzijden,
allerhande gebeurtenissen aan, welke gedurende het genoemde jaar
voorvielen.
Zoo schreef hij in de maand Juni:
«Men heeft tot Ghendt ghevierd met de uyterste pracht het zeven
honderdjarig jubile van de verheffing der reliquiën. Ick ook trok, den
30 's morgens vroeg, het quart na vier ure, in compagnie van vier andere
personen in eene koetse naer die stad. Wy waren 's voornoens ten tien
ure en half tot Ghendt, en hoorden de elvemisse by de Recolletten.»
Wat zou de brave man verbaasd staan kijken, indien hij weer in ons
midden kon verschijnen! Ontelbare ijzeren wegen doorkruisen hedendaags
gansch de beschaafde wereld. In ons kleine vaderland heeft het net eene
lengte van meer dan vijf duizend kilometers...
Zoodra men den stoomwagen kende, kwam de afstand niet meer in
aanmerking. In ruim vijf uren vliegt men van Brussel naar Parijs; in
vier en twintig uren stoomt men langs Namen, Luxemburg, Mets,
Straatsburg, Stuttgart en Munich naar Weenen, in Oostenrijk.
Dit gemak, gevoegd bij de geringheid der vervoerprijzen en de algemeene
verspreiding van het onderwijs, heeft de menschen den lust tot reizen
ingedreven.
Voor 23 fr. mag men, gedurende vijftien dagen, op al de ijzeren wegen
van den Belgischen Staat, naar hartelust weg- en wederreizen.
Zelfs de mindere man is niet meer tevreden met de tuinen en velden, met
de weiden en bosschen, die zijn geboortedorp omringen; hij wil de wijde
wereld in, om met eigen oogen de werken der nijverheid, de
voortbrengselen der kunst en de schoonheden der natuur te bewonderen.
Hij droomt van het groote Londen en het prachtige Parijs; van
Zwitserland, met zijne Alpen en sneeuwvelden, met zijne dalen en meren;
van Rome, met zijne prachtige gebouwen; van het zonnige Oosten en het
bedrijvige Amerika.
Dan, velen haken naar vreemde landen en verre gezichten, en kennen de
wonderen niet, welke de Voorzienigheid in ons klein land zoo kwistig ten
toon spreidde.
Hebben wij geen verrukkelijk zeestrand? Geene vruchtbare velden en
malsche beemden? Geene zindelijke steden en vriendelijke dorpen? Hebben
wij in het Zuid-Oosten, in Luik, Luxemburg en Namen, geene heerlijke
bergen en dalen? Geene watervallen en majestatische grotten? Geene rijke
mijnen en steengroeven?
Wij stellen ons voor het zuidelijk gedeelte van Oost- en West-Vlaanderen
-- de Vlaamsche Ardennen -- te doen kennen. Niet zelden zullen wij, om
den weetgierigen lezer te bevredigen, onze beschrijvende schetsen met
historische en andere bijzonderheden afwisselen.
Want het woord van den dichter blijft altoos waar: Ken uw land, en gij
zult het beminnen!