Maar er waren ook andere moeders, die gek werden van angst om d'r
jongens. Eene had zes zoons verloren. Toen de zevende ging,--bijna een
kind nog--weigerde ze hem af te staan. Met geweld moesten ze hem uit
haar armen losscheuren.
Dien nacht sprong ze uit het raam van de bovenste verdieping....
En dan de stakkert, die waanzinnig werd, omdat haar zoon werd vermist;
die iederen morgen, huis aan huis, aanbelde en vroeg: "Is m'n jongen
hier soms? Heb je hem nergens gezien?" En weer een andere, die gek werd
toen ze 't doodsbericht kreeg van haar laatsten zoon, een broodmes
greep, de straat opholde en een agent, dien ze voor een generaal aanzag,
te lijf wilde, gillend: "Kinderbeul, moordenaar....!"--
Wat een brok jeugd hadden die jaren, met dagelijksch meegemaakte
verschrikkingen, aan dit kind ontstolen!
Alleen lezen, àl maar weer lezen in nieuwe boeken, had er haar
doorheengeholpen; deed een oogenblik de ellende vergeten.
Toen bracht Liesbeth haar bij de boeken.
--Las ze alleen Duitsch? Zou ze niet graag ook de andere talen kennen?
Zouden ze 't samen eens probeeren? Dan mocht ze iederen dag een uur
komen. Met de Hollanders werd begonnen. Want die zijn niet alleen een
volk van kaasverkoopers, maar ook van kunstenaars!" leerde zij.
Boven 't boekenrek hing het geschilderd portret van twee kleine
kinderen: een broertje en zusje, dicht tegen elkaar aan. Het was door
geen beroemd schilder gedaan; toch hing om die kinderen een atmosfeer
van verlatenheid, die dadelijk trof: Twee moederloozen, die tegen elkaar
aankruipen als vogeltjes in 't leege nest. Het meisje bekeek het
aandachtig en zag dan naar Liesbeth.
--Dat bent u zeker? En leeft uw broer nog?
--Nee. Ook dood.--
Ze zei 't met een wonderlijk vlakke stem, in gekunstelde
onverschilligheid, als sprak ze van een vreemde.
"Zoek nu maar rustig uit!" zei ze dan en trok het gordijn open, dat voor
een muurkast vol boeken hing.
* * * * *
Het meisje was al een tijdlang verdiept in 't nazien van de boeken,
toen ze werd overvallen door een onverklaarbare, stijgende onrust. Alsof
er iets beangstigends gebeurde achter haar rug.
Ze keek om.
Voor 't raam zag ze Elizabeth staan. Ze stond er uit te staren, zoo
lang, zoo stil..., in een zoo beklemmend zwijgen, dat het Käthe huiveren
deed. 't Was of hier alleen nog haar zielloos lichaam was.
Dan, opeens, herkende ze in deze wezenloos-stille gestalte voor 't
venster, een der vele vrouwegedaanten uit den oorlog. Zoo stond haar
moeder...., wanneer ze wachtte op tijding van de jongens. Zoo spokig
stond ook haar zuster, wanneer zij uitkeek naar den brief van haar man,
die later kwam dan anders. Zoo stonden de meisjes en vrouwen allemaal,
allemaal...., in de ondragelijke spanning van het passieve
afwachten...., en staarden maar.... staarden maar uit..., door het raam.
En Käthe begreep: dit was het lidteeken, dat de angstdagen van den
oorlog in Frau Elizabeth achterlieten. Ze wist het misschien zelf niet
eens. Ze deed als een die slaapwandelt.
--Frau Gehrke!--zei ze voorzichtig en lei haar hand zacht op den arm der
droomende. Mag ik dit boek van Clara Viebig meenemen?--
Het kostte Elizabeth zichtbaar moeite zich te bezinnen. Maar wonderlijk
snel was de overgang van droom naar ontwaken.
Zoodra ze 't meisje zag, met het boek in de hand, was zij de
werkelijkheid in en sprak een vast uur af voor Hollandsch lezen. "Morgen
wordt ermee begonnen. En wacht, ik zal nog even wat zonnebloemen voor je
afsnijden. Ook een paar voor Jans! Die wil je wel even aanreiken?"
* * * * *
Toen het meisje over het grasveld door den boomgaard wegging, zag
Liesbeth haar na.
"Hoe anders ging ze heen dan ze was gekomen! Zou ze dit kind, dat zich
aan den oorlog had gewond als zij, trachten te genezen? Nog éénmaal
liefdevol tot een medemensch gaan, zonder angst zich te kneuzen?
O, dankbaarheid begeerde ze niet. Dáárom ging 't nooit. Als haar
vertrouwen maar niet werd gekrenkt!
Als ze zich nu eens op niets dan teleurstelling voorbereidde....
misschien kwam 't dan dit keer juist andersom. Als Käthe's tijd bij den
boer om was, zou ze haar bij zich nemen. Ze moest niet te gauw terug
onder den druk van dat zieltogend land.
Zie..., nu staat ze stil.... Kan 't niet laten even in 't boek te
gluren, het leesgretig kind!
En dáár is Juun! Hij stuift, verschrikt door 't onbeweeglijk-lezend
figuurtje, blaffend op zij, besnuffelt Käthe, laat zich, gerustgesteld,
door haar streelen en holt dan verder, op 't huis toe; de ooren flappend
aan den kop. Midden in zijn vaart staat hij stil voor z'n drinkbak bij
de regenton en slurpt het water met gulzige slokken. Dan komt hij binnen
en als hij Elizabeth ziet, kijkt hij schichtig, kwispelt aarzelend, den
kop omlaag, voorbereid op een bestraffing.
Zij doet haar best een streng gezicht te zetten, dwingt zich te doen
alsof ze hem niet bemerkt. Daarmee straft ze hem het meest voor zijn
lang wegblijven.
Hij valt neer voor de rustbank, legt den kop op de voorpooten, en kijkt
telkens met verlegen knippende oogen naar haar op; snakkend naar een
woord of gebaar van verzoening.
En Liesbeth houdt het niet langer uit bij 't kijken van die trouwhartige
honden-oogen, die om liefde vragen. Ze bukt zich, neemt z'n donkeren kop
tusschen beide handen:
"O Juun.... Juun..., wat kan er niet alles gebeuren terwijl jij weg
bent!"
4.
Dien avond--daar 't in de herfstdagen, zoodra de zon onderging, al kil
werd in huis--stak Elizabeth inplaats van de lamp, het
petroleumkacheltje aan, waarin van onderen het vierkante venstertje rood
gloeide.
Het deksel deed ze er niet op, liet het vanboven open: dan valt het
schijnsel zóó dat aan de donkere muren, de kamerdingen als opdoemen uit
de duisternis. Ze voelt hen aan als liefdevolle wezens om haar
eenzaamheid gezet. En nooit spreken deze doode dingen zoo innig en
vertrouwd, als wanneer de avond gaat komen.
Het is heel stil. Aan haar voeten ligt Juun, moe van de jacht. Ze hoort
zijn slapend ademhalen en er is ook het spinnen van poes in de
vensterbank, tusschen de bloempotten, waar ze het duisterend-buitene
inkijkt. Ze doet als een weduwe op leeftijd, die goed in d'r duitjes
zit, lekker gegeten en d'r middagdutje gedaan heeft en nu voor 't raam,
in de schemering, naar de passage kijkt.
De oude klok tikt in de stilte. Ook om het huis hangt avondlijke rust.
"O de heerlijkheid van een uur als dit, met dingen die je lief zijn en
die niet bezeeren....
De vrienden in de stad vonden haar wel te jong voor zulk een leven van
afzondering, maar zij genoot ervan. Ook de winter had mooie dagen
gebracht, toen bij strenge, plotseling ingevallen vorst, de regenstralen
bevroren en als kristallen franje om den dakrand hingen. Later, toen de
zon doorkwam, waren de ijspegels als flonkerende krissen....
In die winterdagen was 't den heelen dag vol vogels om het huis. Alle
soorten hadden hun eigen etensuur. De brutale musschen waren er altijd
't eerst bij. De lijsters, vinken en roodborstjes kwamen later en in 't
middaguur, een zwerm van bonte kraaien, in hun deftige zwarte frak met
het onberispelijk strakke, grijs veeren vest. Een carré van vogels was
het soms om het huisje geweest. Konijnen, muizen, een egel.... allen
dreef de honger naar haar toe. Nee, zij voelde zich hier niet eenzaam;
minder dan vroeger, alleen midden in de menschen. En af en toe spoorde
ze naar de stad, en dook er onder in de beweging; bezocht
schilderijententoonstellingen, tooneel, lezingen en concerten. Maar al
gauw vluchtte ze terug.... om de menschen....
En dan was er de post, die de stemmen aandroeg van verre vrienden; de
weinigen die na haar genadelooze schifting van betrouwbaar en
onbetrouwbaar waren overgebleven. Eén schreef van "hertrouwen, opbouwen
van een nieuw geluk...!" Nee, dat was voorbij. Het liefdegeluk had ze in
volkomen schoonheid bezeten bij Heinz.... Zij behoorde nu eenmaal tot
de vrouwen die eens liefhebben en dan niet meer...."
* * * * *
Peinzensstil, de handen roerloos in den schoot, dwaalde haar blik door
de kamer, met de mooie dingen die ze er bijeen bracht en bleef rusten op
een door het kachelschijnsel warm belichte reproductie van Fra Philippo
Lippi's Madonna: Een droeve moedermaagd. Beschermend is haar arm om het
schoudertje van 't heilige kind. Haar hand om zijn hoofdje gevouwen,
staart zij visionair zijn toekomst in, van hoon en marteldood, waarvan
haar liefde hem niet kan redden. En Liesbeth herinnerde zich hoe een
vrouw, die veel leed had gekend, eens tot haar zei: "ik dacht te weten
wat verdriet was. Ik wist het niet, eer ik de zielesmart zag van m'n
kind en machteloos was het van haar af te nemen."
Zij zelf had lang betreurd geen kind van Heinz te bezitten. Maar dit was
haar bespaard: het ongeluk van zijn kind aan te zien.... Toen dacht zij
aan de moeder van Beppo en keek naar Pierrot. Het scheen haar een
symbool, dat de kachellamp in haar schijnsel op de balkenzoldering en
over den hoek van 't boekenrek, waar hij bleek te zwijgen zat, alleen
zijn hoofd en de witte hand met de bloemen in zijn lichtcirkel ving en
de figuur in 't duister liet.
Sinds 't gebeurde van dien morgen, zag ze hem nu anders dan vroeger; zag
ze voor de eerste maal meer in hem dan een tot wezen geworden
manestraal, voor wien in de werkelijkheid alle droom wordt onttooverd;
meer dan "un pauvre petit gars qui aimait celle qui ne l'aimait pas", of
dan een heilig-onnoozele, die liefdevol, argeloos als een kind tot de
menschen gaat, beleedigd wordt in zijn teederst gebaren en zich dan
afsluit voor iedereen. Meer..., dan wie uit hooghartig idealisme van de
"mooie rol" dupe wordt en door de menschen om zijn onbegrepen "beau
geste" belachen...., op zijn beurt alle menschen en ook zichzelf bespot,
in een tot sarcasme verworden smart....
Meer...., meer zag haar dezen avond uit Pierrot's tragisch masker aan:
Niet van één mensch de gebrokenheid, het fiasco, het verbrijzeld
vertrouwen en het gewonde hart..., maar de smaad van een ontgoochelde
menschheid, die eerst den schandelijken oorlog en nu het even
schandelijk naspel beleefde.
Maar in dit uur was er in Elizabeth geen aanklacht tegen de menschen.
Tegen niemand. Alleen een wijd meelij, met deemoed, in het besef hoe
moeilijk het is in 't klein nooit een kwaad te bedrijven, dat in 't
groot, verduizendvoudigd, oorlog maakt. En ieder mensch moest ten slotte
beginnen met zichzelf te zuiveren.
Ze wist: tot de menschen teruggaan met het oude argelooze vertrouwen...,
dit ging boven haar gebroken kracht. Maar toch kon ze van uit haar
stille hoekje een lichtgevende zijn. Dàt dit kon...., dien morgen had
het haar bewezen. Trachten zou ze, den tijd te helpen voorbereiden,
waarin met edeler wapens werd gestreden.
En woorden zijn als zaad....
"Daar lag hij dood op de steenen van onzen hof. Hij had een bosje
bloemen in de hand "und schaute gen Himmel auf."
Toen ze nu in de stilte Käthe's woorden in zich herhaalde, schenen ze
haar van een bizondere bedoeling; doorschouwde ze 't geheim verband
tusschen 't vinden van Pierrot in Venetië en de ontmoeting van dien
morgen. Dit was meer dan toeval..., het was een wonder geweest.
En al zou ze misschien nooit weten wie de maker was van de geheimzinnige
pop, ze wist nu waarvoor hij haar werd gegeven.
Als hìj.... had ze zich blindgestaard op de eigen, ééne smart en in dat
staren aldoor in zichzelf neergezien... Maar de twee die moedig den
eenzamen dood ingingen, zagen den hemel in.
Ook Heinz vonden ze met zijn doode oogen naar de sterren....
* * * * *
Toen stond Elizabeth op. Ze strekte haar arm naar Pierrot in zijn
zwijgende vertwijfeling en haar handen vouwend over zijn radelooze
oogen, sprak ze in fluistering:
"Ook voor ons ontgoochelden, die 't liefste verloren, komt van de
sterren nog altijd het wonder..., het Wonder..., Pierrot!"
* * * * *