Het loof is afgevallen of verdord, de vlakte om ons heen ziet er
verlaten uit. De natuur zwijgt. De dagen zijn kort, en de nachten
zijn lang. Een aantal dieren hebben zich verscholen en slapen.
Soms komt het in een mensch op, dat hij wel lust zou hebben, ook maar
op die manier te overwinteren, en eerst met de lente weer voor den
dag te komen. Erken maar eerlijk, dat de herfst u dikwijls sombere,
neerslachtige oogenblikken bezorgd heeft: iets waarop gij meer kans
hebt, naarmate gij meer met de natuur meeleeft, en meer ontvankelijk
zijt voor hare indrukken. Doch zoo er dan nog slechts één greintje
veerkracht in ons over is, herstellen wij ons doorgaans dadelijk in
het besef, dat een mensch meer is dan een visch of een marmot. Ik
voor mij ten minste, hoe gevoelig ik ben voor de opwekkelijke prikkels
van ijle lucht en zonneschijn, schaam mij altijd, als ik op het punt
ben mij door mist of "waterkou" te laten nederdrukken. Vaak, als het
leven mij op de eene of andere wijze pijn deed, was, zoo ik de ruimte
slechts in 't oog kon krijgen, één blik op den blauwen hemel met zijn
lichtgrijze wolkjes genoeg, om mij weer blijde te doen zijn dat ik
geboren was, al ware het alleen maar voor 't plezier van deze schoone
tinten te genieten. Doch zoo vaak een Decemberdag mij dreigde mee te
slepen in zijn somberheid, voelde ik dat... hier de hoek van uitval
niet gelijk mag wezen aan den hoek van inval: dat wij in onzen geest
gaven bezitten, die bij machte zijn om ons in dit opzicht boven deze
wet verheffen.
Men heeft van oudsher veel gesproken over de scheppingskracht van den
menschelijken geest. Zij stelde hem in staat om ruwe grondstoffen
voor zijne dagelijksche behoeften te verwerken en om telkens meer
verfijnde werktuigen tot verlichting van persoonlijken arbeid uit te
vinden. Zoo schiep hij zich het noodige voor stoffelijke welvaart. Door
de verbeelding schiep hij zich figuren uit hetgeen de wereld hem te
zien gaf, en dat was een der eerste schreden op het pad der kunst. Hij
verzamelde kennis van hetgeen er om en in hem voorviel, en noemde
dat wetenschap. Maar van al de vormen, waarin zich de menschelijke
scheppingskracht geopenbaard heeft, is er zeker geen edeler, geen die
hem meer boven het dier verheft, geen die, ondanks al de dwaasheden en
troebelen, waartoe zij aanleiding gegeven heeft, meer geluk schenkt,
dan de duizendvoudig afwisselende poging om, ondanks de onvolkomenheden
van al wat hij kent, toch aan zekere volmaaktheid te gelooven.
Het is heden niet slechts December, maar ook Oudejaar, en er zijn
dagen, waarop men meer dan gewoonlijk in eigen gemoedsleven doordringt,
en verzoening zoekt voor dingen, ten opzichte waarvan men zich anders
slechts met afleiding behelpt. Ook in dit bosch zingt "ieder vogeltje
zooals het gebekt is." In elk mensch die over deze dingen nadenkt, doet
de verhouding tusschen afhankelijkheidsgevoel en dorst naar volmaking
zich op eene andere wijze gelden. Gun dat ik op onze laatste wandeling
tracht weer te geven, hoe mijn "geloofsbelijdenis" zou uitvallen,
zoo ik die, als van ouds, in "twaalf artikelen" moest samenvatten. Van
weten is hier natuurlijk geen sprake en dus van gelijkhebben ook niet.
Ik leef, ik wil gelukkig zijn; ik heb lief, ik wil geluk bezorgen.
Ik heb bemerkt, dat ons geluk afhangt van den kunstzin, waarmede wij
onszelven met onze omgeving, onze wenschen met de omstandigheden,
al datgene waarover wij te beschikken hebben met onze krachten en
talenten--in harmonie weten te brengen.
Zoo min bij deze, als bij eenige andere levensopvatting, is in
dadelijke werkelijkheid volmaakt geluk te vinden, omdat wij nooit
volkomen slagen in ons streven. Gelijk de kunstenaar in engere
beteekenis, zoo blijft elke mensch als levenskunstenaar, steeds ver
beneden zijn ideaal;--nu eens omdat zijn grondstof ontoereikend is
voor zijne plannen, dan weer omdat deze hem te machtig is, en zijne
eigene kracht, vaardigheid, "inspiratie" te kort schiet.
Maar ik heb ondervonden dat een dergelijk artistiek streven, naast
zijne gedeeltelijke, praktische voldoening, nog een ander, hooger
voordeel aanbrengt: het aangroeien van ons besef van harmonie.
Al strevend om het actieve gedeelte van mijn leven, (dat hetwelk
ik binnen de speelruimte van mijn kleinen wil heb), zoo harmonieus
mogelijk te maken, leer ik vooronderstellen, dat het grootere,
passieve gedeelte, (dat waarin ik mij afhankelijk en machteloos
gevoel), ook op harmonie moet berusten.
Al worstelend met mijn dagelijksch materiaal, al struikelend en
opstaand, en met schade en schande en inspanning ervarende, op
welke wijzen en langs welke wetten harmonie tot stand komt,--word
ik doordrongen van de waarheid, dat een kunststuk des te rijker is
naarmate er meer tegenstrijdige gegevens met eere in verwerkt worden,
en aldus rijp voor het bewustzijn, dat de heftigste botsingen,
welke wij in en om ons waarnemen, slechts heenwijzen naar een meer
samengestelde schoonheid van het geheel waartoe wij behooren.
Het besef van die volmaakte harmonie verzoent mij met mijne
persoonlijke onvolmaaktheid. Ik voel, dat een mensch, ondanks al het
lijden dat zijne onvolkomenheid meebrengt,--niet het minst de botsing
tusschen zijnen levenslust en het onvermijdelijk vooruitzicht van
verval en vergankelijkheid,--er, om een muzikaal beeld te gebruiken,
vrede bij kan hebben een dissonant te wezen, mits hij zich slechts
bewust zij, deel uit te maken van eene schoone symfonie.
Alleen echter op ééne voorwaarde kan ik in mijn "dissonant"schap
berusten:--dat ik nl. den mogelijken Kunstenaar van de "symfonie" mag
vermoeden, Hem vereeren en liefhebben. Ik heb behoefte om dankbaar
te wezen, in zoover mijne levenskunst mij gelukt; behoefte om mijn
steun te zoeken in zijn grootheid, zoo vaak mijne eigene kleinheid
mij pijnigt.
Ik erken volkomen dat die gemeenschap met mijn vermoeden Maker niet
berust op eenigerlei wetenschappelijke kennis van zijn wezen; maar
ik ben boven alles dankbaar voor de kunst, die mij in staat stelt de
gedachte aan Hem te scheppen.
Godsgemeenschap is, als kunstgewrocht, alleen aan schoonheidswetten
onderworpen. Elke poging tot detailleeren op dit gebied is
wansmaak. Zoodra zij vaste voorstellingen aanneemt,--tot dogmatiek
verstijft,--ontaardt de poëzie van 't religieuse leven. De eerbied
zelf voor mijnen onbekenden Maker leert mij ten zijnen opzichte
bescheidenheid.
Het is mij van ondergeschikt belang, in hoever mijne levensopvatting en
mijne godsgemeenschap zich aansluit aan geijkte godsdiensten. "Gelijk
het hert schreeuwt naar de waterstroomen, zoo schreeuwt ..." ook mijn
ziel, op mijne wijze, naar den Kunstenaar, tot wiens kunstwerk ik mij
bewust ben te behooren. En indien de geschiedenis verhaalt van iemand,
in wien het gemeenschapsgevoel met dien Kunstenaar zoo sterk was,
dat hij in gemoede kon getuigen: "Ik ben niet alleen, want de Vader
is met mij," dan trilt in mij een volle, diepe weerklank mede met
zulk eene eenige religiositeit. Maar ik kan mij, eerlijk en oprecht,
zeer wel de mogelijkheid voorstellen, dat ik tot al het bovenstaande
uit eigen ervaring even goed zou gekomen zijn, al had ik nooit van
joodsche psalmen of kristelijke evangeliën gehoord.
Het behoort tot mijn verdriet in 't leven, dat er op het gebied van
vrije, dogmatieklooze vroomheid zoo weinig gezelligheid heerscht in
de wereld. Dat er op een punt, dat mij zoo na aan 't hart ligt, zoo
weinig verkeer is onder levende menschen, en men zich grootendeels
moet vergenoegen met menschengeest-extrakt,--nl. uit boeken.
Ik doe mijn best om ook dit feit aan te zien als een wanklank, die
opgelost wordt,--of worden zal,--gedeeltelijk door ons eigen toedoen:
daardoor namelijk, dat ieder trouw en moedig naga, wat er in zijn
beste, zijn gezondste, zijn gelukkigste uren in de diepte van zijn
geestelijk leven omgaat.
En hiermee, zooals bij den aanvang van dit boekje:
Gelukkig Nieuwejaar!