GROENBLIJVENDE BOOMEN.

Een maand of wat geleden door Gelderland reizende, zat ik in den trein

met twee bejaarde freules. Zij waren door een dikken livreiknecht in

den wagen en aan haar bagage geholpen, en begonnen zich al spoedig

over te geven aan 't genot van den tocht. Het was mooi weer en het

landschap deed dat goed uitkomen. Ik kreeg een soort van sympathie

voor mijne reisgenooten, ten eerste om haar warme geestdrift en

bewondering voor al het schoons dat wij voorbijvlogen, en ten tweede

omdat zij zich, ondanks de nederlandsche etiquette, niet ontzagen

die bewondering tegenover mij, onbekende, te uiten. Wij spoorden

nu door bosschen en dan weder over de heide; en eensklaps, nadat

wij een paar minuten tusschen hooge dennen heengetrokken en aan een

gehakte opening gekomen waren, riep eene van de dames in verrukking:

"Och, Keetje, kijk die snoeperige Conifeertjes, daar vlak bij dat

sparrenbosch!" Zij meende blijkbaar de twee- of driejarige dennen

zelven, die hier van de vrijgekomen lucht en ruimte gebruik maakten,

om zich krachtig te ontwikkelen. Ik vrees dat ik een lachje niet heb

kunnen weerhouden, maar had toch iets geleerd van mijne gezellige

buurvrouw. Dat zij sparren en dennen verwarde, vond ik heel gewoon

en begrijpelijk; maar dit had ik geleerd, dat onder "Conifeertjes"

door sommigen verstaan worden: niet al te groote, groenblijvende,

pyramidale boompjes;--(een zin waarin, zooals ik later bemerkte,

het woord dikwijls op prijscouranten voorkomt).

Tot dergelijke "Conifeertjes" zullen wij ons thans terug dienen te

trekken, nu bijna alles uitgebloeid heeft. In stadstuintjes, vooral

in de zeer kleinen, (vóór aan de straat, achter een ijzeren hekje),

plegen zij een groote rol te spelen, en vormen daar wat de Engelschen

hun "shrubbery" noemen.

Op Hulst, Jeneverbes, Taxis en misschien nog een paar anderen na, die

hier ook in het wild groeien, zijn verreweg de meeste van die groene

dwergjes onder uwe vensters uit een verwijderd vaderland afkomstig. Om

met de eigenlijke Conifeeren (Kegeldragers) te beginnen: van onze

eigen spar en den zijn in de laatste halve eeuw een aantal aanverwante

soorten uit den vreemde ingevoerd. Zie, daar staat een Pinus Cembra,

wiens naaldjes altijd vijf aan vijf staan, zooals die van onzen

gewonen den twee aan twee; hij komt uit de berglanden van zuidelijk

Europa. Daarnaast prijkt een echt Cedertje "van den Libanon". Die

kleine Balsempijnboom of Hemlockspar, zooals hij tegenwoordig hier

genoemd wordt, komt uit Virginië. De Cypres vertegenwoordigt ons

de grieksche rouwplechtigheden; en die Araucaria met hare stijve,

breede, geschubde armen,--is 't wezenlijk een levend boompje of een

kapstok?--hoort in Brazilië tehuis. Uw Thuya is een Noord-amerikaan,

ofschoon reeds sinds lang hier burger geworden, en met den naam

van "Arbor vitae" vereerd. Het kan wel zijn, dat menigeen, die van

"Levensboom" hoort spreken, daaronder heel iets anders vermoedt dan

de Thuya's, die de nederige rol vervullen van, op zijn binnenplaats,

het bezemhok aan het oog te onttrekken: en toch worden werkelijk

slechts deze er mede bedoeld.

In uw groene heesterperkje staan intusschen ook verscheidene

niet-kegeldragers, dadelijk kenbaar aan hun ander loof-karakter. De

Aucubas, met haar gevlekte laurierachtige bladeren, komen uit Japan,

evenals de bonte Evonymus, een groenblijvende nabestaande van ons

Papenhout. De Ledum groeit in 't wild in Polen en Bohemen; de Arbutus

Unedo in Italië en 't Zuiden van Frankrijk; de Kalmia, die, bij goede

verzorging, omstreeks Juni in een appelbloesemkleurig bruidskleed

zal prijken, in Noord-Amerika.

Hoe meer het teedere zomerloof verdort en afvalt, hoe meer wij deze

trouwe winter-heestertjes waardeeren. Doch ook: hoe winterachtiger het

om ons heen wordt, hoe meer zij ons bijwijlen doen verlangen naar hun

vaderland, waar zij de hoofdrol spelen in het landschap. Ik spreek nu

niet voornamelijk van de "eeuwiggroene myrthen en laurieren" en hun

zuidelijker klimaat. Ik wensch onze noordsche sneeuw- en ijs-pracht, en

de afwisseling, die zij in het natuurschoon en in het maatschappelijk

leven aanbrengt, volstrekt niet te ontvluchten; maar juist omdat die

witte vlokken zoo goed staan op de takken van dien kleinen spar voor

't venster, doen zij telkens mijn verbeelding de vleugels uitslaan

naar streken, waar men ze in 't groot op groote sparren kan bewonderen

in niet alleen groote, maar grootsche verhoudingen.

Zoo weet ik in Noord-Duitschland, in een afgelegen hoekje, een smal

dal, door hetwelk eene kleine rivier stroomt. Of het dal de rivier

zou gemaakt hebben, of de rivier het dal, durf ik niet te beslissen,

maar in hunnen tegenwoordigen toestand zijn zij onafscheidelijk aan

elkaar verbonden. Ook ten opzichte van 't geen de menschenwereld

aangaat. Zonder het riviertje zou het dal zeker in 't geheel niet

bewoond zijn; maar nu het kleine, levendige ding zich zeer hulpvaardig

tot allerhanden arbeid laat gebruiken, nu dient het dal tot woonplaats

aan eene nijvere bevolking, wier bedrijf de voortbrengselen van

het bergland verwerkt. Het waterrad drijft "molens" van allerhande

soort en grootte, o. a. een paar papier- en glasfabrieken. Ook levert

het riviertje het geheele jaar door overvloed van bruikbaar water,

en op den koop toe forellen en krabben. Bevaarbaar is het nooit,

maar dan ook zeer zelden gevaarlijk; in 't voorjaar, als de sneeuw in

het gebergte begint weg te dooien, zwelt de stroom natuurlijk zooals

alle anderen; doch de plaats der meeste huizen is wel zóó gekozen,

dat die tegen hare mogelijke kromme sprongen zijn gevrijwaard. Een

en ander geeft aan dit valleitje iets behagelijks en menschelijks,

zonder daarom aan den diepen indruk zijner eigenaardige natuurpracht te

schaden. Die indruk wordt voornamelijk te weeg gebracht door de hoogte

der bergen ter rechter en ter linkerzijde, en door de kronkelingen van

rivier en dal, meestal ook vóór en achter,--zoodat men schijnbaar

geheel ingesloten is, en de uitgangen niet ziet, maar slechts

vermoedt. Die bergen nu zijn bijna overal, van onderen tot boven,

begroeid met verschillende soorten van naaldboomen. Toen ik per spoor

die bergstreek naderde, trof mij reeds meer en meer het ontbreken van

't gewone loofhout. En toen wij, aan het naaste station uitgestapt,

nog drie uur moesten loopen om het dal te bereiken, ontmoetten wij,

op hier en daar een berkenboschje na, geen ander hout dan sparren,

dennen, Weymouthspijnen, enz.

De meesten onzer weten zich zoo'n dal te herinneren, hetzij in

den Harz, het Schwarzwald of misschien in Zwitserland; en roepen

zich met innig welbehagen zijn schilderachtigste partijen voor den

geest terug. Ons, kinderen van de vlakte, kwam het er intusschen

wel eens eng voor en benauwend; de blik zocht er onwillekeurig

naar bergpaden, om, als 't ons al te bang om 't hart mocht worden,

spoedig den gezichteinder te kunnen verruimen. En als wij op een

mooien zomerdag daar nederzaten, kwam dikwijls de gedachte in ons

op: "Hoe somber moet het hier des winters zijn!" Dan rekenden wij

echter buiten de sneeuw, die ten eerste een groot deel van de door

ons vermoede wintereenzaamheid en afgeslotenheid wegneemt, door

het vlug en vroolijk sleêverkeer, en ten andere de somberheid der

groene bergwanden breekt door haar tintelend wit.--Denkt u een mooien

Februaridag, met vorst maar zonder wind. Op elken boom ligt zooveel

sneeuw als hij maar dragen kan zonder te breken: de veerkracht van de

breede takken wordt op een zware proef gesteld; zij buigen dóór onder

hunnen reinen last. De spitse toppen van de sparren en de vlakke kroon

der dennen wisselen elkander sierlijk af tegen den blauwen ether;

en al de duizend groene twijgjes, die tegen de sneeuw afsteken,

bewaren 't landschap voor eentonigheid. 't Is Vrouwendag: er zal een

groote sledevaart gehouden worden. De zon beschijnt en koestert u,

en betoovert de sneeuw; en haar stralen dringen door in de diepte der

bosschen, en lokken hier en daar een kudde herten naar hun zoom. Gij

glijdt voort in een ijlende vaart, maar toch niet zóó snel, of gij

kunt de schoonheid om u heen naar hartelust genieten. En zoo de dag

al kort is, des avonds komt de maan op, en verlicht den terugtocht

op haar wijze.... Wie dat eens in vollen glans heeft bijgewoond,

vergeet het niet gemakkelijk.

Natuurfantazieën · 第 79 / 82 题