Ik betwijfel zeer, of er ooit in de werkelijkheid iemand bestaan
heeft, die den titel droeg van "Graaf van Rome". Maar er is eene
oud-duitsche ballade, waarin van zulk een personage en zijn vrouwtje
een teekenachtig avontuur wordt verteld.
De graaf van Rome dan, "een man van eer en ridderlijke deugden",
wilde aan de eischen van zijn tijd voldoen en een der kruistochten
naar Palestina meemaken. Zijne vrouw, de gravin, had hier veel tegen;
zij deed alle moeite om hem van zijn plan af te brengen, maar mocht
daarin niet slagen. De graaf vertrok. De tocht was voor hem alles
behalve voorspoedig. Het duurde niet lang of hij viel in handen van
een koning, die zijn krijgsgevangenen zeer slecht behandelde en streng
liet bewaken. Hij leed honger en ellende, en het ergst was dat hij,
die aan zulken arbeid natuurlijk niet gewoon was, dag aan dag den
ploeg moest trekken:
"am pflug da must er ziehen
viel lenger denn jar und tag,"
zoo heet het in het oude gedicht. Eens, toen de koning aan het hoofd
van zijn ridderstoet uitreed, viel de graaf hem te voet, en smeekte
om genade en vrijheid; doch de koning "zwoer bij zijne kroon", dat
hij den gevangene niet zou loslaten, tenzij diens eigen vrouw er om
kwam vragen. De graaf schrikte van dat bericht, en hield toen "in
diep leed" de volgende naief-zelfzuchtige overpeinzing: "laat ik mijne
vrouw komen, dan wordt haar smaad aangedaan; moet ik hier blijven, dan
geldt het mijn lijf; dus: ik wil schrijven dat mijne vrouw kome." Zoo
gedacht, zoo gedaan. Er werd een brief geschreven, waarin hij aan de
vrouw duidelijk maakte, dat niemand dan zij zijnen kommer kon keeren;
en een bode ging er mee op weg. De vrouw ontving den brief, las dien
"in 't geheim", en "het hart werd haar koud wegens den toestand van
haren heer". Nochtans schreef zij terug.... dat zij niet kon komen;
dat het voor een vrouw niet paste "over de wilde zee" te varen;
maar dat zij te huis alles voor hem doen zou wat zij kon. Zoodra
echter de bode weer vertrokken was, beredderde zij in stilte al wat
zij dadelijk bedacht had: zij liet zich een monnikspij maken en eene
tonsuur scheren; en daar zij "lezen, schrijven en nog heel veel meer
doen" kon, en ook in 't snarenspel bedreven was, hing zij de harp
en de luit op zijde en--reisde zoo den bode na. De zeereis duurde
drie of vier dagen. Tot vermaak van zich en hare tochtgenooten,
begon zij midden op de zee muziek te maken; de bode zat aandachtig
en met welgevallen te luisteren. "Zij herkende hem wel, maar hij haar
niet". Toen zij geëindigd had, stelde hij haar voor, met hem mede te
gaan naar zijn koning, die haar spel zeker rijkelijk zou beloonen;
hij drong daar zeer op aan; zij stemde toe; zij reisden, toen zij aan
land gestapt waren, samen verder, "over bergen en door diepe dalen"; en
zoo was de bode, zonder het te weten en met hare weigering in den zak,
de geleider en beschermer van de vrouw, om wie hij uitgezonden was.
Weldra stond de gewaande monnik voor den koning, en werd wegens haar
spel luisterrijk ontvangen. Zij speelde en zij zong "veel vreugdevolle
woorden"; en al de aanwezigen verzekerden luide, dat zij het nooit
beter gehoord hadden. Zij werd onthaald "op wildbraad en op visch",
verheugde zich "in haar binnenste" dat "hare zaak zoo goed stond", en
speelde met vernieuwden moed, zoodat het door het geheele paleis klonk,
en al de heidenen, ('s konings dienaren en gasten) begonnen te dansen.
Den graaf werd de boodschap van zijn schoone vrouw gebracht; hij
treurde daarover zeer en zag geene andere toekomst vóór zich,
dan zich "dood te moeten werken". De vrouw intusschen, in hare
vermomming, keek met alle opmerkzaamheid naar haren man uit; en
haar eenig verdriet was, dat zij hem nergens zag. Eindelijk klom
zij op den toren van 't kasteel, en werd hem gewaar voor den ploeg
in het veld. Zij schreide vele tranen, omdat zij hem niet dadelijk
kon helpen; maar zij was intusschen onvermoeid in 't spelen, en
bleef vier weken op het slot. Toen zij nu sprak van afscheid nemen,
wilde men den muzikalen monnik rijkelijk beloonen. Men bracht hem
"eene gouden kroon en een schepel vol goud", en verzocht hem die
niet te versmaden; maar de monnik weigerde en zeide zeer nederig,
dat "zijn orde hem niet vergunde zoo iets aan te nemen", en hij zulk
loon niet begeerde. "Maar", voegde hij er bij, "om één geschenk wil
ik u vragen: het is niet om roodgeel goud, noch om edele steenen,
noch om eenig ander goed, maar alleen om den man, die ginds in het
veld den ploeg trekt." De koning antwoordde beleefd: "Heer, neem dien,
als gij hem verkiest"; en de graaf werd van den ploeg gehaald en voor
den koning gebracht, en de koning gaf hem zijne vrijheid en den raad:
"bedank den avonturier, die u verlost heeft."
Het verdere beloop van het verhaal is: dat de graaf, ondanks al wat hij
geleden had, nog niet afzag van zijn tocht naar het heilige graf; en
dat "de avonturier" zijns weegs ging. Dat de graaf, toen hij ten slotte
tehuis kwam, door zijne vrouw ontvangen werd, alsof er niets gebeurd
was, maar zich zeer beklaagde over den onvriendelijken brief, waarmee
zij den zijne had beantwoord; en dat hij van geene verontschuldiging
wilde weten. Dat ten overvloede zijne vrienden de vrouw aanklaagden en
belasterden, omdat zij in zijne afwezigheid van huis was geweest, en
wel op zulk eene geheimzinnige wijze, dat geen van de buren haar spoor
had kunnen volgen. Dat het vrouwtje toen echter niets antwoordde, maar
opstond, naar haar kamer ging, de pij aan en den monnikskap over het
hoofd trok, en de harp, de luit en den bedelzak omhing, juist zooals
zij zich in den vreemde aan hem had vertoond; en dat bij dien aanblik
de graaf opsprong van blijdschap, haar in zijne armen greep en uitriep:
"das ist der abenteurer, der mich erlöset hat!"
Onder de prentjes, die in mijn oude boek dit verhaal aanschouwelijk
moeten maken, is één, zeer sterk sprekend, waarop een man, bijna naakt
en met uitgerekte spieren, rondom zijn lendenen is ingespannen voor een
soort van wagentje met twee kleine wieltjes, dat bij nader onderzoek
een ploeg blijkt te zijn; terwijl een ander, met een tulband op het
hoofd en een stok in de hand, toezicht over hem staat te houden.--Ik
denk aan die voorstelling dikwijls, als ik in werkelijkheid een ploeg
zie, bespannen met twee flinke paarden: een der schilderachtigste
sieraden van een schoon winterlandschap. Doorgaans verstaat men onder
winterschoonheid slechts de pracht van sneeuw en rijm en ijs; maar
ik bid u, versmaadt niet die stille dagen in December of in Januari,
als het niet vriest, maar ook niet mist of stormt of regent, als het
eigenlijk niets doet, doch de boer daarvan gebruikt maakt om des
te meer te doen! Denkt u een heuvelachtige, eenigszins boschrijke
streek; de reeds opkomende dunne nevel van den korten namiddag
belet u om vèr om u heen te zien, en belooft een van die prachtig
geschakeerde zonsondergangen, die juist in dit jaargetij ons oog
zoo kunnen verblijden. Links van u liggen eenige roeden met rapen,
rechts staat winterkoren te veld; de hooibergen rondom de huizen
getuigen ook van weiland in de buurt; en ginds, af en toe achter
een schuur of een paar boomen verscholen, en dan eensklaps weer te
voorschijn komende, legt rustig en bedaard de ploeger zijnen weg af,
van den eenen akker op den anderen, in 't gezelschap van musschen en
kraaien, die in de versch opgeworpen aarde op de jacht gaan.... 't
Is een welkom beeld van bedrijvigheid en leven, te midden van dat
stille wintertooneel. Hij weet het niet, de jonge ploeger, welk een
schilderachtige figuur hij is in deze omgeving.
Doch wij van onze zijde dienden ons te schamen, als wij hem niet
nog met een ander oog bekeken. Hij zelf en zijn arbeid verdienen
onze belangstelling. Een ploeger is, als hij zijn vak verstaat, een
man van zekere kunde. Ploegen is nog niet iedermans werk. Men dient
daartoe vooreerst goed met paarden te kunnen omgaan, zekere handgrepen
machtig te zijn, vooral bij het zwenken aan de kanten der greppels;
en minstens evenveel begrip van het verschil tusschen recht en krom
te hebben, als iemand die zich op "rechtlijnig teekenen" toelegt.
"Maar 't is een erg eentonig werk", dus brengt misschien iemand in
het midden; "en ik heb medelijden met een menschenleven dat op deze
wijze wordt gesleten."
Hoor eens,--is dan mijn antwoord, de "Graaf van Rome" werd zelf
voor den ploeg gespannen; en in de dagen, waarin dat verhaal heet
te spelen, was zulks volstrekt geen zeldzaamheid. Menschen,--slaven,
lijfeigenen,--trokken den ploeg. Reeds die ploeg, hoe gebrekkig en hoe
grof van vorm, was een werktuig, uitgevonden tot verlichting van die
moeilijke, maar onvermijdelijke losmaking van den grond, die aan allen
landbouw, aan alle zaaiing en oogsting dient vooraf te gaan. Thans,
bij de hedendaagsche ploegwijze, is het niet meer de mensch die trekt,
maar hij geleidt de huisdieren: paarden of runderen. Ook het werktuig
zelf is in den loop der eeuwen aanzienlijk verbeterd. De ploeger,
die zijne zaak meester is, arbeidt meer met zijn geest dan met zijn
lichaam; en dit toch houdt men doorgaans terecht voor den standaard,
waarnaar men het meer of minder menschwaardige van verschillenden
arbeid bepaalt. Op den koop toe kan hij er zijn lichaam gezond en flink
bij houden, wat op lange na niet bij allen uitsluitend geestelijken
arbeid het geval is. Daarbij: een ploeger ploegt niet altijd. Hij
ploegt in 't najaar, opdat de omgeworpen grond zou "doorvriezen",
d. w. z. opdat door het bevriezen van de vochtigheid, die er in is, de
opgeworpen stukken ondergrond in duizenderlei richting zouden barsten
en zeer los worden. Hij ploegt in den winter, voor zoover de vorstlooze
tusschentijden het toelaten. Hij ploegt soms nog laat in 't voorjaar,
maar dan is het wegens tegenspoed in 't werk. In de lente en den zomer
doet diezelfde arbeider geheel andere dingen. Hij zaait misschien,
als hij die kunst verstaat,--want ook dat is een kunst, of voor het
minst eene behendigheid; hij helpt bij het schoonhouden der akkers;
ook zijne handen worden in beslag genomen in den oogsttijd, als er
altijd handen te weinig zijn om den boel binnen te halen,--vooral
waar het gewassen geldt welker vruchtjes gemakkelijk losspringen, en
welker zaad dus bij de minste nalatigheid reddeloos verloren gaat. Ik
bedoel hier b. v. koolzaad en karwei, die twee "dobbelgewassen",
die zelfs onze noordhollandsche landbouwers zoo dikwijls verleiden
om in hunne kostbaarste weiden den ploeg te zetten, en ze tijdelijk
tot bouwland te maken, (ze te "scheuren").
En weldra zal op zijne beurt de stoomploeg den paardenploeg
vervangen. Hij moge nog veel onvolkomens hebben, en vooral in
de huishouding van kleinere boerderijen volstrekt geen voordeel
aanbrengen--in beginsel behoort hem toch zeker de toekomst. Dan wordt
de werkman geheel machinist, en dat is alweer bijna een even groote
sprong als tusschen onze hedendaagsche ploegers en de lotgenooten van
den Graaf van Rome. Zal hij er gelukkiger om wezen? De voorvechters van
den "vooruitgang" verzekeren van ja. De vrienden van den "goeden ouden
tijd" schudden het hoofd. Wie met Karl Marx een open oog hebben voor de
gevaren die de stoom meebrengt,--in zoover deze door sterke verdeeling
van arbeid alle menschen tot specialiteiten, d. i. tot fragmenten
van menschen dreigt te maken--zetten een waarschuwend gezicht. Laat
ons die twee punten in allen geval uit elkander houden. Iemands geluk
hangt waarlijk niet af van zijn gereedschap, maar van zijne macht om
dat gereedschap, en nog vele andere dingen er bij, te beheerschen:
van zijne opvoeding, van zijn gemoedsleven, van de wijze waarop hij
geleerd heeft zijn verstand, zijn geestesgaven, vooral zijn verbeelding
te gebruiken! De soort van ploeg, waarmee hij werkt, komt er dan,
beide in letterlijken en in figuurlijken zin, minder op aan.