WINTERVOGELS.

Het is een algemeen heerschend volksgeloof,--bij den eersten den besten

boerenjongen in de eerste de beste provincie kan men er de proef op

nemen,--dat de koekoek gedurende den winter een sperwer wordt. Hoe

dat denkbeeld in de wereld moge zijn gekomen, er blijkt mijns inziens

duidelijk uit, dat men 's winters hier te lande nooit een koekoek,

en zomers slechts zelden een sperwer te zien krijgt. Trouwens,

men moet al heel weinig in de natuur rondom zich gekeken hebben,

om niet te weten dat ieder seizoen zijne eigene vogels oplevert. Wat

den zomer aangaat, twijfelt niemand daaraan. Elk weet bijvoorbeeld,

dat de terugkomst van de ooievaars tot de eerste voorjaarsteekenen

behoort, en evenzeer dat op zeker punt van het najaar, de zwaluwen

"heimwärts", huiswaarts, trekken, al is die uitdrukking volstrekt

niet juist: want onder iemands t'huis, zijn "heim", zijn vaderland,

verstaat men toch doorgaans zijn geboorteplaats, en de zwaluwen,

die 's zomers hier rondvliegen, zijn hier geboren, en gaan slechts

in het zuiden overwinteren. Maar als men aan de menschen vraagt,

wat een trekvogel is, zullen negen van de tien u antwoorden, dat

het een vogel is, die in de lente hier komt en ons in den herfst

weer verlaat. Zij vergeten dan, dat met velen juist het omgekeerde

plaats grijpt. De zeemeeuwen, die wij onlangs volgden, zijn daarvan

het sterkste voorbeeld; en de bonte kraaien verschijnen niet bij

troepen in onze velden, voordat het hun in noordelijker streken te

koud wordt. Daarbij komt, dat zoogenaamde standvogels, nl. zulken

die het heele jaar door hier blijven, in den winter, door den honger

gedreven, meer de nabijheid van de menschelijke woningen opzoeken; en

op die wijs heeft onze winterfauna zeer opmerkelijke eigenaardigheden.

Als men geregeld alle dagen op hetzelfde uur zaad of kruimels voor

een raam strooit, welke vogels komen daar dan meestal op af? De

groote menigte der dagelijksche gasten zijn gewone huismusschen,

afgewisseld door een paar ringmusschen, (met een wit ringetje om

den hals). Zij verzamelen zich reeds vroegtijdig op de welbekende

plaats, en hun voetspoor staat daar duizendvoudig in het zand of in

de sneeuw afgeteekend. Geen wonder! Hunne pootjes, zooals die van

trouwens alle kleine zangvogels, zijn op hun gewone woonplaats, de

boomen, ingericht. Zoodra zij zitten gaan, trekken zich door middel

van een spier, die strak over de knie- en enkelgewrichten loopt,

van zelf de teenen samen: zonder dat zou het hun, (denk ons eens in

hunne plaats!) waarlijk vrij moeielijk vallen, zich dag en nacht,

wakend en slapend, aan de dunne takjes, waarop zij wonen, vast te

houden. Gaan zij nu zitten, zonder dat die teenen iets te omklemmen

hebben,--bij voorbeeld op den vlakken grond,--dan dringen daar,

zonder bepaalde bedoeling, natuurlijk hunne nageltjes diep in.

Nu en dan mengt zich een roodborstje onder het gezelschap. Zaagt gij er

ooit een in het hartje van den zomer? Waar de roodborstjes dan verblijf

houden, durf ik niet zeggen, maar stellig niet rondom onze huizen,

zooals nu. In Engeland zijn zij in dit seizoen veel menigvuldiger dan

hier: Robin Redbreast in de sneeuw tegen een venster pikkend, behoort

daar tot de onmisbare figuranten op de kerstmisprentjes. De talrijke

verhalen omtrent roodborstjes, die in de kamer vrij rondvliegend,

dus volkomen mak, overwinterden en nochtans, als de lente daar was,

met ongeduld afscheid namen, wijzen op eene sterksprekende gewoonte

van jaarlijksche verhuizing. Voor mij is het altijd een welbekend

herfst-signaal, als ik, op den een of anderen Octoberdag, voor 't

eerst de zachte stem van 't kleine dier weer hoor.

Men heeft opgemerkt dat bij zulke voederingen stukjes vleesch meezen

lokken. Dat laat zich zeer wel hooren. Meezen toch zijn, in vrijen

staat, bijna uitsluitend vleeschvretende diertjes. Hebt gij wel

opgelet, hoe zij zich doorgaans, op de wijze der boomkruipertjes,

tegen stammen en op dikke takken ophouden, en daartegen met haar

korten dikken snavel voortdurend pikken, als gold het gaatjes in

het hout te boren? Het geldt dan echter de in de spleten van de

schors verscholen insekten, of voornamelijk hun eieren en larven te

bemachtigen. De meezen zijn daarom veel minder schadelijk voor den

tuinbouw dan andere kleine vogels: zij reinigen de boomen van duizenden

ongewenschte bewoners, en stelen toch geen vruchten.... 't Is waar,

in den vruchtentijd, zijn zij hier niet,--anders durf ik niet zeggen

hoe ver haar bescheidenheid gaan zou.--Op deze behoefte aan dierlijk

voedsel berust natuurlijk ook de verzekering van alle vogel-opvoedende

jongens, "dat je, als je meezen brood wilt geven, het in melk moet

weeken". Ondanks deze goede bedoeling om 't haar lekker te maken,

wensch ik alle kool- en pimpelmeezen toe, dat haar aardige zwarte

of blauwe kopjes nooit in handen van die brood-weekende weldoeners

mogen vallen.

De tegenvoeters der meezen op het punt van voeding zijn duiven. Dezen

toch behooren tot de meest consequente vegetariërs. Nog nooit heeft,

voor zoover ik weet, een duif een ander beest vermoord;--hetgeen

zeker ook niet strooken zou met hare algemeen bekende reputatie

van zachtheid... De keerzij hiervan is, dat zij juist daardoor,

in tegenstelling van de meezen, een schrik zijn van den tuinbouw,

en als zij niet van oudsher zekeren stralenkrans van dichterlijkheid

bezaten, zouden de wilde tortels en de koolduiven, die de hoogste

boomen onzer tuinen bevolken, sinds lang gevaar loopen van uitgeroeid

te worden. Zij zijn het gansche jaar door hier, maar doen er, geloof

ik, wel wijs aan, zich des winters schuil te houden; anders mocht

het menigeen in de gedachte komen, eens te berekenen hoeveel boonen,

erwten enz, er wel verbruikt worden door de "onnutte" snavels van zoo'n

aantal groote vogels. Zij zijn dan, als zij zich bij uitzondering

vertoonen, vrij slaperig en langzamer dan ooit in haar bewegingen,

loopen waggelend als op winterpootjes, of zitten diep in de veeren

gedoken op de zwarte druipende takken van de berken der parken of

van de olmen onzer hollandsche grachten. Ik zou evenwel niet denken

dat zij gedurende den schralen tijd veel eten.

Zoodra de vorst zoolang heeft aangehouden, dat de Zuiderzee

bevroren is, gaat menig kustbewoner, die een geweer hanteeren kan,

"een paar uur ver de zee in, om zwanen te jagen". Hij neemt dan

soms een schapenvacht mee, en gaat daaronder liggen, om in de witte

wereld door zijne slachtoffers niet zoo licht gezien te worden; en,

met of zonder zulke kunstgrepen, brengt hij allicht een paar van die

donsrijke dieren te huis, wier witheid dan zelfs door de sneeuw niet

te schande gemaakt wordt. Dat zwanen niet bang voor de kou zijn, weet

trouwens ieder, die er ooit een paar in een bijt of een wak heeft

zien zitten, rustig drijvend op de roode pootjes, rondom welke het

water alweer een vliesje begon te krijgen. Zij staken af en toe hun

langen hals in de diepte, met even veel gemak alsof het zomer was;

en namen geen andere maatregelen tegen de bezwaren van 't seizoen,

dan dat zij zich eens een keer extra de veeren bestreken, na den

snavel aan de vetklier gebracht te hebben.

Aan dergelijke wakken vertoont zich ook niet zelden het ijsvogeltje,

dat zonderlinge dwergje met zijn hoogen smallen kop, zijn korten staart

en vooruitstekende borst, welke allen nog te sterker uitkomen door zijn

langen snavel, die reeds aanwijst van welk voedsel hij leeft. Hij is

een echte visscher,--de "Martin-pêcheur" der Franschen,--en zit met

een geduld, een Leidschen hengelaar waardig, den lieven langen zomer,

dag in dag uit hier of daar aan een slootkant; maar uit den aard der

zaak komt hij het meest te voorschijn in den winter, als zijn beste

plekjes door de vorst zijn bedorven, en hij aan de bijten zijn fortuin

moet beproeven. Ongelukkig wordt de mooie blauwe kleur van kop en

rug hem dan doorgaans noodlottig, doordien zij den voorbijganger maar

al te zeer aantrekt: "l'oiseau bleu" wordt waarlijk zoo dikwijls te

vergeefs nagejaagd, dat het bovenmenschelijk zou wezen hem te laten

glippen, als de gelegenheid tot vangen zich zoo verlokkelijk aanbiedt!

Kop en snavel daargelaten, doet zijn figuur ons denken aan de uiltjes,

die wij thans lichter dan des zomers hier en daar ontmoeten, omdat

dan het loof ze veiliger aan onzen blik onttrekt. Meermalen heb ik

des winters gemeend eene donkergele kip op een lagen boomtak te zien

zitten, en als ik dan naderbij kwam, bleek het een kleine uil te zijn,

natuurlijk, omdat het dag was, in een diepen slaap verzonken. Doch

de slaap was zoo diep niet, of, het minst dat ik hem aanraakte,

schrikte hij op, en vloog bijna zonder gedruisch weg. Men behoeft,

om de oorzaak van dat stille vliegen te doorgronden, den bouw van

zijne veeren slechts aandachtig te bezien. In plaats van, zooals

andere veeren, aan weerszijden vast te zijn, nl. zóó dat de baartjes

met fijne tandjes in elkander grijpen, is dit bij uilenveeren slechts

aan ééne zijde het geval, waardoor de geheele "pluimagie",--zooals

onze overgrootouders den vederdos noemden,--een zeer los karakter

krijgt. Een molenroede met een zeil maakt onder 't malen veel meer

leven dan eene met een leeg hek: een dergelijk verschil heeft hier

plaats, en brengt ons tot het voor de hand liggende besluit, dat als

de uilen 's nachts zoo stil niet vliegen konden, zij zeker zooveel

muizen niet zouden bemachtigen. Hun rond gezicht doet hen uit alle

andere vogels kennen, evenals hun ronde eieren aan een eierenketting

dadelijk in 't oog springen.

Wat nu ten slotte het geloof betreft aan die periodieke verandering

van den koekoek in een sperwer en omgekeerd,--het vindt allicht zijn

voortduring, zoo niet zijn grond, in de oppervlakkige gelijkenis der

beide vogels. Hun grootte, hunne kleur, de gegolfde teekening op borst

en buik, doen hen in de verte op elkaar gelijken. Ook hun leefwijze

heeft iets van elkander. Doch de rol, die zij in de vogelwereld

spelen, verschilt. Is de koekoek een plaag voor vele kleine vogels,

door zijne beruchte gewoonte om door hen zijn jongen uit te laten

broeden, de sperwer,--een havik in het klein,--is een echte roofvogel

en verslindt ze bij menigte. Wie de kleine zangers in zijn buurt

wenscht te beschermen, dient den sperwers den oorlog aan te doen, en

zoo mogelijk hun nesten te verstoren. In zeker opzicht is dit jammer,

want hun huislijk leven is waarlijk recht voorbeeldig. Het is voor

vele vogelkenners eene zeer dankbare studie geweest, na te gaan welk

deel de beide ouders aan de opkweeking van hun kroost nemen. Bij

een groot aantal soorten komt die zorg alleen op het wijfje neer;

bij anderen houdt het mannetje de wacht; bij nog weer anderen brengen

beiden te zamen den jongen voedsel aan. Bij de sperwers nu geschiedt

dit ook, maar alleen de moeder is in staat dat voedsel behoorlijk voor

hen toe te bereiden. Men heeft sperwertjes, wier moeder gedood was,

van honger zien sterven, ofschoon zij omringd waren door een rijken

voorraad van levensmiddelen, die de vader hun toevoerde, doch zonder

dat deze in staat was ze voor hen bruikbaar te maken.

Natuurfantazieën · 第 75 / 82 题