Victor Hugo vertelt in een van zijne verrukkelijke kleine Chansons,
hoe hij, den eersten November naar den "boschtempel" gaande, waar
hij den ganschen zomer door met zooveel dichterlijke stichting "de
dienst" placht bij te wonen, den toegang onverwachts versperd vond
door verdorde bladeren en afgewaaide takken en breede modderplassen; en
dat een uil, die hem zag zoeken en zich met moeite een weg banen, hem
vriendelijk terecht wees met de inlichting: "Fermé pour réparations."
Zoo zou het ons ook kunnen gaan, indien wij nog altijd volhielden
bloemen in het vrije veld te willen zoeken!
Toch zijn zij er wel te vinden. Zoo wij afdalen tot de bijzonderheden
van Hugo's teekenachtig natuurtafereeltje, dan zien wij in en om
die modderplassen, en onder al dat afgevallen loof iets, wat hij
niet noemt, maar wat het weinig moeite kost er ons bij voor te
stellen. Ik bedoel die onnoemelijke massa grootere en kleinere
Zwammen, die juist in dezen tijd van 't jaar te voorschijn komen,
die gedeeltelijk op den grond, gedeeltelijk op het natte hout en op
de half vergane bladeren groeien, en die half een gevolg, half mede
eene oorzaak zijn van hunne spoedige ontbinding en van de duffe lucht,
die wij rondom ons waarnemen.
En of deze nu bloeien? Kritieke vraag, in meer dan één opzicht. Wij
zullen ons maar aan den geijkten term van Bedektbloeienden houden.
Was dat bloeien, wat de Varens deden, toen zich, kort geleden, op de
achterzijde hunner sierlijke veeren een aantal kaneelbruine stippels
vertoonden, in regelmatige figuren rondom de nerven en insnijdingen
gerangschikt? Zeker is het, dat van de verschijning dezer stippels de
vermenigvuldiging der plant, of, zooals het hier heet, "sporenvorming"
afhangt. Zoo'n bloei schijnt zeker al heel zonderling; de zaak wordt
echter reeds een weinig minder vreemd, zoodra wij kennis maken met
die soorten van varens, (b. v. het inlandsche Dubbelloof, Blechnum
Spicant), die er tweeërlei veeren op nahouden, waarvan de ééne niet
bloeien en de andere op bloeiende stengels gelijken; en indien wij
daarbij denken aan den geleidelijken overgang van bladeren tot bloemen,
door Goethe dichterlijk geschetst in zijn Metamorphose der Pflanzen.
En het mos, draagt dat bloemen? Van het loofmos kan zelfs
een oningewijde het gelooven, als hij de fijne bruine peer-
of bekervormige figuurtjes, die daar den bloei vertegenwoordigen,
op hunne dunne steeltjes tusschen 't groen ziet steken. Bij het
korstmos--die platte, vlakke korsten op boomstammen en muren--valt
het alweer iets moeilijker; toch bloeit ook dit op zijne wijze. En
let eens op uw Selaginella, uwe kamer-"mosplant", (eigenlijk geen
mos); ga eens na of aan de uiteinden dier stengeltjes, van boven
met een dubbele rij kleine, van onderen met een dubbele rij grootere
blaadjes bezet, niet op zekere tijden van het jaar groene bolletjes,
zoo groot als speldeknoppen, voorkomen?... Dan bloeit zij.
Zoo afdalende tot in de laagste kringen van het plantenrijk, komen
wij terecht bij de zwammen, paddestoelen, schimmels, enz. Ook
dat is bloeien, als die hooge witte paddestoelen, die ons in het
najaar in den tuin zoo lastig vallen, gaandeweg, van kegelvormig,
plat worden, meer en meer als een parapluie gaan uitstaan, en dan,
tusschen de stralen aan hun onderzijde, een dik zwart vocht loslaten,
dat vlekken geeft als wagensmeer en, door zijn onaangenamen geur,
hoofdpijn veroorzaakt. Ook dat is bloeien, als de schimmel op dat
rottende blad in het bosch, of op een rotten appel in uw provisiekamer,
na eerst wit geweest te zijn, groene puntjes krijgt.
Het is alles wel geen bloeien in den gewonen zin... En de sporen,
die zich daarbij vormen, zijn geen zaden, die slechts behoeven te
ontkiemen... De wereld der bedektbloeienden is een wereld op zich
zelve in het plantenrijk.
Maar indien wij nagaan, hoe elk blaadje van het veenmos een gewoon
boomblad in het zeer eenvoudig is, in dier voege namelijk, dat het
opperhuid noch nerven heeft, maar slechts uit één laagje cellen
bestaat;--indien wij in het algemeen bedenken, dat in die lagere,
die eergevormde plantenwereld, met name in de varens, reeds al de
bladvormen voorkomen, die zich later onder de zichtbaarbloeiende
gewassen hebben gereproduceerd;--indien wij eenen blik slaan in de
keurige bijzonderheden van dien "bedekten" bloei, zooals zij in de
afbeeldingen van het eerste het beste boek over plantkunde vergroot
te zien zijn,--dan.... Doch dat wordt een zaak voor 't mikroskoop in
de studeerkamer, en wij wenschen in de open lucht te blijven.