JACHT EN WILD.

Ik heb eens iemand hooren zeggen dat hij in Duitschland geologie

ging studeeren, omdat er in ons land "geen geologie is". Hij doelde

daarmede natuurlijk niet op een gebrek in de studie der nederlandsche

deskundigen, maar op een gebrek aan belangrijkheid en rijkdom van

delfstoffen in onze aangeslibde gronden. Evenzeer zou ik mij best

kunnen begrijpen dat iemand naar een ander land ging jagen, "omdat

hier geen jacht is". Of noemt gij dat bijvoorbeeld jagen, als een

man in de kracht van zijn leven, dag in dag uit, met een hond en een

polsdrager achter zich, door Hollands moerassige rietvelden drentelt,

af en toe een snipje schiet, den hond roept om het te apporteeren,

zijn prooitje met hoogsteigene hand het kopje inknijpt en dan

's avonds rhumatiek te huis komt?... Toch, als men opmerkt hoe de

jachtliefhebbers, edellieden, heeren- en andere boeren, jaarlijks

voor het jachtveld van een of ander terrein, sommen overhebben, die

een eerzaam stadbewoner de haren doen te berge rijzen, dan moet men

wel vooronderstellen dat er groote bekoorlijkheid ligt in die jacht

zonder gevaar, dat overwinnen zonder strijd, dat zegepralen over

zulke onnoozele slachtoffers.

Voor de meeste jagers wil ik gaarne gelooven dat die aantrekkelijkheid

minder bestaat in het dooden of verminken dier dieren, als wel in

hetgeen uit den aard der zaak aan eene jachtpartij verbonden is:

de verre tocht, die dikwijls in den vroegen morgen aanvangt, het

dwalen door de bosschen en de velden, de afwisseling van zulk een

dag, en het doorgaans daarop volgende diner. Voor weder anderen,

en dat is wellicht nog de beste zijde van 't geval, is de grootste

prikkel gelegen in het zoeken van de schuilplaats onzer kleine "wilde"

landgenooten, in 't beloeren van hun listen, en het leeren kennen

van hun vlugheid en hun sluwheid. En werkelijk zijn het gewoonlijk

alleen jagers, die in hunne gewoonten goed te huis zijn.

Die haas bij voorbeeld, die daar in uw keuken hangt, en morgen

"afgehaald" zal worden, hoe zou die zijn leven wel gesleten

hebben? Ieder weet dat een haas hard kan loopen en graag kool eet;

maar betrekkelijk zeer weinig menschen zijn goede kennissen met Lampe,

zooals hij in de "dierfabel" van Reintje-de-Vos heet. Ik moet dan

ook erkennen, dat er heel wat takt toe behoort, om op een familiaren

voet te komen met iemand, die zoo schuchter en achterdochtig is

als hij.--Toch is hij, bij al zijn beruchte lafheid, een aardig,

lustig diertje. Sla hem slechts gade in het voorjaar. Nauwelijks is de

jachttijd om, waarin hij zooveel angsten doorstaan heeft, en de winter,

waarin hij dikwijls zooveel kou moet lijden, en zich soms, ten einde

raad, geheel onder de sneeuw woelt,--of hij vat den moed weer op en

krijgt op nieuw lust in zijn leven. Dikwijls reeds in Januari zoekt hij

zich een wijfje; en een maand later, als de meeste vogels nog aan geen

nestenbouwen denken, is het hazennest gereed; en weldra liggen daarin

drie of vier jongen rond te kruipen. Zeer kunstig is dat nest niet. De

aanstaande moeder krabde slechts een ondiep kuiltje in het bouwland,

en belegde dat met wat gras of stroo en met een vlok of wat van hare

eigen haren. Geheimhoudend als een haas is, zoekt zij dat nestje met

de meeste zorg voor elkeen te verbergen. Ook voor andere hazen, die

zich, als zij ze vinden, wel eens aan de jongen vergrijpen. Zij zelve

houdt ze doorgaans een week of drie bij zich, en lokt ze tot zich,

door te klappen met de ooren. Dat hazen dadelijk na hun geboorte

zien kunnen, is niet te verwonderen: hunne oogen dienen wel dadelijk

voor het daglicht geschikt te wezen, want hun oogleden zijn te kort,

dan dat zij ze ooit geheel zouden kunnen sluiten. Zelfs wanneer zij

slapen, staan dezen dus altijd half open. Vandaar wellicht het woord

"hazeslaapje"; terwijl de vorm van hunne bovenlip, (door eene breede

gleuf, die zich tot het middenschot der neusgaten uitstrekt, bijna

geheel in tweeën verdeeld), eene zeer natuurlijke aanleiding geeft

tot den term "hazelip". Zoodra de jongen kunnen loopen en mee kunnen

eten van de spruiten op het veld, wordt het nest verlaten; en weldra

heeft de moeder weer een ander, tot driemaal in het jaar toe. En daar

die van 't eerste nest in 't najaar meestal zelven reeds weer jongen

hebben, kan er van één hazenpaar binnen drie jaar gemakkelijk een

duizendtal afstammen.

Tegen de verschillende gevaren, die hem gedurende zijn leven bedreigen,

heeft hij in letterlijken zin zijne loopjes. Ligt de haas overdag

rustig in zijn leger,--zooals hij in den regel schijnt te doen, om

slechts des nachts op zijne zaken uit te gaan,--dan heeft hij eene

heerlijke bescherming in de vaalbruine kleur van zijn pels. Dit schijnt

hij wel te weten; want hij blijft gewoonlijk doodstil liggen, wanneer

hij een mensch aan hoort komen, drukt zich dicht tegen den grond

aan, en beloert, zonder zich te verroeren, iedere beweging van den

onwelkomen bezoeker. Slechts wanneer de vijand zeer dicht bij is, en

hem dreigt aan te vallen, springt hij eensklaps op, en maakt zich uit

de voeten. Gaat hij, als het gevaar voorbij is, naar zijn rustplaats

terug, dan loopt hij daar nooit regelrecht naar toe, maar maakt

eerst eenige dwarssprongen in de buurt, als om zijn eigenlijk doel,

voor ieder die er naar mocht kijken, te verbergen. Een haas echter,

die meermalen eene jacht heeft bijgewoond, weet dat daarmede niet valt

te gekken; en dat ook het kunstje van het stil-liggen hem tegenover

de neuzen der speurhonden niets helpt. Hoort hij dus het gevreesde

schieten of wel het blaffen van een zijner aartsvijanden, dan schrikt

hij, zet zich op de achterpooten, en besluit tot de vlucht. Een groot

voordeel voor hem is het, als hij bij die vlucht tegen eene hoogte

op kan rennen, want zijn voorpooten (of "loopers"!) zijn langer dan

zijn achterloopers: daardoor klimt hij gemakkelijker dan hij daalt,

en maakt in het laatste geval dikwijls een buiteling. Merkt hij nu

echter, dat ondanks al zijn vlugheid, de honden hem dicht op de hielen

zijn, dan heeft hij nog één middel over. Hij neemt namelijk plotseling

een geweldigen zijsprong, en loopt in een andere richting door. Vaak

schieten dan zijne vervolgers in hunne drift voorbij, en in dat geval

heeft Lampe een heel eind gewonnen. Door deze manoeuvre ontkomt hij

dikwijls aan de honden, en zelfs aan den vos, die graag jacht op

hem maakt, en anders zeer ervaren is op het gebied van allerhande

listen en lagen. Al mogen dan ook betrekkelijk zeer weinig hazen den

ouderdom van acht of tien jaren bereiken, waartoe zij komen konden

indien menschen, wezels, raven, sperwers, ooievaars en anderen hen

ongemoeid lieten, zoo blijven er toch, ondanks alles, jaarlijks nog

een groot aantal onze velden bevolken, en in duinen en bouwlanden en

heiden, hun leven naar hun zin genieten.

En dan konijnen. Zouden er soms onder mijne lezers zijn, die, zooals

ik laatst van iemand hoorde, vast meenen dat konijnen jonge hazen

zijn? Ofwel, zouden niet velen, ook al zijn zij in theorie volkomen

van dat verschil overtuigd, veel kans loopen zich in de praktijk te

vergissen tusschen een haas en een konijn? Hun weet ik geen beter raad

te geven dan: gaat naar een poelier, maakt daar uwe vergelijkingen

tusschen ooren en pooten, en wordt wijs.

En patrijzen. Velen kennen dezen niet anders dan gebraden. Anderen

kennen ze dood; en weten dan zelfs aan de bruine borstvlek de haantjes

te onderscheiden. Maar de jagers hebben hen levend gezien, wat ons

anderen niet licht overkomt, Zij weten hoe het "hoen", zooals zij den

patrijs plegen te noemen, in leefwijs en gewoonte werkelijk groote

overeenkomst heeft met kippen en andere hoendervogels,--te beginnen

reeds daarmee, dat het evenals een kuiken, dadelijk na zijn geboorte

loopen kan, in plaats van, zooals b. v. jonge leeuwerikken, eerst

een paar weken in het nest te blijven liggen. Het huislijk leven der

patrijzen is daarom echter niet minder trouw en gezellig. Reeds vroeg

in het voorjaar vechten de mannetjes hevig, om ieder een wijfje te

bemachtigen. In een van droge grashalmen voorziene uitholling van

den grond worden de groenachtig-grijze eieren gelegd. Een broedsel

bestaat wel uit tien of twaalf eieren, dus evenveel als onze kippen

tegelijk plegen uit te broeden, en veelmeer dan zulks bij de meeste

vogels het geval is. Trouwens, dit hangt juist samen met het vroege

wegloopen. De oude haan houdt bij het nest de wacht, en waarschuwt

bij gevaar het broedend wijfje, dat dan het nest loopende verlaat,

en eerst op een goeden afstand opvliegt. Zoo er mierenhoopen in de

buurt zijn, worden de jongen, kort nadat zij uitgekomen zijn, door de

ouden daar heen geleid, en vinden dan in de dikke gele mierenlarven

een uitgezocht voedsel. Zij kunnen slecht tegen een nat seizoen; bij

nacht, gevaar of slecht weer neemt de moeder hen onder hare vleugels,

juist als eene hen hare kuikens; de bouw en vorm van het diertje

heeft dan ook iets zeer hoenderachtigs.

En snippen. Als echte moerasvogels loopen dezen op dat hooge soort van

pooten, die niet onaardig bij stelten vergeleken zijn geworden. Haar

aangezicht heeft iets... anders dan dat van alle andere vogels;

en als men ze goed aankijkt, begint men er langzamerhand achter

te komen, dat dit is, doordien de oogen zeer ver naar boven en

naar achteren staan,--iets wat ook aan menschengezichten zoo iets

vreemds geven kan, zelfs al is het niet meer dan een streep buiten

de normale maat.--Haar snavel is nog langer dan de kop zelf; en

als men dien bevoelt, bemerkt men dat hij min of meer week is,

van achteren bijna vierkant, en van voren een weinig verdikt, en,

althans bij de watersnippen, met een klein puntje omgebogen. Zij

kunnen daarmee gemakkelijk in de modder boren, om water-insekten en

weekdieren te zoeken; en het is tot dat einde natuurlijk van groot

voordeel, dat haar neusgaten zoo dicht mogelijk naar den kop toe

staan. De houtsnip kan men uit de overige snippen kennen, doordien

haar pooten tot bijna aan den hiel toe met vederen bekleed zijn. Zij

broedt hier te lande slechts bij uitzondering, ofschoon zij zulks

niet laat omdat het haar bij ons te koud is, want b. v. in Lithauen

wordt zij in menigte broedende aangetroffen. Hier komt zij slechts

op den trek voor, nl. van October tot December. Zij rust dan bij

voorkeur des nachts, verschuilt zich overdag in kleine boschjes,

en vliegt, als zij opgejaagd wordt, met den bek omlaag gericht, een

eindje voort, om zich echter zoo spoedig mogelijk weder in het hout

te wagen. De watersnip daarentegen, een weinig kleiner dan de vorige,

voelt zich zeker bij ons meer in haar element. Zij broedt veelvuldig

in Noord-Brabant en Groningen, aan lage, vochtige plaatsen; maar

ook haar aantal wordt jaarlijks zeer vermeerderd in den trektijd,

die voor deze soort twee malen voorkomt, nl. in het vóór- en in het

najaar. Van Augustus tot het einde van October namelijk, trekken

er een groot aantal watersnippen zuidwaarts, van Maart tot April

noord-oostwaarts. Ook haar reis heeft bij nacht plaats, en overdag

vindt men haar tegen den grond gedrukt liggen. Wanneer zij opgejaagd

worden, laten zij eenige kort afgebroken klanken hooren, en vliegen

dan vrij hoog op. Zij laten somtijds een zonderling geluid hooren, dat

aan het blaten van een schaap doet denken; dit schijnt niet door de

keel, maar door de snel trillende beweging der staart- en slagpennen

voortgebracht te worden. Haar voedsel bestaat uit insekten en wormen;

zelfs azen zij op bloedzuigers. Ofschoon zij zich vaak in de toppen

der boomen ophouden, nestelen zij op den grond; het nest bevat meestal

vier eieren, en de broedtijd duurt ongeveer 16 dagen.

Dit een en ander, in den loop der tijden gemeengoed der dierkundige

wetenschap geworden, werd zonder eenigen twijfel voornamelijk door

jagers ontdekt. Een haas of snip zou eene treurige beschouwing kunnen

maken over de omstandigheid, dat de beste kenners van het wild ook

tevens zijne bloedigste vervolgers zijn. Soms straffen dergelijke

dingen zich zelven. Ik heb een hartstochtelijk jager gekend, die in

eene lange ziekte zich voortdurend verbeeldde dat hij een aangeschoten

eend was en ergens in het riet lag te sterven. Elk ongewoon gedruisch

deed hem denken aan een hond, die hem wou oprapen.

Natuurfantazieën · 第 71 / 82 题