"De hoeveelste is het van daag?"
"De 28ste, Neef, de 28ste October."
"Bloeien er nog Heliotropen?"
"Ja zeker. Woudt u een takje hebben?"
En ik plukte een paar frissche takjes en bood er neef Piet een
aan. 't Was verleden najaar, op een heerlijk mooien dag, zoo als in
dit seizoen alleen vinkenmist-ochtenden ze kunnen opleveren.
"Citrouilles, dat zijn immers pompoenen?"
"Ja, neef."
"En Aubergine, hoe noem je dat in 't hollandsch?"
"O, dat is Datura. Doornappels is de hollandsche naam. Maar hoe komt
u zoo aan 't fransch vandaag?"
Mijn neef Piet was namelijk jong geweest in den franschen tijd en
had, om bijzondere redenen, zijn leven lang een hekel gehad aan al
wat fransch was.
"Wel, die fransche kalender......"
"Wat meent u?"
"Je weet toch wel: die republikeinsche kalender: Nivôse, Pluviôse,
Ventôse?"
"Germinal, Floréal, Prairial.... Maar wat heeft die met bloemen
te maken?"
"Wel, voor iederen dag stond een bloem, of een beest, of een hark,
of een ploeg, maar meest bloemen. De 28ste October was de verjaardag
van Jan, goeden jongen, en dat was de dag van de Heliotrope. Dat wisten
wij als kinderen allen precies. Je tante Lucie, die zoo droomerig kon
wezen, plaagden wij er altijd meê, dat zij op den papaverdag t'huis
hoorde, maar zij trof op de aardbei. Moeder had de Lelietjes-van-dalen,
27 April...." En neef verdiepte zich in zijne kindsheidsherinneringen.
"Maar hoe was dat dan, neef? Hadt u dat zelf bedacht, of was dat,
hoe zal ik zeggen, officiëel?"
"Wel, het hoorde bij den kalender. 't Was in plaats van de
heiligendagen. Wij hadden 't uit een zwitsersch almanakje; als je
goed zoekt, kan je 't misschien nog wel vinden....."
De zaak had mijn belangstelling genoeg wakker gemaakt, om er een
tochtje naar de vliering voor te wagen; en werkelijk vond ik het
bedoelde boekje. Het was een Helvetischer Revolutionsalmanach für
das Jahr 1800, welks inhoud begon met een dubbelen kalender, in de
"oude" en de "fransche" tijdrekening. [5]
Ik weet niet of deze laatste mijnen lezers bekend is: mij kwam ze
gedeeltelijk nieuw voor. Ik kende wel de teekenachtige, aan het weêr
ontleende namen der maanden... (Voelt gij geen Juli-gloed in het woord
Thermidor, en ligt er niet een sombere Novemberdag verscholen tusschen
de letters Brumaire?) Ik wist ook, dat de fransche republiek van 1800
niet bij weken rekende, maar bij tientallen van dagen: Primidi, Duodi,
enz. Doch wat ik nooit gehoord had, was dat men, bij het schrappen
van al wat naar kerkelijke plechtigheid zweemde, in de leegte, door
het wegvallen der heiligendagen veroorzaakt, op eene eigenaardige
wijze had trachten te gemoet te komen. Zoo als neef zeide: voor de
heiligen waren bloemen, enz. in de plaats gekomen. En daar in den
ouden heiligen-kalender geregeld iedere dag een patroon gehad had,
zoo was nu ook voor elken dag een plant of iets anders gekozen. Niet
altijd bloemen. "Vooreerst", zei neef, "waren die in den winter niet
gemakkelijk te vinden; dan behielp men zich met delfstoffen, zooals
b. v. zand, klei, kalk; tot dat de sneeuwklokjes en hunne tijdgenooten
de bloemenreeks begonnen, die in den herfst door vruchten en andere
produkten uit het plantenrijk werd aangevuld. Daarenboven was de
zaak zoo ingericht, dat telkens voor den vijfden dag der décade een
huisdier, en voor den tienden dag een of ander landbouwgereedschap
gesteld was." Dit nu zou alles netjes rondgeloopen hebben, indien het
aantal dagen van het jaar juist in tienen deelbaar was geweest. Maar
de zesendertigste décade eindigde met den 30sten Fructidor, (17
September); en vóór den 1sten Vendemiaire--het republikeinsche jaar
begon met 20 September,--moesten dus nog vijf dagen verloopen. In dit
bezwaar had men op hoogst merkwaardige wijze voorzien, en wel door de
zoogenaamde jours complémentaires. Deze waren niet gewijd aan bloemen,
noch aan aarde, noch aan steen, noch aan werktuigen, noch aan dieren;
zij vormden geheel afzonderlijk eene halve décade op zich zelve,
en heetten eenvoudig naar de beruchte Septemberfeesten: 1 Fête de
la Vertu; 2 Fête du Génie; 3 Fête du Travail; 4 Fête de l'Opinion;
5 Fête de la Récompense. [6]
Ik was recht in mijn schik met mijn vondst, en neef Piet's hart werd er
jong van. Allerhande bijzonderheden kwamen bij hem boven. "Op den 1sten
September", vertelde hij, "gooiden wij altijd naar noten, en ergerden
ons als ze nog niet rijp waren, want het was le jour des noix. Eén
dag in 't jaar werd de poes getrakteerd, omdat het le jour du chat
was. Dat viel... O, neen, dat was de hond, die viel op Kerstmis. Dat
was de ergernis van tante Leentje. Goed luthersch als zij was, vond ze
't heel best, dat de heiligendagen afgeschaft werden; maar dat op 25
en 26 December Cire en Chien stond, dat kon ze niet velen..."
"Er is iets frisch, iets oorspronkelijks aan," beproefde ik.
"Ja, 't was wel fransch, maar 't was toch aardig!"
En neef en ik, nu beiden tamelijk onpartijdig tegenover de
nagedachtenis dier fransche republikeinen,--ik omdat ik hun tijd
niet gekend had, hij, omdat er thans zooveel jaren tusschen
lagen,--verdiepten ons naar hartelust in het tintelende leven
dat er ligt in die poging om, tegelijk met de omwenteling in de
staatkundige wereld, de vernieuwende beginselen ook dadelijk op
allerlei maatschappelijk gebied door te voeren. Men bewondert, en te
recht, de levenskracht dier mannen, die te midden van de woelige en
bloedige tooneelen van het schrikbewind, zich rustig bezighielden met
het samenstellen van een wetboek, waaruit later het Code Napoléon is
geworden; maar hoe eigenaardig uit zich dan niet de geest dier dagen in
dezen, al naar ge het noemen wilt, naïeven of genialen kalender. In
alles moest verandering komen; geen onderdeel van 't dagelijksch
leven was te gering om in de plotselinge hervorming te deelen; aan
scheppingskracht ontbrak het niet, en een oorspronkelijke inval had
meer dan in gewone tijden kans van toegejuicht te worden. Met welk
een kunstgevoel is hier partij getrokken van het beetje natuurkennis,
sinds gisteren of eergisteren door Rousseau op 't tapijt gebracht;
hoeveel ruwe, maar karakteristieke poëzie ligt er in al die ploegen,
eggen, zeissen, ossen, als 't aktief ingrijpend element, midden
tusschen de van wege de natuur geschonken grondstof, vertegenwoordigd
door delfstoffen, boomen en bloeiende kruiden!
Maar 't merkwaardigste van alles zijn en blijven toch voor mij
die "jours complémentaires". Ligt daarin niet de indruk van eene
bekentenis,--en in dit geval wel een zeer ongedwongene, zeer
onwillekeurige, misschien onbewuste, maar daarom te treffender
bekentenis,--dat de menschheid alleen bij de stoffelijke natuur om
haar heen het leven niet kan houden? Dat zij bij en boven boomen en
bloemen, hoe schoon ook, en koorn hoe nuttig ook, en karren, wagens,
spaden, hoe onontbeerlijk ook, en dieren, hoe na ook aan ons verwant,
nog steeds iets anders noodig heeft, wat alleen den menschelijken
geest aangaat: in den eenen of anderen vorm geestelijke idealen?