Elk die in dit seizoen een "tuinder" in zijn tuin bezoekt, kan zeker
wezen klachten te vernemen over de erbarmelijke wijs, waarop de
rupsen in de kool huishouden; en de groenlui in de stad hebben niet
altijd ongelijk, wanneer zij dit als reden opgeven voor het "opslaan"
van genoemd artikel.
Ieder nu, die niet geheel en al vreemdeling is in hetgeen er in
de dierenwereld omgaat, weet hoe die koolrupsen de larven zijn van
zekeren witten vlinder met twee zwarte vlekjes op de vleugels, die
dan ook gewoonlijk "koolwitje" genoemd wordt. Het wijfje van dien
vlinder legt in de lente hare eitjes aan de onderzij der bladeren van
kool of koolzaadplanten, bij hoopjes van 20 tot 30; ieder diertje
dikwijls een paar honderd stuks. Na een dag of veertien komen deze
eitjes uit; en de daaruit geboren rupsen blijven eene week lang
gezellig bij elkander in een soort van zelfgesponnen web. Omstreeks
den achtsten dag vervellen zij voor 't eerst, en beginnen zich dan
over de geheele plant te verspreiden. De jonge rupsen zijn bijzonder
gulzig; dag en nacht eten zij voort; men heeft opgemerkt dat zij
in zeker aantal uren steeds het dubbele van haar eigen gewicht aan
voedsel gebruiken. Na ongeveer drie weken zijn zij volwassen, en
zoeken naar eene schuilplaats om zich te verpoppen. Wie nu daartoe
een veilig plekje, liefst aan een heg of muur of schutting, heeft
gevonden, hecht zich stevig vast met spinsel, stroopt haar huid af,
en blijft zelve daarnaast zitten, als een bleek-groene pop, met zeer
vele zwarte puntjes en vlekjes geteekend. Na veertien dagen barst op
nieuw de huid, en de jonge vlinder vliegt de lucht in.
Omstreeks dezen tijd nu zijn doorgaans de kleine koolplanten in den
tuin juist beginnen te groeien, en bieden dus een heerlijke gelegenheid
tot eierleggen aan de nieuwe kapellen. Zoo verschijnt in den nazomer
een tweede geslacht van rupsen, dat op zijne beurt zijne gulzigheid bot
viert. Indien men nu stelt, dat in het voorjaar 10 vrouwelijke kapellen
zijn uitgekomen, en 2000 rupsen hebben voortgebracht, dan is het niet
te veel gerekend, indien een vierde daarvan weder wijfjes zijn, en
deze in September 100,000 nakomelingen leveren. Het is dan waarlijk
wonder, dat er nog iets van onze kolen overschiet;--de bladstelen en
een gedeelte van de hartbladeren blijven meestal gespaard.
Doch slechts zelden wordt dat groote heir voltallig. Om van de musschen
en de spreeuwen en de kraaien enz. niet te spreken, het koolwitje
heeft een vijand, veel kleiner dan deze, maar eigenlijk nog veel
geduchter. Het is een diertje van bijna drie millimeter grootte,
een zwarte sluipwesp, met roode pootjes en paarsche doorschijnende
vleugels. Sluipwespen nu zijn wespen, die hunne eieren leggen in het
lichaam van een ander levend insekt; hunne maden leven dan ten koste
van het gewonde beest, en eindigen met dit te dooden. Zij zijn de
slankste en sierlijkste onder de wespen, en de wijfjes zijn voorzien
van iets, wat men oppervlakkig voor een langen staart zou groeten. Dat
is de zoogenaamde "legboor", en bestaat uit drie borstelige haren,
die te zamen een holle buis vormen, en door middel waarvan zij haar
eieren onder de huid van haar slachtoffers brengen.
De kleine wesp nu, die uitsluitend op koolrupsen aast, legt dikwijls
meer dan 30 eitjes in den rug van ééne rups. Ondanks de pijn, die
dit haar zeker moet veroorzaken, en het uitkomen en groeien van de
made, blijft de rups toch doorgaans leven tot zij aan verpoppen toe
is, en beklimt tot dat doel, blijkbaar met niet geringe moeite, een
schutting of een boom. Alvorens zij er dan echter in slaagt om haar
vel af te stroopen, wordt dit door de maden doorgebeten, die dan alle
te gelijk, wel-doorvoed en volwassen, aan hare zijden naar buiten
komen kruipen. De nu stervende rups valt dan meestal op den grond;
en op haar plaats vindt men de jonge woekerdieren, bezig met zich
in te spinnen, ten einde, ieder in een geel cocon, maar te zamen in
het spinsel dat de rups reeds was begonnen te maken, haar poptijd
door te brengen op het plekje, dat deze voor zich zelve uitgezocht
had. Ziedaar de 100,000ste opvoering van een ieder jaar terugkeerend
treurspel.--Het naspel wisselt af. Misschien zal het ditmaal daarin
bestaan, dat het gansche cocon in den loop van den winter door een
boomkruipertje gevonden en buit gemaakt wordt. Of wel dat de jonge
wespen, aanstaande voorjaar, bij hun eerste uitvlucht in de wereld,
grootendeels in een spinneweb terecht komen. Of wel dat de eerste
zwaluw er een stuk of wat als welkom-thuis opvangt, en een ander deel
gebruikt wordt om het eerste broedsel basterd-nachtegaaltjes op te
kweeken. Of wel eindigen eenige hunner hun leven onder de zonderlinge
praktijken van een negendooder, dien kleinen moordlustigen vogel, die
veel meer insekten doodt, dan hij opeet of aan zijne jongen vervoedert,
maar ze ter bewaring tusschen takjes of aan doornen vaststeekt...