NAJAARSBLOEMEN.

't Is September; en uw tuin, die in de laatste weken misschien

wat had geleden, hetzij door de hitte der hondsdagen, hetzij door

de Margriet-regens, of door de stormen, die doorgaans het ernstige

korten der dagen aankondigen, staat op nieuw vol bloemen. Maandrozen

hervatten met moed haren bloei; en onder 't lage zaadgoed ziet ge

menig plantje vol levenslust het kopje opsteken, om mee te werken

aan de opgefrischte decoratie.

Een groote rol speelt daarbij in de laatste jaren de Phlox

Drummondi. Phlox, Vlambloem; volgens haar naam dient zij rood te wezen,

en dat is zij dan ook. Uw rond perkje, welig volgegroeid gedurende

de laatste vochtigheid, pronkt met eindelooze schakeeringen. Zijn er

takjes onder, die slechts rood zijn in de twijfelachtige beteekenis

waarin men van "roode" kool spreekt, ook het zachtste en zonnigste

rozerood en kersrood, de teerste appelbloesemtintjes en het donkerste

amaranth zijn er vertegenwoordigd. Daartusschen schittert hier en

daar in volle reinheid een groepje witte; en de overgangen vormen

de gestreepte en gevlekte. Soms is het of de kleur er bovenop ligt;

soms glimmen uwe bloemen als zijde of satijn (vooral de lichte),

terwijl anderen (vooral de donkere) een waas van fluweelachtigheid

hebben, zonder dat gij er nochtans het minste haartje op ontdekt. Een

en ander hangt af van den bouw der opperhuid. Want hoe dun de roode,

witte en paarse bloemkroontjes ook zijn mogen, is hun bouw veel meer

samengesteld dan zulks oppervlakkig lijkt. Met een weinig moeite

kan men het zeer dunne, doorschijnende opperhuidje van het overige

weefsel losmaken. Het huidje zelf is kleurloos, maar doorschijnend;

en de vorm zijner cellen bepaalt de wijze, waarop het de tint der

daaronder liggende kleurstof min of meer breekt. De Phlox is een

hoogst eenvoudige bloemvorm. De proef op de som is, dat wanneer eene

ongeoefende hand eene bloem tracht te teekenen, er tien tegen één

iets te voorschijn komt, wat ten naastebij op eene Phlox lijkt. Vijf

ronde lobjes, zoo diep ingesneden dat zij voor vijf blaadjes kunnen

doorgaan, uitloopend in een buis, waarin de binnenste organen zijn

verscholen, zoodat die het den teekenaar niet lastig maken, maar hij

den toegang tot de buis slechts als een donker-inziend ledig voor

kan stellen... zoo is de Phlox het meest geliefkoosde model voor "een

bloemetje" bij uitnemendheid; doch hoeveel wonderlijke konterfeitsels

er ook van gemaakt mogen worden, in werkelijkheid zijn zij daar niet

minder mooi om.

Vroeger kweekte men meer algemeen de Phlox Decussata, de struikachtige

overblijvende soort,--in 't grooter, zwaarder, steviger, geheel op de

Ph. Drummondi gelijkende. Nog eene derde, Ph. paniculata, heeft men

beproefd uit Amerika herwaarts over te brengen. In Europa toch groeien

zij nergens in het wild. Dit geeft eenen schrijver van nu juist honderd

jaar geleden [4] aanleiding tot de volgende merkwaardige opmerking:

"Indien het eerste Oir van alle gewassen in 't Paradijs gevormd

ware, gelijk het denkbeeld van Linnaeus is geweest, zoo zou het zeer

onbegrijpelijk zijn, dat in het verspreiden over den Aardbodem, deze

Vlambloemen niet ergens grond gevat hadden dan in Noord-Amerika alleen;

terwijl in Europa genoegzame streken zijn, van een dergelijk klimaat

en grond."

(Het is in onzen tijd van Darwinisme niet onaardig, eens te lezen

hoe men omtrent dergelijke punten in 1777 redeneerde en schreef.)

Tot hetgeen nog in volle frischheid over is gebleven, behoort de

Oost-indische kers. De publieke opinie is haar gunstig gezind. 't

Is een balkon- en een veranda-bloem, zoo goed als het voornaamste

sieraad van alle mogelijke bloemenhekjes van nederiger soort. Zij

houdt stand door alle wisseling van bloemenmode heen, en bloeit

heden in moderne parken even gevierd en overvloedig, als toen zij,

tweehonderd jaar geleden, reeds "in de tuinen der liefhebberen als

een gemeen gewas bekend" stond. De tijd van hare invoering (juist

niet uit Oost-Indië, maar uit Peru) is niet precies meer te bepalen,

en zij schijnt dan ook in het minst geen bezwaren tegen ons klimaat

te hebben. Gij plant haar in het voorjaar aan den ingang van een

prieeltje; gij zorgt slechts, dat zij licht en water genoeg heeft, en

behoeft haar overigens volstrekt niet te helpen; en binnen weinig weken

is zij boven, en hangt u van het dak van het prieel af toe te knikken,

dat het een lust is om te zien. Hoe zij er kwam? Hoe zij het eigenlijk

heeft aangelegd om zich omhoog te werken? Hoe men ook onderzoeken moge,

er is aan haar gladden stengel geen spoor van hechtworteltjes, zooals

aan de klimop, te ontdekken; en ook nergens ranken of klawieren van

eenigerlei soort. Ach, zij heeft die niet noodig. Zij is zoo vlug,

en heeft eenvoudigweg genoeg aan hare bladstelen, waarmee zij zich

behendig telkens aan den eersten steun den besten vasthoudt, om dan

dadelijk weer verder voort te spoeden. En wij zien dat aan met al het

welgevallen, waarmede wij zoo dikwijls echt praktische, redzame lui bij

hun arbeid bespieden, die met geringe middelen en weinig gereedschap

toch altijd weten klaar te komen,--in tegenstelling met het heir van

slechte schrijvers, wie het altijd weer aan inkt en pennen, en van

onbeholpen naaisters, wie het altijd aan haar naalden hapert!

Al slingerend en klimmend heeft de plant eene menigte bloemen

voortgebracht: Kapuzinen noemen ze de Duitschers, wegens den vorm

van den gespoorden, gelen kelk, die aan een middeleeuwsche kap doet

denken, zooals waarmede men vaak monniken of wel kaboutermannetjes

ziet afgebeeld. De fraaie kleur, dat heldere oranje, waarom de

O.-I. kers indertijd dikwijls de eer had, van tot sarring van

"Keezen" moedwillig tentoongesteld te worden, is in de laatste jaren

met allerlei schakeeringen van geel tot bijna zwart toe afgewisseld

geworden, maar behoudt toch den boventoon; en zoo vormen die massa

"schildvormige bladeren en bloedroode bloemen", jaar in jaar uit,

datgene wat Linnaeus aan "tropeeën der ouden" deed denken, toen hij

dit plantengeslacht met den naam Tropaeolum bestempelde! Mij dunkt,

men kan begrijpen, hoe een man, zoo rijk aan fantazie, er blijkbaar

zeker artistiek genot in schepte, den hem toestroomenden schat van heel

en half bekende en onbekende planten zoo schilderachtig mogelijk te

benoemen. Dat wij van O.-I. "kers" spreken, geldt natuurlijk niet de

vruchten, die in 't minst niet op kersen gelijken, maar stellig den

aangenaam prikkelenden, aan water-, tuin- en sterrekers herinnerenden

smaak.

En dan zijn er stokrozen.

"O foei, die stijve, grove, leelijke stokrozen; 't is ten minste goed,

dat de mode die afgeschaft heeft!"

Met uw verlof, ik geloof dat stokrozen alleen dan grof en leelijk zijn,

als de kweekkunst ze in zekeren onhandigen ijver bederft, namelijk

van haar natuurlijk karakter berooft en er, door verdubbeling, iets

van tracht te maken, wat op rozen moet lijken. Maar zij zijn niet

leelijk, wezenlijk niet, zoolang zij vrijuit volgens haar natuur mogen

opgroeien, en zich handhaven in hare waardigheid van "grootstbloemige

der Malvaceën". Sinds Mei heb ik een perkje met stokrozen onder het

oog. Omstreeks dien tijd ontwikkelden zich aan ieder plantje een

stuk of tien groote, heldergroene bladeren, die voorshands laag bij

den grond bleven, maar zich daar meer en meer uitspreidden. Op 't

laatst van Juni begon zich in het midden een groene kegel te vormen;

zachtjes aan verhief zich deze, en vertoonde zich als eene dikke,

dichte aar, bezet met een groot aantal bloemknoppen. Hoeveel, was

nog onmogelijk te bepalen; want ofschoon de onderste reeds duidelijk

afzonderlijke lichaampjes waren,--het puntje van de aar, een weinig

omgebogen, was eigenlijk nog eene onontwikkelde, onverdeelde massa. De

aar had hierdoor uit den aard der zaak eene kegelvormige gedaante,

die zij onder 't voortgroeien behield, omdat alles verder gelijkelijk

groeide. Naarmate nu de aar zich ontwikkelde, verhief zich de stengel

langzaam aan. Och, zeg toch niet dat de stokroos stijf is. Dat

wordt zij, ja, indien men haar uit al te groote zorg een soort van

steun wil geven, haar opbindt tegen een groen stokje, met een rood

of geel puntje. Zij heeft dien steun niet noodig. Haar eigen "stok"

is sterk en krachtig en houtachtig genoeg; en toch niet "houterig"

in leelijken zin, juist omdat zij zoo langzaam groeit. Want zoodra zij

zoo hoog begint op te schieten, dat zij, om niet spichtig te worden,

verbreeding noodig krijgen zou, komt ook werkelijk die verbreeding in

den naderenden bloei. De knoppen toch, eerst dicht tegen den stengel

aangedrukt, verwijderen zich daarvan, zoodra haar steeltjes sterk

genoeg zijn om zich met een kleine kromming uit te strekken. Zijn

't geen fraai besneden knoppen, met hun dubbel omhulsel, dat aan de

bloem een dubbelen kelk voorspelt?

Onder de onderste knoppen ontplooide zich intusschen een blad, dat, ook

weer aan een eigen steeltje gedragen, niet weinig tot versiering van

de plant medewerkt. En eindelijk openden zich de eerste bloemen. Het

waren roode, van het helderste rozerood. De vijf bladen zijn zoo

dicht aaneengegroeid, dat zij samen een klokje schijnen te vormen;

en de roode tint smelt zoo zacht weg naar het midden. Ik wou dat ik

ze u had kunnen toonen: ik durf hopen dat gij ze welbezien noch stijf,

noch grof, noch leelijk hadt gevonden.

In mijn oog staan zij bijvoorbeeld verre boven Dahlia's. Na de

zonnebloemen, die hier en daar als gele monster-madelieven rondom

boerenwoningen pronken, om, zooals het heet, de lucht van kwade

dampen te zuiveren, is de Dahlia stellig de grootstbloemige onder onze

najaarsplanten. 't Is nog niet zoo heel lang geleden, dat zij met een

kleine, flets-oranjebloem hier aankwam, en de geleerden het een tijd

lang oneens waren, of zij haar den naam van Dahlia of van Georgine

zouden laten behouden. Hier te lande heeft de eerste, in Duitschland

de tweede naam gezegepraald; maar intusschen had het aanzien van de

plant in kwestie reeds vrij wat veranderingen ondergaan. Vooreerst

was zij verdubbeld, ja bijna geheel "gevuld" geworden, en ten andere

was zij met haar sterken aanleg tot kleurwisseling (de eindelooze

mislukte pogingen om haar ook zuiver blauw te doen worden nu niet

meegerekend) een dankbaar materiaal voor den tuinbouw. Geur heeft zij

volstrekt niet; haar eenige aantrekkelijkheid bestaat als decoratie

in het groot, en op verren afstand is zij niet onaardig. Maar om

van dichtbij bekeken te worden...? Ook aan deze planten heeft de

verdubbeling, wat de sierlijkheid betreft, meer kwaad dan goed

gedaan; en men behoeft nog geen modemaakster van beroep te zijn,

om bij een gevulde Dahlia maar al te gauw aan eene zwaar geplooide

rozet van de logste soort te denken, waarbij dan de afzonderlijke

bloempjes voor omgevouwen lussen gelden.--De anders niet onaardige

term "bloemkorfje", dien de plantkunde bij dergelijke "samengestelde"

bloemen gebruikt, verliest in geval van vulling allen zin. De kleine

bloempjes, die oorspronkelijk in 't korfje zaten, zijn verdwenen en

het niet onbevallige randje is een plompe bal geworden.

Het is opmerkelijk, dat, laat in 't najaar, de "samengestelde" bloemen

ons in den regel 't langste bijblijven. Dit laat zich dan ook zeer wel

hooren. Vooreerst toch behooren daartoe verschillende soorten, wier

weefsel van nature vrij droog en duurzaam is: (b. v. de zoogenaamde

stroo- of zevenjaarsbloemen). Maar ook diegenen, welker randbloempjes

van een teerder maaksel zijn,--Goudsbloemen, Sanvitalia's enz.--hebben

in haar bloembodem en haar omwindsel (in één woord in datgene wat in

de wandeling haar "hartje" heet) een steun, welken men aan bloemen

zonder zulk een hartje nimmer kan verschaffen.

Waarschijnlijk is het daaraan toe te schrijven, dat als alles in

uw bloemperk wegsterft, een stuk of wat Chrysanthemums, Zinnia's,

Afrikanen en Asters nog tot het laatst aan storm, regen en verweering

het hoofd weten te bieden.... Zij hebben kans er te meer om gewaardeerd

te worden.

Natuurfantazieën · 第 65 / 82 题