ONS WIER-EILAND.

Allen die zeggen--en het meenen, want velen, die het zeggen, meenen 't

daarom niet--dat zij zoo gaarne eens een uitstapje zouden maken buiten

het bereik van spoor en stoomboot, ("van de gewone touristen-route

af", zooals het doorgaans heet), raad ik onze noord-hollandsche

eilanden aan. Texel sluit ik nog uit, want dat bezit een onderzeeschen

telegraafkabel; en de industrie der eeuw, vertegenwoordigd door het

stoombootje Ada van Holland, brengt u daar, trots weer en wind, zoo

kalmpjes heen, dat gij, in de kajuit gezeten, niet merkt dat gij op

zee zijt, en van niets droomt dan van een binnenlandsch kanaal. Maar

Vlieland, Terschelling, Wieringen...

Wie naar Wieringen gaan wil, mag zich niet al te veel moois

voorstellen, maar wel iets zeer eigenaardigs. Mooi is het er, op

een mooien zomerdag, in zoover als dan alles mooi is. Het landschap

heeft de lieflijkheid van de minst boschrijke gedeelten van het

Gooiland; iemand van mijn kennis pleegt het te vergelijken bij de

velden van Waterloo, en noemt dan zekere kleine boerderij "La Belle

Alliance". Reeds is het op zich zelf al aardig om, wanneer men pas

de groote vlakke polders van Noordholland heeft doorgereden, zich

plotseling te bewegen op een golvend terrein, waar de eigendommen

niet door rechtlijnige slooten, maar door ongelijke aarden walletjes

gescheiden zijn; en waar zoowel de duinflora aan onzen voet, als

de oude kerken van het Stroe, Westerland en Hippolitushoef er ons

aan herinneren, dat wij hier niet te doen hebben met ingedijkten

kleiachtigen grond, maar met een sedert eeuwen boven de Zuiderzee

uitstekende duinreeks. Dit toch is de eenige reden van bestaan van het

geheele eiland. Zijn bescherming en versterking door menschenhand is

betrekkelijk gering. Het rijst uit de zee op, zooals het door de natuur

gemaakt is; de vloed spoelt er om heen, en de ebbe verbreedt voor een

uur of wat zijn strand; zoo is 't gegaan sinds honderden van jaren,

en nergens stuit men op twijfel aan de veiligheid van dezen toestand.

Dit is dan ook de sterkst sprekende indruk, dien een bezoek van

eilandjes als dit op vreemden pleegt te maken: eene soort van

verbazing, dat men zich op zulk een beperkt grondgebied midden in

zee weet, en zich nochtans zoo rustig en behaaglijk voelt in een

kalm-ouderwetsche, landelijke omgeving. Ziet, gij zijt op een eiland,

dat zult gij geen oogenblik vergeten. Het kleine ding is slechts

een paar uur gaans in omtrek; en zoodra gij op een eenigszins hoog

punt staat, ziet gij aan weerszijden de zee. Gij zijt hier onmogelijk

anders kunnen komen dan door middel van een zeil- of roeischuit. Gij

hebt, zoo al niet met uw handen, dan toch met uw geest, al de kleine

zorgen en beredderingen van den overtocht meegemaakt, en zijt geheel

doordrongen van 't bewustzijn, dat een armpje van den oceaan u

van het vasteland scheidt. En ten overvloede zijn daar de meeuwen,

de strandloopertjes en de kluiten, die krijschend af en toe over u

heen vliegend, het u helpen onthouden. En toch, als gij den duinrug

houdt en b. v. rondom het hoofddorp, Hippolitushoef, rondwandelt,

gevoelt gij u, in den letterlijken zin, zoo hoog en droog verheven

boven alle zeegevaren en zeeachtige gewaarwordingen! 't Is hier

volstrekt niet altijd een zilte zeelucht die u te gemoet waait;

gij ruikt geen visch, uw kleeren zijn niet klam van zoutdampen, de

wegen en huizen zijn hier niet half onder opgestoven zand begraven,

zooals maar al te dikwijls op onze zonnig-ijzige zeedorpen! In plaats

van de daar heerschende schrale helm- en aardappelenvegetatie ziet

gij hier boomen, die werkelijk dien naam verdienen; gij beweegt u te

midden van een tamelijk ontwikkelden landbouw. Er loopen, zij het dan

meestal aan lange touwen, niet slechts schapen, maar ook runderen in

't weiland; en zoo er al geen tarwe groeit, er groeit haver en gerst,

en de roode klaprozen en blauwe korenbloemen verraden reeds van verre

de rogge-akkers. Boerderijen en arbeiderswoningen liggen tegen de

hellingen, gedeeltelijk achter struikgewas verscholen. En komt gij

aan de hoofdbuurt tusschen heggen en boomgaarden, en loopt gij op

het oude vierkante pleintje de zerken van het kerkhof te bezichtigen,

of het water van de dorpspomp te proeven... waarlijk, was daar niet

zoo'n echt noordhollandsche bevolking, met haar vlasachtig haar,

dunne lippen en zeer lichtblauwe oogen, met haar "nou" en "hoor",

en haar ge-looze verleden deelwoorden; en was daar niet de verfkwast,

met haar wit en zeegroen en lakmoesblauw, die tot zelfs de boomstammen

niet ongemoeid laat,--men zou zich in een zuidoostelijker deel van

ons land wanen!

Ik weet niet of gij lust zoudt hebben, voortdurend op Wieringen

te blijven. "Op een eiland te zitten", is op zich zelf voor

negen-en-negentig van de honderd menschen een schrikbeeld; en het is

niet zoo dadelijk uit te maken of iemands beschaving, ontwikkeling

en levensgenot bij zulk eene afzondering op den duur zouden winnen of

verliezen. Afgezonderd is Wieringen. Dat 's lands regeering er ook zoo

over denkt, blijkt wel daaruit, dat zij het indertijd 't geschiktste

punt voor eene quarantaineplaats achtte; (de zwarte quarantainegebouwen

waren, tot voor een paar jaar, het eerste wat men van den vasten wal

af te zien kreeg); en nu die inrichting is opgeheven en de loodsen

zijn afgebroken, werd het leeggemaakte plekje aangewezen voor.... een

kruitmagazijn! Maar zoo gij er slechts kort vertoeft, raad ik u aan,

uw tijd goed tot rondkijken te gebruiken, zoo mogelijk al de vijf

dorpen: Westerland, Hippolitushoef, het Stroe, Oosterland en den Oever,

te bezoeken, en u een en ander te laten vertellen van de eendenkooi,

de rotganzenvangst en de wier-industrie.

Het is voornamelijk als wiereiland, dat ik eigenlijk over Wieringen

wou schrijven.

Uit den aard der zaak is Wieringen een land van belofte voor ijverige

plantenzoekers. Van de sierlijke akkerwinde af, die hen op den rug

van het eiland als oude bekende begroet, tot aan de zeekraal en de

zeekool, die hun naam gestand doen, doorloopt de plantengroei hier

eene lange reeks van soorten, aan hoogere en lagere standplaatsen

eigen, en levert dus, binnen een klein bestek, eene rijke botanische

verscheidenheid. Maar bovenal kan men hier kennis aanknoopen met het

plaatselijk gewas bij uitnemendheid: het zeegras (Zostera maritima),

dat, onder den naam van wier of zeewier, het geheele land door

verzonden wordt, om er matrassen en kussens mee te vullen.

Indien wij het eiland naderen langs den geijkten weg--met de

postschuit, die tweemaal daags van de Van Ewijck-sluis in den Anna

Paulowna-polder afvaart,--landen wij aan de kleine havenplaats, de

Houkes. Reeds gedurende de vaart (gesteld dat wij de reis doen in het

hartje van den zomer) hebben wij gelegenheid om een handvol van het

langs de schuit drijvende zeegras op te visschen. Het bestaat voor

't grootste deel uit lange groene bladeren van een halven duim breed;

somtijds echter komen ons ook dikkere, hardere stengels in handen;

deze kan men de bloemstengels noemen, want de langwerpig-ronde

knobbels, die men daaraan vindt, vertegenwoordigen de bloeiwijze;

en al behoort er eenige oefening toe om die te ontleden, ze bewijzen

dadelijk, dat wij niet met een wier, in plantkundigen zin, te doen

hebben. De Zostera is geen alge, maar een zichtbaarbloeiende plant.

Zoo wij nu dicht bij 't eiland komen--en wij moeten er een eind ver

langs zeilen--rijst de vraag in ons op, wat toch die rotsachtige massa

is, waar wij tegen aankijken, "'t Lijkt de krijtkust van Engeland wel,"

oppert iemand van het gezelschap; en een ander wil het zijne weten

van "dien hoogen wal met loodrechte spleten". Om met dit laatste te

beginnen, dat is niets anders dan het paalwerk, waarmeê een gedeelte

der noord- en oostzijde van het eiland beschermd is, doch in dier

voege, dat de zee altijd vrij in en uit kan stroomen. Zooals ik reeds

zeide, de menschenhand treedt hier volstrekt niet zoo krachtig ter

bescherming op, als aan de kusten van den vasten wal; slechts het in

deze eeuw ingedijkte gedeelte van Wieringen, de Waard-Nieuwland, die

dan ook geheel polder is, en niet in het eigenlijk karakter van het

eiland deelt, is van gewone, sterke dijken voorzien. Het overige wordt

beschermd op een zeer eigenaardige wijze. Wat in de verte aan de kust

van "Albion" deed denken, is.... een verweerde dijk van louter wier!

Van oudsher opgehoogd, is die wierdijk van onderen verhard en tot

eene dichte massa geworden; de wierhoofden, die op sommige punten

tot zijn verzwaring aangebracht waren, zijn met hem oud geworden,

en dragen hier en daar bedenkelijke sporen van heftige worstelingen

met den golfslag. Als reusachtige stukken turf steken zij in zee uit,

en daarbij zijn zij trouwens 't best te vergelijken. Hun overeenkomst

met de engelsche krijtrotsen bestaat intusschen slechts in omgekeerde

kleurverhoudingen: dààr heeft men te doen met oorspronkelijk wit

krijt, dat grootendeels begroeid en bezoedeld is, en daardoor ten

slotte slechts enkele helder witte plekken over heeft; hier is het een

zwartbruine grondstof, die door verweering en begroeiing, gedeeltelijk

lichter gevlekt en wit uitgeslagen is. Welig tiert daarop in Juli en

Augustus de moeras-paardestaart, alsof hier en daar een helder groen

lapje tapijt over den grauwen muur afhing!

Zoo goed en zoo kwaad als het gaat,--de aanlegplaats aan de Houkes is

juist niet van de netst betimmerden, en werd meestal reeds door een

ander schip ingenomen,--komen wij aan wal, en bij den eersten stap

vermaken wij ons onwillekeurig over de veerkracht van den veenachtigen

bodem. De dijk blijkt ons nu vrij hoog te wezen, ook in verhouding tot

het land en de huizen aan zijn voet. Hij werd tot nog toe jaarlijks

aangehoogd, om hem in goeden staat te houden,--altijd weer met "wier",

(met of zonder verlof der plantkundige wetenschap zullen wij het zoo

maar blijven noemen). 't Is alles wier wat ons omringt; de grond waarop

wij staan, het aanspoelsel tegen den wal; en ziet, ginds is men juist

bezig een pas gemaaide lading te lossen. De wiermaaiers namelijk varen

met zeissen in kleine schuitjes rond, snijden het zoo diep mogelijk

af,--want het wortelt in den bodem der zee,--en verzamelen het zoodra

het aan de oppervlakte drijft. Een groote hoop versch aangebrachte

voorraad ligt op den dijk uit te druipen. Eene kar, met een oud paard

bespannen, komt het halen; want de groote zaak is nu het te drogen,

te zuiveren, voor den handel geschikt te maken. En droog kan het

natuurlijk niet worden, tenzij het van zijn zoutgehalte ontdaan zij.

Gedurende onze wandeling over het eiland kunnen wij de bewerking die

het wier ondergaat, grootendeels nagaan. Zij bestaat in hoofdzaak

daarin, dat het meermalen in het zoete water der slooten afgespoeld

en dan weer op weiland, of op den met gras begroeiden berm van

den oostelijken dijk uitgespreid wordt, en af en toe gekeerd en

geschud, evenals men met hooi pleegt te doen. Op die wijs is het

verscheiden weken onderhanden. Men kan niet zeggen dat de aangename

eigenschappen van het landschap daarbij winnen. Een sieraad van de

velden is dat laagje grijzend zeegras volstrekt niet; gaandeweg

wordt het van groen zwart; de donkerste partijen zijn de besten,

want zij zijn het zuiverst. Het ergst echter is de onaangename lucht,

die het verspreidt. Ik heb gezegd dat Wieringen niet naar gedroogde

visch riekt; maar soms, vooral in droge, warme zomers, riekt het

onuitstaanbaar naar half-nat wier. Men doet dan verstandig de plaatsen,

waar de wieroogst het meest in vollen gang is, te ontwijken, tenzij

men er zijn hart op gezet heeft de zaak zeer van nabij te bekijken.

Wie dat doen wou, zou zich misschien ook verdiepen in de vraag:

wat de Wieringers bedoelen, als zij zeggen dat de wiermaaierij

achteruitgaat, dat "het vet van den ketel is", en dat er weinig

of niets meer aan te verdienen is, wegens "de hooge pachtgelden"

en "de groote concurrentie". 't Zal allicht waar zijn, dat er

persoonlijk niet zooveel meer op te winnen is als vroeger, toen de

geheele wiermaaierij vrij was, terwijl nu het recht daartoe voor

betrekkelijk hooge sommen verpacht wordt. Maar dat men nochtans lust

heeft die pacht te aanvaarden, is op zichzelf een teeken, dat dit takje

van nijverheid niet kwijnt.--Doch ons is het niet om de statistiek,

maar slechts om de teekenachtige zijde van den wieroogst te doen; en

dus werpen wij alleen nog maar een blik op gindsche kisten met zwart

wier, die voor de aflevering gereed staan. Mooi kan men het zeker in

geenen deele noemen, maar het is in zijn soort netjes opgedaan. Geen

vuil, geen onkruid is er tusschen, zelfs geen vlokjes zaadpluis van

het wollegras, dat hier anders op sommige veenachtige plekken veel

groeit. Kisten zijn het eigenlijk niet, waarin het verzonden wordt:

veel meer zijn het balen, aan alle zijden door een paar planken bij

elkaar gehouden. Dit is stellig goedkooper, en waarschijnlijk ook

beter dan gesloten kisten, met het oog op gevaar van broeien en

verstikken. In een opzettelijk daartoe opgericht gebouwtje, niet

ver van de landingsplaats, wordt het wier samengeperst en verpakt;

weldra zal het bij een koopman "in drogerijen en verfwaren" terecht

komen.... Wie het daar ziet liggen, denke even aan Wieringen!

Natuurfantazieën · 第 63 / 82 题