DE LOTOS.

Onlangs had er een botanisch verkeerd à propos plaats zooals heel licht

gebeuren kan, wanneer twee of meer planten, in den loop der tijden,

aan denzelfden naam gekomen zijn. Het was tusschen een geleerde, die

zich nooit veel met bloemen ingelaten had, maar des te meer met oude

dichtkunst, en een dertienjarig meisje, dat juist dezen zomer, als

H. B. school-leerlinge, haar eerste veld liep op plantkundig gebied.

"Je hebt het tegenwoordig zoo druk over planten," zei de doctor in

de letteren; "maar weet je wat ik graag eens zien zou: een Lotosbloem."

--"Ja, die zijn ook heel mooi! Kent u ze niet?"

--"Ze zouden mij zoo interesseeren om de poëzie, die er aan is

verbonden. Je denkt dan zoo om een stil waterlandschap met een

weelderigen plantengroei bij maanlicht." En hij vertelde een en ander

van de "Lotophagi, de veelbebesproken Lotoseters", en beweerde dat

hij er zelf wel eens even, bij voorbeeld voor één nacht, een zou

willen wezen.

--"Maar dat moeten dan toch koeien zijn, of schapen," schertste

't meisje; "menschen zullen ze toch wel niet eten."

--"Ja zeker. Menschen aten ze; of eten ze waarschijnlijk nog wel."

--"Ik ga er een halen," besloot zij.

--"Waar? Op den Ganges? Op den Nijl?" vroeg hij lachend.

--"Neen, vlak bij uw huis."

--"Een Lotos? Een heilige Lotos, hier dicht bij" mompelde hij

ongeloovig. En halfluid reciteerde hij:

"Die Lotosblume ängstigt

Sich vor der Sonne Pracht,

Und mit gesenktem Haupte

Erwartet sie träumend die Nacht."

Binnen weinige minuten was zij terug met een plantje van een paar palm

hoog, met fijne groene klaverblaadjes, en fraaie botergele bloempjes.

--"Is dat een Lotos?" riep de doctor, "'t Lijkt wel een gouden-regen!"

--"Een gouden-regen!" herhaalde nu het meisje op haar beurt, met al

de verbazing van iemand, voor wie zóó'n vergissing sinds zes weken

een onmogelijkheid was. "'t Is een Lotus corniculatus, een gehoornde

Rolklaver."

--"Nu, dan zal ik het voortaan voor jou plezier een land-Lotus noemen,

juffrouw Flora," eindigde de litterator vriendelijk.--Maar wat hij

had wenschen te zien was een Nymphea-Lotus, dat sieraad van den Nijl,

die met hare indische zuster, de Nymphea Nelumbo, als "Lotosbloem"

zulk een voorname rol speelt in de aloude poëzie van Indië en van

Egypte. En hij verhaalde daaromtrent verscheiden mythen en legenden,

die haar lieve oogen deden glinsteren.

"Mijnheer," zei twee maanden later juffrouw Flora, zooals hij haar

sedert dien tijd voortdurend noemde, "nu weet ik waar u iets te zien

kunt krijgen, wat op uw water-Lotos lijkt! In den Amsterdamschen

"Hortus" bloeit de Victoria regia. Ik heb er een prent van gezien,

en dacht dadelijk aan uw indische vertellingen."

--"Welnu, dan zullen wij er samen eens heengaan. Wat wil je liever:

bij dag, of bij avond met gaslicht."

--"Neen, bij dag!" koos haar rein instinkt; "'t is wel waar,

zij bloeit het mooist bij avond, maar bij gaslicht, dat vind ik

zoo.... onnatuurlijk."

Hij was dat blijkbaar met haar eens, en dus gingen zij op klaarlichten

dag. Daar lag de koninklijke plant in haar bassin, als een leeuw in

zijn hokje. Zij droeg verscheiden bloemen in witten en in roodachtigen

toestand, en knoppen waaruit men nog grooter bloemen zou verwachten. En

men bekeek de bladeren, met en zonder opstaande randen. Een was er

omgedraaid, opdat men 't sterke adernet in oogenschouw zou kunnen

nemen; en de geleider zei dat op het grootste gisteren een jongen

van acht jaar gestaan had; en een heertje was bezig om de bloemen

met een duimstok te meten, en verklaarde dat hij er te Berlijn een

gezien had, die vier duim meer in middellijn besloeg.--En eer zij

uit den Hortus gingen, waren hun ook dadelpalmen, suikerriet, een

koffieboompje en een bak met bijna rijpe rijst gewezen, al hetwelk

zeer hunne belangstelling opwekte.

Toen zij 't hek uit waren, zwegen zij beiden.

"Ik wou zoo graag die planten alleen in haar eigen land zien," zei

het meisje het eerst.

"Ja," antwoordde de dokter, "'t is heel mooi voor de wetenschap,

zoo'n inrichting; maar je waardeert de planten eigenlijk maar half,

als ze zoo uit haar element gerukt zijn. Het kan wel best wezen, dat

de Victoria op een Lotos lijkt, maar het wou mij toch niet lukken

om mij in zoo'n kunstmatige omgeving aan de oevers van den Ganges

te verplaatsen."

In den loop van den volgenden zomer waren beiden op een

buitenpartij. 't Was een zonnige middag; geen blaadje bewoog zich.

"Juffrouw Flora," zei de dokter, haar op den schouder tikkend,

"ga eens even mee: ik heb wat moois ontdekt." En langs een paar

verborgen paadjes troonde hij haar mede naar een open plekje in het

bosch, waar zij eene kleine watervlakte in het oog kreeg, 't Was een

verlaten vijver, die zeker vroeger tot een buitenplaats behoord had,

maar thans geheel aan zich zelven was overgelaten. Voor het grootste

gedeelte was hij door hoog hout: linden, elzen, esschen, een paar wilde

kastanjes en een treurwilg ingesloten; aan ééne zijde, van waar thans

het licht viel, liep de kant zacht glooiend af. Hier en daar groeide

riet, zegge en pijlkruid. Rechts verhief zich een bos lischdodden en

staken gele irissen haar sierlijke kronen omhoog, en links bloeiden,

nauwelijks zichtbaar, Vergeet-mij-niet-jes, vlak aan den oever.

--"Ziet gij wat daar drijft?" vroeg hij, terwijl zij van de helling

op het water nederzagen.

--"Ja, Nymphaea's, gewone witte waterrozen, Victoria Regia's in

't klein!" voegde zij er glimlachend aan toe.

--"Zulk een indruk nu verbeeld ik mij dat Lotosbloemen moeten maken!"

--"Maar die zijn zooveel grooter en hebben lange dunne stelen, en

ontsluiten zich eerst 's avonds," bracht het meisje, dat intusschen

meer geleerd had, in het midden....

Dat kan zijn. Maar dat is bijzaak. Het is blijkbaar dezelfde

uitdrukking van kalme, ontspannende schoonheid als waarmee deze

bloemen, in dit weêr, in dit licht, stil op hare ronde bladeren rusten,

die aan de Lotos hare wijding heeft geschonken....

Natuurfantazieën · 第 61 / 82 题