Ik weet wel, dat, als men de zaak aan taal- en geschiedkundigen
voorlegde, zij er een geheel ander verklaringje van zouden leveren;
maar in mijn ooren doelt de naam Augustus voor onze achtste
maand steeds daarop, dat de volle majesteit en heerlijkheid van
't zomerleven zich om dien tijd van 't jaar het meest in al haar
omvang openbaren.--Juni heet zomermaand; maar "voor den langsten dag
krijgen wij geen warmte", is eene in onze volksovertuiging opgenomen
zekerheid.--Thans, op 't eind van Juli, is de warmte eindelijk
gekomen.--De wind is oostelijk; de barometer teekent "bestendig"; het
"laat zich aanzien dat wij--("met de nieuwe maan", voegen sommigen
er bij)--het mooie weer een poosje zullen houden." De natuur rust op
haar lauweren van het groeien; de zonneschijn heeft nu slechts voor
het rijpen te zorgen.
Ook gij rust uit. Gij zit in het gras op een warmen namiddag. Gij hebt
u verscholen in de schaduw. Het diepe groen der iepen en der linden
komt te rijker uit, sinds het wordt afgewisseld door de frisscher tint
der jongste loten. De lucht is helder. Nu en dan snort u een hommel of
een juffertje voorbij; of een wielewaal vliegt van den eenen boom naar
den anderen, met de schalksche, zangerige vraag: "Klinkt mijn liedje
niet goed?"--De grashalmen en wilde kruiden sluiten zich, zoodra gij
u hebt neergevleid, behaaglijk om u henen, als vermeiden zij zich
in 't gezelschap van een mensch. Gij doet niets en denkt niet veel,
maar speelt met de bloemen en de bladeren, die zich over uwe handen
buigen; gij staart voor u uit en droomt. Zulke oogenblikken van rust
in de vrije natuur zijn voor de meeste menschen zeldzaam.... Dikwijls
komt het mij voor, dat menig leven minder zenuwachtig, menige geest
gezonder en blijmoediger, menig humeur beter zijn zou, indien er aan
die vaak onbewuste behoefte meer gereedelijk voldaan werd.
Of wel, wat nog beter is, gij zijt niet alleen, maar in aangenaam
gezelschap,--ik meen werkelijk aangenaam gezelschap, niet slechts
het gedwongen samenzijn van eenige personen, binnen het bereik van
elkaars stemmen....
De tijd is nu gekomen, waarin zeer velen zich voorgesteld hebben
den zomer eigenlijk eens recht te gaan genieten. "Van den zomer"
zullen wij dit doen, en tot "van den zomer" zullen wij dat uitstellen,
heeft men elkander reeds sinds maanden hoopvol toegefluisterd: en al
die bezielende, veelbelovende plannen doelden op die lange dagen,
die voor zeer velen, te beginnen met de schoolkinderen, een korter
of langer vakantie, verlof, of "komkommertijd" mee plegen te brengen.
Maar hoe zou het toch wel komen, dat het dan voor een aantal menschen
met dezen langverwachten zomer gaat als met zoo menig feest, waarvan
de toebereidselen veel aangenamer waren dan ten slotte de uitvoering
zelve? Dat die zomervreugde, waarop men zich zoozeer verheugd heeft,
als zij eindelijk dáár is, ronduit gezegd, maar al te dikwijls
tegenvalt? Dat de één veel tijd besteedt aan plannen, om zich het
schoone jaargetijde het aangenaamst te maken, en nochtans tot geen
recht genot kan komen; en een ander, zij het dan ook met een beetje
schaamte, moet erkennen, dat hij eigenlijk den winter wèl zoo kalm
en rustig, gezellig, "comfortable" en pleizierig vindt?
Wel, voor honderd menschen komt het allicht door honderd
verschillende redenen; doch er is er ééne, die daarbij voor velen
eene groote rol speelt. Ik meen de voet van oorlog waarop de meeste
Nederlanders voortdurend staan met het klimaat, waarin zij nu
toch eenmaal leven. Hoort al de eindelooze aanklachten tegen zijne
"onbestendigheid", zijne "guurheid", en het geringe aantal schoone
dagen, die het schenkt! Men haakt, men snakt naar warmte, en... als
dan op eens de thermometers zijn gerezen, beklaagt men zich daar al
heel gauw nog meer over, dan te voren over de kou.
Ik zou wel eens willen vragen: Is de leefwijze van ons, beschaafde
Nederlanders, wel heel geschikt om ons in opgewekte stemming het
schitterend jaarfeest der ons omringende natuur te doen mede vieren?
Ik denk het allereerst aan onze dag- en nacht-verdeeling. Hoe zijn
wij er toch toe gekomen om, wonende op een breedtegraad waar zulk een
groot verschil is in zons-op- en ondergang, in het huiselijk leven
nagenoeg het gansche jaar door één tijdsverdeeling te behouden, en
wel een die het beste past voor de allerkortste dagen? Het meerendeel
toch der beschaafde menschen begint den dag met het uur, waarop de
zon in Januari, hoogstens Februari opkomt, en verlengt hem s'avonds,
ook in Juni, op eene wijze die men geheel een winteruitvinding zou
kunnen noemen. Is het wonder dat de meesten een zomerdag nooit op zijn
volle waarde schatten, indien zij beginnen met zijn eerste, heerlijkste
uren te verslapen; dan, daardoor verhit, moe en dof wakker geworden,
de warmste uren, waarin de natuur rust en stilte voorschrijft, al
zwoegend doorwaken; om ten slotte in den avond tot zich zelven en een
handjevol genot te komen, en, bejammerend dat die schoone dag "zoo
kort", en het afscheid van de zon "reeds" dáár is, met kunstmatige
verlichting den tijd in te halen dien men des morgens heeft bedorven?
Ik denk aan onze woningen, waarin wij zoo verwend zijn, dat het
weder al "heel mooi" moet wezen eer wij ons met genoegen in de vrije
lucht ophouden. Is het wonder dat men, daarin zooveel beter ingericht
op koude dan op warmte, op zomer-morgens dikwijls meer tobt, mort,
zich over de natuur beklaagt,--dan op den guursten Novemberdag?
Ik denk aan onze steden: honderden en duizenden van menschen, het
grootste gedeelte van hun leven, ja, zelfs in den regel, besloten
tusschen muren en nog eens weer muren, en straten en nog eens weer
straten, zoodat zij nauwelijks één uurtje daags den zonneschijn op
hunne ramen hebben, en nooit de weelde smaken, de zon met eigen oogen
te zien op- of ondergaan. Is 't wonder, dat voor velen hunner de zomer
geen genot is, en dat zij,--misschien zonder het te weten,--hem daarom
liever maar voorbij wenschen, omdat er dan sprake is van een vrijheid
en een vreugde, die voor hen toch niet schijnen weggelegd te zijn?
Ik denk aan de in onze eeuw zoo sterke verdeeling van arbeid,
die aan een groot en wel het toongevend deel der europeesche volken
bijna louter geestelijken arbeid opdraagt, de verplichting tot de zoo
noodzakelijke en gezonde lichaamsinspanning afneemt, en daardoor ook de
naaste aanleiding tot onmiddellijken omgang met de natuur ontrooft. Is
het wonder, dat er enkelen den winter boven alles kiezen, indien hun
werk, hun schat en hart schuilt in een vak, dat naar onafgebroken
kamerafzondering, en een door weer noch wind gestoorde omgeving
doet wenschen?
Ik weet wel, dat ik hier gedachten uitspreek die zeer velen dwaas en
"overdreven" dunken; dingen onnatuurlijk noem, die men door de kracht
der gewoonte normaal is gaan vinden; zinspeel op idealen, die ik op
het oogenblik evenmin in praktijk kan brengen als gij.
Toch blijf ik er aan hechten, aan die idealen. Dat doe ik elken zomer,
als ikzelve op nieuw de gelegenheid heb, om er al de aantrekkelijkheid
van te gevoelen. En per slot van rekening denk ik daarbij telkens weder
aan de geschiedenis van Mohamed en den berg. Dit weet ik dat genoemd
klimaat zich niet naar ons zal schikken; en dat wij dus het wijst
zouden doen met ons naar zijn veranderingen, zijn nukken en grillen
te regelen, ons er op toe te leggen om van zijn vriendelijke luimen
zooveel mogelijk te profiteeren, en ons voor zijn onvriendelijkheid
zoo onkwetsbaar mogelijk te maken.