In een onzer echt hollandsche provinciesteden weet ik een hofje, waar
ik elk jaar gedurende den bloementijd een paar keeren naar toe ga,
om te botaniseeren. Het hofje zelf is ten naastenbij als alle andere
hofjes. Ofschoon midden in eene zeer volkrijke buurt gelegen, is het
als een zinnebeeld van rust en stilte. Als gij er binnen treedt,
en de zware ijzeren deur achter u toevalt, gevoelt gij u in eene
kleine afzonderlijke wereld. De beide helften van de groengeverfde
deuren glimmen u rustig tegen; het neteldoek van de gordijntjes,
zoo het al ooit gedroomd mocht hebben voor een dansjapon bestemd te
wezen, heeft zich thans voor goed geschikt in zijn rustige plooi:
zóó goed, dat het dien dadelijk weer aanneemt, als de rimpelige hand,
die het eventjes oplichtte om ons te begluren, het loslaat. De katten
sluimeren rustig in den zonneschijn. Zelfs de lijsters in de kooien
schijnen zich onder dien invloed te voelen. De mijne zingt altijd:
"Wat wil je nou liever als vrede?" zeide mij eens een oud vrouwtje;
en ik moest erkennen dat althans "de maat precies uitkwam." Eerlijk
gezegd, het is er mij al te rustig; ik verbeeld mij dat ik minstens
tachtig jaar zal moeten wezen, eer ik zulk een rust behagelijk zal
kunnen vinden. En als ik er weer uit kom, en de drukke straat op kijk,
en mijn gezichteinder verruim door het marktplein te zoeken,--dan haal
ik diep adem, en word mij meer dan ooit bewust, dat, ondanks al zijn
grootere en kleinere bezwaren, ondanks de vele lastige, vervelende,
kleingeestige menschen, die er in rondloopen, zelfs ondanks de
dorre menschen, die aan onze fantazie haar goed recht van bestaan
en ontwikkeling betwisten, en de neerslachtigen en malkontenten,
die ons trachten op te dringen dat de zonneschijn van het leven zijn
nevelen niet waard is... ik toch de wijde wereld nog niet moe ben!
Doch niet slechts wat den graad van stilte, ook wat de tijdrekening
aangaat, scheidt de poort van 't hofje hetgeen daarbinnen van hetgeen
daarbuiten is. Aan den ingang vindt men, in een berijmd opschrift,
uitdrukkelijk vermeld, dat dit huis voor omstreeks 150 jaar gesticht
is door zeker kinderloos patricisch echtpaar, met het drievoudig
doel: om den ouderdom te eeren, hun geslachtsnaam te vereeuwigen,
en zich zelven eene plaats in den hemel te verwerven. De bouwtrant
en de ornamenten getuigen van dien tijd; en het is alsof zich ook
in de meer roerende goederen een geest van vroeger dagen vastgelegd
heeft. Hij spreekt u toe uit de meubelen der oude bewoonsters; uit de
neepjesmutsen, nog van het model als waarmeê zich onze overgrootmoeders
lieten portretteeren; en... lach mij niet uit, hij spreekt u ook toe
uit de bloemen, welke daar bij voorkeur gekweekt worden.
Of waar anders dan op zulk een hofje zoudt gij tegenwoordig in Holland
nog een "juffertje in 't groen" (Nigella Damascena) vinden, met het
lichtblauw deel harer bloemen tusschen fijngespleten groen verscholen;
of een "kooltje vuur" (Adonis autumnalis); of, om in dezelfde kleur
te blijven, die vuurroode verwante van de koekoeksbloem (Lychnis
chalcedonica), in de wandeling "Konstantinopel" genoemd? Wie anders
kweekt nog als sierplant "bernagie" (Borago officinalis), met zijn
stijfbehaarde bladeren en hemelsblauwe bloemen, of vermeit zich in
de weelde van er "gouden knoopjes" op na te houden? Waar anders dan
misschien op eene bloemmarkt, in den voorraad van een "tuinder," die
zich bepaald op de klandisie van de oude vrouwtjes toelegt, krijgt
men zulk een rijkdom van schitterende duizendschoonen en welriekende
violieren te zien? Waar anders speelt de balsamine zulk een groote
rol? Ik meen èn de enkele, de klimplant, èn vooral de oost-indische
balsamine, met haar dubbele bloemen, rood, wit of purper, als de nagels
van een hyacinth rondom den schijnbaar verglaasden stengel geschikt,
terwijl een bladerkroon, als bij een ananas, daar boven uitsteekt.
Vroeg in den zomer ga ik er graag heen, om mij te goed te doen aan
den geur der muurbloemen (Cheiranthus Cheiri), wier geel mij nergens
zoo fraai geschakeerd, en wier bruin mij nergens zoo fluweelachtig
toeschijnt als daar. Omstreeks dien tijd bloeien in het vierkante
middenvak de witte en kersroode dubbele madeliefjes, die in plaats van
gras eenige bloemperkjes omzoomen. Iets later komen ook de randjes van
grasanjers in bloei; en dan staat op de rekjes voor de ramen, tusschen
een aantal kleine potjes met Sedums en Cacteën, een groote "ruiker"
ranonkels in een glas water of, zoo mogelijk, in een blauw porceleinen
vaasje. Ruiken doen zij echter niet, en hun bouw is zoo stijf, dat de
gedachte voor de hand ligt, hoe gemakkelijk zij uit vischschubben na te
maken zouden wezen; maar de bontheid van hun kleuren, liefst zonder
eenig temperend groen er tusschen, maakt hen tot een geliefkoosd
sieraad zoo binnen als buiten het venster der bestjes. Die rekjes
zijn dan verder gevuld met maagdepalm en bakkruidjes (de oudste
soort van Primula veris); en zoo er soms een maandroos bij staat,
dan is die stellig tegen een paar latjes opgebonden.
Nieuwerwetsche bloemsoorten komen er ook voor, zij het dan juist
niet in haar allernieuwste verscheidenheden; maar voor bijna ieder
raam verrast ons iets, wat men eene tuinbouwkundige antiekiteit zou
kunnen noemen, en wat ons af en toe een: "wel, is dat nu een... (dit
of dat)"? ontlokt. Ik herinner mij nog steeds met vreugde, hoe ik
daar voor het eerst een echte blauwe passiebloem bespeurde, en mij
verdiepte in de beteekenis van haar zonderlingen naam. Blijkbaar
heeft haar sierlijk gevormde bijkroon, een krans van zeer smalle
blaadjes binnen in de eigenlijke bloemkroon, aan een doornenkroon
doen denken; en is men daarna in de andere inwendige bloemdeelen
het beeld van nog meer kruisigingsattributen gaan zoeken. Hieraan
ontleende zij een soort van wijding, van mystieke waarde, die haar
in hooge eer bracht. Zuid-amerikaansche liane als zij is, kon zij
in ons koel klimaat nooit algemeen worden; zij bleef steeds een
kasplant. Dat ik haar op het hofje ontdekte, was dan ook door een
bijzonder fortuintje. Zij was het eigendom van een vrouwtje van
brabantsche afkomst, die haar plant zóó geleid had, dat die een
soort van nisje vormde, waarin zij haar crucifix plaatste. Om, als
éénige roomsche onder de hofbewoonsters, geen ergernis te geven,
hield zij die stellage in den regel verscholen; eens, op een mooien
achtermiddag, trof ik het toevallig dat zij haar buiten had gehaald
"voor een verfrissching".
En als men dan den blik weer van de vensters naar den algemeenen tuin
wendt, kan men daar kennis maken met de akoly (Aquilegia vulgaris),
met vijf spoortjes, op de wijze als oost-indische kers er een
heeft; een bloem die blijkbaar aan de orde van den dag was, toen de
rederijkerskamer "De witte Akelye" een "zinnespel" vertoonde, ter
eere van ik weet niet recht welk voorval in den "prinsentijd". Daar
staan ook in al hare bescheidenheid de "menniste zusjes" (Saxifraga
umbrosa), wier ondeugende naam mede aan een vroegere periode doet
denken; en de goudsbloemen, die zulk een vermakelijke politieke rol
speelden in de dagen der "Oranjeklanten". Onder den grooten pereboom
in 't midden, die ouderwetsche peren voortbrengt,--even geurig als
menige groote, nieuw veredelde,--groeit en bloeit een struik (Rubus
occidentalis), met donkergroene bladeren en zachtroode bloemen, die men
"kaapsche framboos" noemt, en ook zeldzaam elders meer aantreft; aan
gindsche hoog opgeschoten, paarsbloemige plant zullen in het najaar
zaadhauwen komen, waarvan de tusschenschotten onder den titel van
"Judaspenningen" in de zon gedroogd zullen worden. Ook worden daar
"steekneusjes" (Agrostemma coronaria) gekweekt, en wijnruit, en
rosemarijn, en een soort van salie met afwisselend roode en blauwe
schutblaadjes. Ik zou wel graag eens willen weten hoe de Hollanders
toch aan dien zonderlingen scheldnaam van Jan-Salie zijn gekomen;
namelijk of en hoe dat samenhangt met de Salvia officinalis, welke
in de middeleeuwsche kruidendoos zoo hoog stond aangeschreven, dat
een latijnsch spreekwoord luidde: "Waaraan zal een mensch sterven,
die nog salie in den tuin heeft?"
Waarom toch al deze planten uit de mode geraakt zijn?
Sommigen omdat zij niet mooi genoeg waren. Anderen omdat zij hier niet
"aarden wilden".--Maar dat kunnen niet de éénige redenen zijn. Een
bejaard bloemist zei eens: "Wat ik altijd opgemerkt heb: zoolang er
aan een plant wat te veranderen valt, blijft zij in de mode; zoodra
men daar geen kans meer op ziet, raakt zij er uit." Ik geloof dat
daar veel waars in is. De wedijver der kweekers om nieuwe variëteiten
te leveren, maakt de mode; en de plantensoorten die zich daartoe het
dankbaarst leenen, hebben voor een tijd den boventoon.
Doch op die wijze wordt het aantal der "in den smaak" zijnde bloemen
zeer beperkt; en wie waarlijk Flora liefheeft juist in hare eindelooze
verscheidenheid, dient zich dan schadeloos te stellen door af en toe de
"verouderden" in hare schuilhoeken op te gaan zoeken.