Wanneer Hollanders over Boheme, met name over eene eigen reis
naar Boheme spreken, denken zij daarbij meestal het eerst aan een
badreis naar Karlsbad, met een uitstapje naar Praag, of wel aan het
op boheemsch grondgebied liggende deel van de zoogenaamde "Sächsische
Schweiz". Mij voerden bijzondere omstandigheden een paar jaar geleden
naar een ander hoekje, ook in het noorden van Boheme, maar een weinig
dieper landwaarts in. Mijn tijdelijke verblijfplaats was dicht bij
Trautenau, een welvarend stadje, bekend door de worsteling tusschen
Pruisen en Oostenrijkers in 1866; en van daar maakten wij tochtjes
in den omtrek. Eén daarvan heeft niet alleen voor mij zijne aangename
herinneringen, maar gold eene merkwaardigheid, die hier te lande zoo
goed als onbekend is, de "Weckelsdorfer Felsenstadt".
Op een mooien zondagochtend trokken wij uit; één van het gezelschap
had den weg vooraf bestudeerd, en wij overigen lieten ons leiden. Wel
moesten wij een keer of vijf van lijn verwisselen; ééns een uur wachten
op een trein die te laat kwam, en daarna nog eens twee uur overblijven
aan een station dat midden in het land stond, met een arbeidershut die
voor stationskoffiehuis diende; maar met dat al was 't heerlijk dat
er spoorwegen waren, waardoor wij binnen eenige uren ons doel konden
bereiken. Naarmate de reis vorderde, begonnen wij te bemerken dat de
plaats onzer bestemming eene zeer geliefkoosde zondagsuitspanning was
voor de hoogere en lagere burgerij der omliggende stadjes. Zoo stil
en eenzaam onze tocht in den beginne geweest was, zoo gezellig werd
zij gaandeweg. Elk station leverde nieuw reisgezelschap, en bijna
allen gingen naar Weckelsdorf of Adersbach om "die Felsenpartie zu
machen". Ook het aardige, vroolijke, geheel op den zomer ingerichte
logement, waar wij te Weckelsdorf onzen intrek namen, bleek op die
wekelijksche buitenpartijen voorbereid te zijn. Het was er druk en
levendig, de kamers hadden zoo'n mooi uitzicht, de eetzaal was zoo
lief met groen versierd, er was muziek aan tafel en wij deden ons te
goed aan een bord oostenrijksche soep;--onze leidsman had moeite om
ons allen tot opstaan te krijgen met de aanmaning: "Nu eerst naar de
rotsen,--het is nog een half uur gaans en de zon mag niet te laag
staan, als wij ze goed zien zullen." Het aangenaam vooruitzicht
van des avonds in die zelfde zaal terug te zullen komen, deed ons
eindelijk gehoorzaam meegaan... naar "de rotsen".
Maar wat waren dan toch eigenlijk die rotsen, op een half uur
afstands, waarvan wij nog niets zagen? Onderweg lieten wij het ons
uitleggen. Wij wandelden door een welvarend, heuvelachtig (laat mij
ter vergelijking zeggen Veluwsch) landschap; ginds, als wij dat bosch
achter den rug hadden, zouden wij van zelf de "Felsenstadt" in het
oog krijgen. Tusschen de dorpen Adersbach en Weckelsdorf namelijk
verheft zich, midden in eene betrekkelijk vlakke landstreek, eene
zandsteenformatie van een paar uur gaans in omtrek. Tot voor omstreeks
tachtig jaar werd zij bijna niet door menschen bezocht. De rotsen,
hare zonderling gapende kloven en moeilijk te beklimmen spitsen, waren
met een zoo goed als ondoordringbaar pijnbosch begroeid. Het kappen
van het hout loonde de bezwaren van 't vervoer niet; en ook voor de
jacht werd deze steenmassa als al te gevaarlijk beschouwd. Slechts in
oorlogstijden schijnt zij af en toe tot toevlucht verstrekt te hebben
aan wanhopige vluchtelingen; de sporen van vroegeren menschenarbeid
hier en daar zichtbaar, worden in den regel aan "de Hussieten"
toegeschreven, die in alle oude boheemsche vertellingen eene groote
rol spelen. Daar wij dicht bij het Reuzengebergte zijn, komt natuurlijk
ook de berggeest Rübezahl bij de legenden van de Felsenstadt te pas.
Eensklaps echter, in het begin van onze eeuw, ontstond er in deze
geheimzinnige rotsmassa boschbrand. Wie zich een brand voorstellen
kan in zulk een woud van naaldhout, met zijn oorspronkelijken
harsvoorraad, die doe het. Ik kan er niet van meepraten: ik zag
slechts de gevolgen. En deze waren: dat de rotsen kaal en daardoor
toegankelijker voor menschen waren geworden. Dat toen weldra de
lieden uit den omtrek, nieuwsgierig in dat plotseling geopend
heiligdom der natuur binnendringende, verstomd hadden gestaan
over de vreemde vormen die zij daar aanschouwden. Het weer, het
water, de elkander opvolgende boomgeslachten, die sinds honderden
van jaren daar ongestoord aan 't werk waren geweest, hadden deze
rotsen op allerhande wijzen doorkliefd en gespleten. De regen was er
doorgesiepeld, en de wind had het ééne stuk op het andere geworpen;
en zandsteen is zoo bros en laat zich zoo gemakkelijk boetseeren,
vooral wanneer de reuzenkrachten, die zich daarmee bezighouden,
er hun tijd voor kunnen nemen! En een laatste gevolg was geweest,
dat het bezit der rotsenstad, waaraan zich tot nog toe niemand veel
gelegen liet liggen, nu door den rechtmatigen eigenaar, den landheer,
geregeld aanvaard werd; dat hij de gemakkelijkste toegangen afsluiten
en aan vreemdelingen zonder gids verbieden liet. Weldra werd toen het
vertoonen van de "Felsenstadt" aan beëedigde gidsen verpacht,--en op
aanbeveling van Baedeker en zijne plaatselijk-boheemsche collega's,
neemt in de laatste jaren het aantal bezoekers elken zomer toe.
Wie nu mocht vreezen dat die inmenging der menschen aan het
echt natuurlijke van deze natuurstad veel afbreuk doet, behoeft
zich daarover niet ongerust te maken. Zij mogen hier en daar een
boomstam weggehaald, de hoofdwegen een weinig gelijkgemaakt, op
een gevaarlijk hoekje een hek of een paal gezet, of een schuitje
beschikbaar gesteld hebben om de waterplassen over te steken;
klauterlustige reizigers mogen op moeilijke punten hun naam gegrift,
(of minder klauterlustigen ze door een daartoe aanwezigen verver op
de rotswanden hebben laten schilderen!); orgelmannen mogen verlof
hebben om op de meest indrukwekkende plaatsen een verflauwd Stabat
Mater te spelen, en af en toe moge er op een hoorn geblazen worden,
ter wille van een echo,--aan de eigenlijke rotsvorming zelve heeft de
menschenhand blijkbaar niets veranderd, hetgeen trouwens in de meeste
gevallen eenvoudig onmogelijk zou geweest zijn. En deze rotsvorming is
en blijft toch het voorname doel van het bezoek. De plantengroei is
schraal en onaanzienlijk; behalve in enkele vruchtbare valleitjes,
brengt die weinig tot de aantrekkelijkheid van 't landschap bij:
hoofdzaak zijn de verrassende wendingen, de grillige blokken, de
donkere kloven, welker aanblik bij iederen voetstap verwisselt. Ons
allen boeiden deze tooneelen ontzaglijk; de gids ging vóór, wij
volgden, bijna twee uur lang, nu rechts dan links, en niemand dacht aan
moeworden. Indien men spreekt van een eenigszins vervelende inmenging
van menschen, dan bestaat die misschien daarin, dat de gidsen aan de
meeste eenigszins in het oogvallende rotsstukken namen geven. "Daar
zijn de koornzakken,"--werd ons reeds kort bij den ingang aangewezen,
"daar zijn de kazen", daar is "de kroon", "de wandelende pelgrim",
de "reuzenharp", de "schoorsteenveger"; ginds in de hoogte zit
"de broeiende kip." Ik moet eerlijk bekennen dat dit mij minder
aangenaam aandeed; men had het, dacht mij, wel aan onze eigen
verbeelding kunnen overlaten. Somtijds echter waren de figuren zoo
teekenachtig, dat zij voor zich zelven spraken. "Kijk," riep eensklaps
een van het gezelschap, toen wij een bocht van een smal dal omgingen:
"daar staat Erasmus boven op dien top." "Sanct Johan von Nepomuc,"
zei de gids, die ons natuurlijk niet verstond, sloeg een kruis,
en wees plechtig naar de hoogte. Er werd hartelijk gelachen om die
botsing van de katholieke en de protestantsche zienswijze; maar het
is waarlijk niet te verwonderen dat het volk hier den schutspatroon
van Boheme meent te aanschouwen. Dat groote standbeeld van dien man
met toga en baret, met een boek in de ééne hand, en de andere over
het land uitgestrekt,--spreekt het niet van zelf, dat men hem als
den heilige moet aanbidden? (Welk een groote rol het lichteffekt
echter bij die gelijkenissen speelt, blijkt wel dadelijk daaruit,
dat dezelfde rotspunt, van de andere zijde gezien "der Uhu", de uil,
heet!)--Iets verder maakte ons de gids opmerkzaam op: "de wachtende
rotsbruid". Ditmaal was het goed dat hij ons voorthielp, want wij
zouden de aardige figuur niet gezien hebben; toen wij haar eenmaal
in het oog kregen, trof ons allen dat zinnebeeld van verlangend
wachten. Een driehoekige rotspunt namelijk maakt geheel den indruk
van een lange vrouw, die, vlak op den bergrug gezeten, met uitgerekten
hals in de verte naar iets uitziet.
Weldra kwamen wij aan het "rotsamphitheater", een halfrond dal,
dat werkelijk aan de afbeeldingen van het romeinsche Coliseum doet
denken; in den somberen "grafkelder"; en eindelijk in den "Münster",
een prachtige grot, waar de tonen van 't genoemde orgel, ofschoon
zwak, niet slecht klonken. Een paar allerliefste plekjes waren "de
lentetuin", met zijn frissche varensvegetatie, en "Italië". Dit laatste
heet nl. zoo, in tegenstelling van "Siberië", een kille kloof, waar
nooit zonnestralen doordringen en waar het gansche jaar door sneeuw
ligt;--daaruit tredende, komt men dan onmiddellijk in het warme,
rondom beschutte, rijk begroeide "Italië". Eerst tegen 't vallen van
den avond, juist toen de schaduwen te lang begonnen te worden, was onze
wandeling ten einde. Bij den ingang--thans voor ons den uitgang--stond
een hut, waar men bier en wijn kon krijgen en allerhande snuisterijen,
bestemd voor "welkom t'huis"; getuige de gemoedelijke woorden, waarmee
ze allen prijkten: "Auch in Weckelsdorf gedachte ich Dein." Vóór de
deur, op onze tafel, lag een vreemdelingenboek, en als gewoonlijk
zochten wij daarin naar Nederlanders, die wij echter hier zoomin als
ergens anders in deze buurt ontmoetten. Het plan werd aangenomen om er
een versje in te schrijven, en ten slotte kwamen deze drie coupletjes
tot stand:
Wie zien wil, hoe een schutspatroon
Ontzag wekt en vertrouwen,
Lette op Johan von Nepomuk,
Door de eeuwen uitgehouwen.
Wie voelen wil, wat wachten is,
Trots tijd, en storm, en regen,
Zie opwaarts naar de Steenen Bruid,
En vraag haar stillen zegen.
Wie weten wil hoe grillig-grootsch
Natuur zich kan vertoonen,
Betreê de Weckelsdorfer "Stadt:"
Het zal de moeite loonen.
En dien raad herhaal ik bij deze tot allen, die ooit in de nabijheid
van deze zonderlinge rotsen mochten komen.
Na een vroolijken avond en een rustigen nacht gingen wij den volgenden
morgen de zaak nog eens even van de Adersbachsche zijde bekijken. Bij
Adersbach nl. is nog een tweede toegang, en vandaar uit wordt men door
de andere helft van het rotsgebied rondgeleid. M. i. is intusschen de
Weckelsdorfsche helft de beste, daar zij veel meer verscheidenheid
aanbiedt. De Adersbachsche kant heeft dit vóór, dat werkelijk het
begrip van stad daar het meest tot zijn recht komt. In de lange,
eentonige, slechts nu en dan in breedte verschillende gangen, die
daardoorheen leiden, kan men zich volkomen verbeelden door straten
te loopen. De rotswanden aan weerszijden zijn telkens, op eenige
ellen afstands, gespleten; de doorsiepelende regen heeft er gleuven
tusschen gemaakt, die aan smalle stegen of slopjes doen denken; en
wie dan den donker grijzen steen kent, waarvan reeds te Leipzig en
te Dresden het grootste oude deel der steden opgetrokken is, zal zich
niet verwonderen dat de namen: "lange Gasse", "Prager Jesuïtengasse",
"Breslauer Wollmarkt" enz. hier zeer teekenachtig en gelukkig zijn
gekozen.