KORENBLOEMEN.

De bloem is noodeloos in 't koren, en nochtans,

Daer is geen weer seggen aen: sij geeft de Terw' een glans...

Al ware het alleen om deze vriendelijke pleitrede ten gunste

van de "noodelooze" bloemen, verdient Ridder Constantijn Huygens'

nagedachtenis nog eene warmere vereering, dan die zich openbaart in 't

geven van zijn naam aan eene der meest bloem- en lommerlooze straten

van nieuw-Amsterdam. Ik betwijfel zeer of hij zelf lust gehad zou

hebben, daar te wonen. Hij zou ons spoedig mee getroond hebben naar

Hofwijk, of naar een of ander lievelingspad, waar hij zijn "gestolen

uren van wandelingh" placht te slijten, waar misschien werkelijk het

uitzicht op golvende akkers hem het eerst den titel "Korenbloemen"

voor zijn dichtbundel ingaf en hem, ter verontschuldiging van zijn aan

kunst gewijde dagen en krachten, de zinnebeeldige regelen deed dichten:

Hij meent geen' Korenbloem, die Terw saeyt; verr' van daer;

Hij meent den nootdruft, en hij neemt den oorber waer.

De bloem verschijnt nochtans, en mengt zich onder 't Koren,

Als Gasten, die in 't Mael der Gasten niet en hooren,

En komen ongenoodt, en schikken zich in 't best,

En sien soo vrolick, of wat meer licht, als de rest.

Men leeds'er wel van daen, maer, soo sij 't Mael verblijden

Met haer bevallickheit, soo komt men ze te lijden.

En indien wij dan gaandeweg, tot aandenken, een ruikertje korenbloemen

hadden willen verzamelen, zouden wij zeker al nagenoeg hetzelfde

gevonden hebben, wat thans, na tweehonderd jaar, nog steeds bij

voorkeur in het bouwland groeit: klokjes, winden, leeuwenbekken en

bolderikken, oogentroost en wilde riddersporen, kamille, centauriën

en klaprozen....

Als er van "glans" gesproken wordt, komen de laatsten zeker wel het

eerst in aanmerking. Is er schitterender kleur in de wereld, dan

dat helder-rood waarmede zij tegen het gelende graan afsteken? Zij

leven slechts zeer kort. Wanneer de knoppen openbarsten, en 't

roode kroontje, dat daarin met duizend kreukels opgesloten zat, zich

losmaakt, valt reeds aanstonds de groene kelk af, die 't beschutte,

en de vier blaadjes zijn aan alle wisselvalligheden van weer en wind

overgeleverd. Weldra ziet men ze dan ook her- en derwaats zwerven,

schoon, en zijde-achtig als toen zij nog op hun stengel zaten;... zij

dienen dan des nachts tot dansrokjes voor elfen, heb ik wel eens

hooren vertellen. En behalve door de sage, worden zij vereeuwigd

door 't penseel van elken schilder die zich min of meer gelukkig met

veldbloemen inlaat. Denkt u een "jardinière" zonder haar; denkt u

de doosjes, kistjes, bakjes, portefeuilles, waarmee de winkels van

het vroolijk Spa zich telken jare sieren, zonder eene klaproos als

onmisbaar middelpunt?

Intusschen, onder "korenbloemen" verstaat men doorgaans niet

voornamelijk de rooden, maar de blauwen: die welbekende bloemhoofdjes,

in welker buitenste randbloempjes, (welbezien slechts als peperhuisjes

opgerolde blaadjes), de schoone tint van eenigszins gebroken blauw

ten toon gespreid wordt, dat daaraan den naam van "korenblauw"

ontleent. Aan de blauwe korenbloemen is van oudsher zekere poëzie

verbonden; als ware het bij overlevering hebben wij ze lief; dat elk

ze kent, beter dan zoo menige andere fraaie veldbloem, is daarvan

wel het duidelijkste bewijs.

Heeft zij dit voorrecht, dit prestige, indien ik het zoo noemen

mag, aan zich zelve te danken, aan de eene of andere bijzondere

eigenschap? Och, zij bezit, voor zoo ver ik weet, niets wat ook een

aantal andere gewassen met haar deelen: zij heeft niet eens de gave

van een lieflijken geur. Ik geloof veel meer, dat hetgeen wij in

haar liefhebben het beeld harer omgeving is. Zonder die omgeving

is zij niets. Als "Centaureae Cyanae" in tuinen gekweekt worden,

vindt gij ze dan wel mooi? Gesteld al, dat zij bij de kweeking haar

oorspronkelijke kleur behouden, wat meestal niet geschiedt, (want

doorgaans wordt het blauw òf donkerder òf fletser, of verbastert het

tot vuil-wit of vuil-paars),--gesteld al, dat de kleur zuiver blijft,

dan maken zij toch altijd een onverschilligen indruk. Het grove,

schrale, onbehaaglijke der stengels en der bladeren valt in den tuin

ieder in het oog; in 't veld verschuilt zich dat tusschen de halmen,

en alleen de bloemen komen uit "het golvend bosch" te voorschijn.

En indien wij dan bedenken, dat zij bij voorkeur tusschen rogge

groeien; dat rogge op zandgrond gekweekt wordt; en dat de zandstreken

wel niet de vruchtbaarste, maar zeer zeker de schilderachtigste

gedeelten van ons vaderland uitmaken, dan vereenzelvigt zich voor ons

de schoonheid van de korenbloem met die van het roggeveld.--En dat is?

Wel, dat zijn de lijnen van een eenigszins golvenden bodem, bedekt

met graan, en hier en daar doorsneden door landwegen, en gebroken

door grooter of kleinere boschjes rondom menschen-woningen. Het

is een gezichteinder, afgesloten hetzij in de verte door heuvelen,

hetzij dichterbij door hooge boomen, of de daken en de torens van

een dorp. Het is het mooie Juli-weêr, de helderheid der lucht, de

geelachtige tint der aren, en het volle warme groen van gindsche

olmen. Het is de zonneschijn die alles verguldt, de rust die daar

heerscht om u heen; het koeltje dat er nu en dan alles in beweging

brengt. Het is wat daar groeit en bloeit rondom u, hetzij gij gewoon

zijt daarop meer of min nauwkeurig te letten. Het zijn de honderd

kleine kevers, wespen, torren, mieren, vlinders, die er tusschen loopen

en vliegen, en voor wie gij nu volstrekt niet bang zijt, ziende hoe

druk zij het hebben. Het is de boeren-zwaluw, die een schuurtje in

en uitvliegt, of de patrijs, die juist, met hare jongen achter zich,

het ongelijke, half begroeide voetpad voor u oversteekt. Het is

de haas, die eensklaps u voorbij schiet, en die u dan veel rosser

dunkt dan 's winters. Het is de wagen, die piept in de verte, en

de menschenstemmen die daartusschen klinken op een afstand. Het

zijn de halfgekleede kinderen, die ginds zitten te spelen. Het is

bovenal uw eigen stemming, het gevoel van ruimte, van frischheid,

en nochtans van gezelligheid; en het spel van uw eigen gedachten,

die beurtelings de verte en de diepte indwalen....

Als ge lang zoo'n korenbloem aanziet, dan is het alsof al die blauwe

buisjes tot tooverkijkers worden, waaruit u dat tafereel hoe langer

hoe omstandiger te gemoet blinkt. Dan wordt dat kleine ding voor u

de vertegenwoordigster van een der lieflijkste landschappen.... of

liever, van dat deel er van, dat niet bekend staat bij eenig kadaster,

dat nooit een vasten eigenaar gehad heeft en er nooit een zal krijgen;

maar dat toebehoort aan ieder, die het aanziet met het oog van den

kunstenaar, welke meer of min in ieder onzer leeft!

Natuurfantazieën · 第 51 / 82 题