Hoe zouden wel de meesten mijner lezeressen gestemd zijn, indien
het haar onmogelijk gemaakt werd iets van al de spijzen, die men
"groente" noemt, op tafel te krijgen, tenzij zij ze eerst met eigen
fijne handen dopten, sneden, schoonmaakten? Zeer velen noemen dit
eenvoudig "meidenwerk", dat haar eigenlijk niet aangaat, en waarboven
zij, als 't ware, verheven zijn; en anderen, die er zich somwijlen meê
belasten, beschouwen dit als eenen nuttigen en daarom onvermijdelijken,
maar dan toch altijd zeer eentonigen, geestdoodenden, recht prozaïschen
arbeid, waarmeê zij zoo gauw mogelijk gedaan maken, om zich aan ander,
meer harer beschaving waardig, werk te begeven.
Prozaïsch?--Om te weten of er poëzie schuilt in het een of ander, ken
ik een zeer eenvoudig middeltje, dat meestal op den rechten weg brengt;
ik tracht mij duidelijk te herinneren hoe ik er over dacht als kind.
Mag ik van mijn eigen kindsheid spreken? Ik weet nog heel goed wat
ik voelde, toen ik, vier, vijf, zes jaar oud, aan iemands knieën
erwten stond te doppen. Ik weet dat ik ze telkens weer "zoo mooi"
vond, die schokken, gaaf en glimmend als glacé-leer, en van binnen
nog veel zachter dan een lapje zijde. Ik weet hoe aardig ik het vond,
dat ik ze met zoo weinig kracht kon opendrukken; dat zij juist spleten
daar, waar die twee stijve, lichtgekleurde randjes elkaar raken. En
als de schok dan half geopend in mijn hand lag, met de beide helften
aan de andere zijde nog vereenigd, hoe keurig netjes was dan niet
het inzicht op die zeven, acht of negen erwten, ieder met een kort
wit steeltje, beurtelings op ééne van de beide zijden bevestigd,--die
zich zoo gemakkelijk, juist passend, schikten in die kleine ruimte,
als "veel makke schapen in één stal". Elk nieuw seizoen bekeek ik ze
met nieuwe aandacht, als een fraai stuk speelgoed, dat een jaar lang
weggesloten was geworden. Hoe glommen zij, hoe zacht lichtgroen, hoe
glad en teeder waren zij, "veel mooier nog dan eene rist matglazen
kralen", dacht ik, en dat was anders al het mooiste wat ik kende;
en achteraan herinner ik mij heel goed, iets gevoeld te hebben wat
ik toen niet wist te zeggen, ja niet eens te denken: zij waren meer
dan kralen, want zij leefden!
Evenzoo weet ik o. a. nog heel goed, hoeveel pleizier ik altijd had in
het schoonmaken van Brusselsche spruitjes. Een kind, niet waar? wordt
aangetrokken door miniatuur-namaaksels van dingen, waaraan het gewoon
is. Welk een verrukking was het niet, om bij voorbeeld, bij toeval,
op een étagère het huisraad, gereedschap, servies onzer ouders,
in precies dezelfde vormen, maar veel kleiner afmetingen, weder te
vinden; hoe ging ons hart open als wij eens een goed geproportioneerd
model van een molen of een brug onder de oogen kregen! Zoo troffen
mij ook deze boerenkoolen in het klein. Ik bekeek ze, ik bewonderde ze
elken winter, met evenveel verrukking als de gelijktijdig aangekomen
Sint-Niklaas-figuurtjes. Met evenveel verrukking, plus zekeren
eerbied. Want ziet, ik weet nog dat ik ze voorzichtig aanvatte, en
ze poogde los te maken zonder ze te scheuren, om te zien of hunne
kleine blaadjes evenzoo geaderd waren als de groote bladeren van de
groote koolen. En dan zag ik dat zij daartoe wel den aanleg hadden,
maar dat hun gansche weefsel meer ineengedrongen, "vleeziger" was,
zooals ik het toen noemde. Ik trachtte te begrijpen hoe die witte,
malsche massa, die het hartje van het spruitje uitmaakt, bestemd
kon wezen om tot dunne, fijne, bijna droge bladstof te vergroeien:
ik stond, voor dat ik het wist uit te drukken, nieuwsgierig tegenover
het wonder der natuurlijke ontwikkeling, en gevoelde dat ik voor iets
dieps en schoons stond!
Zoo leerde ik aan penen en radijzen wortels; aan porselein stengels;
aan aspergies uitspruitsels waardeeren; en deze eerste indrukken
hebben het hunne bijgedragen om mij later de natuur zoo innig te
doen liefhebben.
Hebben uw en mijn herinneringen het voornaamste niet met elkander
gemeen? Weet ook gij niet zoo iets te vertellen uit uw kinderjaren?
En waarom zouden dan diezelfde dingen, die ons toen zoo boeiden,
thans "prozaïsch" zijn geworden? Is het beneden onze waardigheid
oog en hart te hebben voor die kleinigheden, als daar zijn erwten
en hun steeltjes, het adernet van spruitjes, of de haren van een
raapsteelblaadje? Maar gij schaamt u immers niet om veel opmerkzaamheid
te wijden aan pareltjes en diamanten en andere fraaie kleine zaken!--Of
is het dat wij sinds die eerste jaren reeds zooveel erwten, boonen,
kool en andijvie-bladen in de handen gehad hebben, dat wij afgestompt
zijn op het punt van hun belangrijkheid, en niet meer vatbaar voor het
schoon van hun détails? Stelt gij dat kinderlijk genot van 't eerste
erwtendoppen gelijk met dat wat u vervulde, toen gij voor het eerst
mocht breien, naaien of een tapisseriepatroon nawerken? Misschien
in zeker opzicht, maar toch niet in alle: niet in zoover wij iets
gevoelden voor de diepte der natuur, en vele vragen zich in onzen
jongen geest verdrongen. Hierin staat een kind veel hooger dan
de meeste volwassenen: het vraagt, vraagt altijd verder. Een kind
voelt onder 't boonendoppen de vraag in zich rondwoelen: wat een
boon toch wel voor een ding is; en wij zijn meestal tevreden met het
praktisch-oppervlakkige bewustzijn, dat zij daar met duizend anderen
vóór ons ligt als eetwaar.
Wij zelven zijn prozaïsch geworden, dat is het. Wij zijn er aan gewoon
geraakt de natuur als onze wettige slavin te beschouwen en hare "ruwe"
voortbrengselen alleen maar te waardeeren in zoover zij onze zeden
en gebruiken, onze huishouding dienen. Als een kind een mand met
fraai gevormde, vriendelijk geschakeerde groenten "mooi" vindt, dan
is het in denzelfden zin als waarin het dat zou zeggen van een doos
met speelgoed of iets anders; als volwassen vrouwen van een "mooie"
mand met sla of rapen spreken, dan is het meestal slechts uit eene
zekere voldoening, dat zij zulk eene groote massa zoo goedkoop hebben
weten te bedingen. Komt dat alleen doordien een kind geen zorgen heeft,
de dingen nog met een vrij, afgetrokken oog kan aanzien, terwijl men
later zoo verdiept is in de zorgen voor het onderhoud des levens,
in het onmiddellijke platte "nut" der dingen, dat er geen greintje
hart meer overblijft voor hunne schoone zijde? Voor mijne meeste
lezeressen kan ik die reden niet vooronderstellen.
De schuld van het eenzijdige prozaïsch worden ligt, geloof ik, voor
de meesten in opvoeding, beschaving, gekunstelde ontwikkeling. De
aangeboren trek bij voorbeeld, die ons in onze kindsheid ingaf dat
"erwten meer zijn dan kralen, wijl zij leven", heeft geleden onder
zekere maatschappelijke conventies, die ons ten naastenbij wijs wilden
maken dat kralen integendeel meer zijn dan erwten, wijl kralen in
't salon en erwten in de keuken t'huis behooren. En boonen, wortelen,
augurken "mooi"? Wat "mooi" is, dat beslist immers de mode? "Mooi" is
een hoed of mantel naar den laatsten smaak, een kostbaar meubel uit een
van de grootste magazijnen; "mooi" zijn heel veel waarlijk bevallige
dingen, maar ook b. v. allerlei chineesche vazen en japansch-verlakte
schilderingen, al deinst ieder gezond menschenoog terug voor haar
gebrek aan perspectief. Een groenteblad, dat door een kind bewonderd
wordt, trekt verder geen opmerkzaamheid: men heeft dat niet voor 't
"mooi", maar om te eten.
Biecht eens eerlijk op. Zijn wij niet allen min of meer slavinnen
geworden van dergelijke opgedrongen denkbeelden?
Ik kan best begrijpen dat de meeste dames het een voorrecht achten
veel van het dagelijks terugkomende huiswerk, en daaronder ook het
schoonmaken van groenten, in den regel aan dienstboden te kunnen
overlaten. Toch, zoodra de omstandigheden u weer een mand met groenten
ter bewerking voorzetten, beproeft dan nog eens te doorleven wat
gij als kind gevoeldet, toen gij voor het eerst de eer had met uw
kleine vingers in een dergelijken voorraad rond te woelen. De rijkdom
der natuur is zoo onuitputtelijk: wie weet of gij er thans, met uw
volwassen oogen, niet nog meer schoons in zien kunt, dan toen!