EENE LINDE.

"Aldaer dat clare water spranc,"

Daer stont een groene linde,

Daer de nachtegael sat en sanc

.........................."

De iepen hebben gebloeid; men heeft het vermoed aan de lichtbruine,

rondom gevleugelde zaden, die als waardelooze dubbeltjes langs de

stadsgrachten zwierven. De els, de berk, de populier hebben reeds sinds

lang hunne sierlijke kwastjes laten vallen, maar wie het niet wist

heeft er niet op gelet. Ook de eik en de beuk hebben gebloeid--in

alle stilte. Alleen van den kastanje hebben alle voorbijgangers

gezien dat hij bloeide. Thans is de bloeitijd van de linde daar;

men ziet het niet, maar men ruikt het.

Laat u toch vooral de kans niet ontsnappen op een wandeling onder de

bloeiende linden, hetzij dan 's avonds, als "de nachtegaal" uit alle

macht in zijne laagste takken zingt, hetzij des daags, wanneer de

lijster juicht en jubelt in de hoogeren. Vergeet voor een oogenblik

alles, en geef u over aan de lucht die u omringt. Laat uw lichaam,

laat uw geest zich vermeien: het is de zomer, dien gij inademt,

de zomermaand, de Juni. Het is deze Juni, en o wonder! het zijn

er eensklaps velen zijner voorgangers, van misschien reeds lang,

lang geleden. Droom en mijmer, en vraag hoe 't komt dat gij zoo

onverwachts u weer verplaatst voelt in een schoone wereld, die gij

sinds lang vergeten waandet? Ik weet het antwoord wel... Dat is de

geheimzinnige weelde der geuren, dat zij ons niet slechts onmiddellijke

vreugde bezorgen, maar tegelijk de fijnste snaren van verbeelding en

herinnering doen trillen. Droom voort, wij zullen u met rust laten;

het is wreed zulk een stemming te storen!...

Ziet, daar is een lindenbloesempje gevallen, een van de duizenden,

waarin die geur ontstaat. 't Is klein en flets van kleur: 't is in zijn

soort al even onaanzienlijk als het vaalbruin vogeltje, waarvan 't ons

ieder jaar op nieuw verwondert, dat zijn kleine keel zooveel muziek

kan voortbrengen. Nochtans, het is een aardig bloempje, niet slechts

een los bloemdek of éénslachtig katje, zooals de meeste woudboomen er

op na plegen te houden: het is een fraai gevormde, geheel volkomen

bloem, met kelk en kroontje, met meeldraden en stampertjes, en ten

overvloede een paar, naar verhouding, reusachtige schutbladen, die,

heel trouw, tot de vruchtjes toe blijven bewaken. 't Behoefde slechts

wat schitterender kleur te hebben: een zacht of helder rood, blauw,

geel, paars, oranje, om tot de mooie bloemen gerekend te worden. Maar

zou de linde zelve er ons liever om wezen, indien haar groen niet

meer het voornaamste aan haar was? Ik kan het niet gelooven. Juist

haar groen is zoo verkwikkend. Het is zulk zuiver blauw-maal-geel,

zonder inmenging van vreemde tinten; slechts aan de stelen van de

jongste bladen schemert er iets roodachtigs doorheen, maar dat zeer

goed met het groen harmonieert. Telkens op twee vingers afstand,

buigt de tak zich beurtelings rechts of links; daar heeft hij een

verdikking, die uitloopt in een hard, reeds bruin geworden randje,

en waaruit tegelijk een bladsteel en een nieuwe knop ontsproten. Aan

deze slanke stelen plooien zich de hartvormige bladeren. 't Is of het

vulweefsel zich gauwer uitgezet heeft dan de aderen bij konden houden:

het voegt zich met eenige ruimte daartusschen. Eéne nerf loopt recht

door naar de punt van het blad, en verdeelt dat in twee ongelijke

helften. Het adernet is bijna tot in 't oneindige verdeeld, zooals

vooral te zien is aan de achterzijde, die fletser dan de bovenzijde

is en eenigszins behaard. De bovenkant is glad als zijde. Zoo goed en

zoo kwaad als het gaat, schikken zich de lindebladen naast elkander;

elk valt een weinig over zijne buren heen; en uit honderden van zulke

takjes te zamen is de schoone ronde kroon gevormd, waaraan eene vrij

uitgroeiende linde reeds in de verte is te kennen.

Linde, de zachte, is haar naam. Zacht is haar loof; zacht is het

geruisch van den wind door haar takken; zacht is haar geur; zacht en

fijn en buigzaam is haar hout. Zij is van oudsher een lieveling der

menschen, onder alle min of meer germaansche volken. Zij was getuige

van het maatschappelijk leven der opvolgende geslachten. De eik is

en blijft een boschboom, met de eigenaardigheden van dien; om hem

te zien in al zijn schoonheid, dient men hem op zijn eigen gebied

te bezoeken. Ook de beuk groeit het liefst daar, waar de natuur

zelve hem zaaide. Maar de linde, waarschijnlijk oorspronkelijk

door menschenhand herwaarts overgebracht,--lindenbosschen komen

nergens voor in deze streken, en haar zaden worden bij ons zelden

rijp,--is aan de menschelijke woonplaatsen gehecht gebleven, heeft

ze beschermd, beschut, versierd, hun lief en leed gedeeld. Ziet

in de dorpen. De dorpslinde is in Duitschland en hier en daar

in Nederland een levende antiekiteit, wier gemis eene pijnlijke

leegte zou laten. Ziet in de steden, in de lente of des zomers,

en vraagt hoeveel de teekenachtigheid van onze stadsgezichtjes

zou verliezen, indien niet rechts of links zoo'n aardig stukje

lindengroen tusschen de muren uitkeek, en hier en daar een mooie

kruin zich verhief boven de huizen. De groene linde is een beeld

van kalme zomeravond-weelde; in oude liederen en gedichten wordt zij

verheerlijkt als de boom der liefde; als veemlinde [3] vertegenwoordigt

zij het burgerlijk rechtsgevoel van vroeger eeuwen; waar linden zijn,

daar is gezelligheid, huiselijk leven. Het oog begroet haar daarom,

misschien onbewust, met een dubbel genoegen. Wij zien er haar op aan:

de knoestigheid van haren stam doet geen kwaad aan haar vriendelijk

karakter; de kleine blaadjes, welke uit die knoesten aan zijn voet

ontspruiten, maken hem des te behaaglijker. Het is of zij daar groeien,

opdat kleine kinderen er mee zouden spelen, terwijl oudere lieden

rusten in zijn schaduw!

In de schaduw.--Onlangs sprak ik met een Italiaan. Hij was vol

bewondering voor onzen hollandschen tuinbouw, onze bloemheesters, onze

bolgewassen. Maar wat hem bevreemdde, wat hij eigenlijk vrij gek vond,

was dat hier in het Noorden, "waar men toch al zoo weinig zonneschijn

heeft", zooveel hooge boomen gekweekt worden, "die het beetje, wat

er is, nog onderscheppen". Trouwens, op alle italiaansche prentjes,

met de meest beroemde gezichtspunten, ontbreken boomen. "'t Is omdat

wij den zonneschijn te lief hebben," was zijn uitleg daarvan.

Waarlijk, ook ik heb den zonneschijn lief, al is het dan slechts

onze noordsche. Maar mij dunkt juist, dat hij dubbel schoon wordt,

dubbel schilderachtig en behaaglijk, waar hij op duizenderlei wijzen

wordt gebroken en weerkaatst en opgevangen, en bij beetjes doorgelaten

door het groene loover, dan waar hij op zijn eigen houtje platweg op

de dingen schijnt. Zelfs de somberheid der sparrebosschen heeft haar

heerlijkheden, zoolang men omhoog, en af en toe van verre, den vollen

glans van het licht ziet; en zich te koesteren in de zonnestralen is

des te verkwikkender, wanneer de blik mag rusten op een achtergrond

van lommer. Hoe oneindig meer verscheidenheid en rijkdom is er in een

landschap met dan zonder boomen!... Ik ben nooit in Italië geweest. 't

Kan zijn dat men daar lichteffekten heeft zoo schoon, dat zij het gemis

aan hout vergoeden. Maar intusschen: leve in ons land het bosch, in

welken vorm dan ook! Leve de eik, de beuk, de spar, de esch en wat daar

verder groene takken omhoog heft! Leve niet het minst de groene linde!

Natuurfantazieën · 第 45 / 82 题