Wie onzer, zonder nadere aanduiding, over arenden spreekt, bedoelt
daarmede doorgaans een dier welbekende luchtbewoners, die zich
door hun grootte, hunne kracht, hun scherp gezicht, de statigheid
van hunne vlucht en misschien ook door de onbereikbaarheid hunner
woonplaatsen, van oudsher den naam van koningen der vogels verwierven,
tot zinnebeeld geworden zijn van heerschappij en hooge waardigheid,
en, ondanks hun gevreesde roofzucht, de reputatie genieten van zekere
"edele" eigenschappen te bezitten. En hetzij men daarbij dan het
meest denkt aan den steenarend, den goudarend of den keizersarend,
(en zich wellicht verwondert dat die laatste titel aan de kleinste
en minst sterke dezer drie soorten toebehoort), hetzij men zich
de zuid-amerikaansche harpijen, den afrikaanschen kuifarend of den
australischen kegelstaart voorstelt;--men meent in ieder geval vogels,
die ver van hier, in berglanden, de schrik zijn van lammeren, hazen
en soms kinderen, maar waarmede wij in ons plat, tam, kalm Nederland,
strikt genomen, niets te maken hebben. Hoogstens kunnen wij ze gaan
zien in Artis.
Toch zijn er ook inlandsche arenden. Soms gebeurt het, des winters,
dat de groote zeearend, die in grootte en kracht bij geen steenarend
onderdoet, op reis van de poolstreek naar Noord-Afrika, over onze
vlakten een strooptocht onderneemt. Het is en blijft intusschen eene
zeldzaamheid, dat men er zoo een vangt of schiet,--een uitzondering,
die door de verbazing welke zij opwekt, den regel bevestigt, dat
zulke reuzen bij ons niet t'huis behooren. Maar er is nog eene andere
soort, de helft kleiner, en nochtans toegerust met al datgene wat
een echten arend kenmerkt, die aan onze kusten dikwijls voorkomt:
de visch-arend. Zoo een heb ik er, een jaar of wat geleden, in onzen
tuin opgeraapt.
Het was in den voorzomer. Een paar tamme zwanen had op een, door een
wilgenboschje beschutte plaats, in den rietzoom van een zoogenaamd
zwin, zijn nest gemaakt: een wijde, ondiepe mand van riet, biezen en
watergras. De blanke ouders hadden reeds verscheiden weken hun geduld
geoefend: vijf jongen lagen in het nest. 't Waren leelijke diertjes met
hun grauw dons en hunne onbehouwen figuurtjes; doch daar zij gelukkig
niet, zooals Andersen's beroemde zwaantje, onder jonge eenden verdwaald
waren, maar rustig onder moeders vleugels groot en mooi konden worden,
hadden zij daar weinig last van. De bescherming van de zijde der
ouders was intusschen wel noodig, zooals bleek uit het geval met den
arend. Sinds een dag of wat namelijk, hadden wij hoog in de lucht
een grooten vogel zien vliegen, en dikwijls verscheidene minuten
onbeweeglijk op dezelfde plek zien zweven, zooals arenden plegen te
doen. Een paar malen, 's avonds bij zonsondergang en 's morgens zeer
vroeg, hadden wij een ongewoon geschreeuw gehoord, dat wij aan dien
vreemdeling toeschreven; en eens had het gegil der zwanen, die zich
anders zelden lieten hooren, ons doen vermoeden dat deze met hem slaags
waren. Daarna merkten wij niets meer van hem; maar een week later bleek
de onderstelling juist te zijn geweest, daar de indringer dood in het
riet werd gevonden, op een pas of tien afstands van het zwanennest. In
huis gehaald en goed bekeken, bleek hij tot de genoemde vischarenden
te behooren. Zijn kleur was, in het kort gezegd, wit met bruin, in
verschillende donkere schakeeringen; hij had, als alle roofvogels,
een krommen snavel en een zeer duidelijk herkenbare blauwachtige
washuid. Zijne pooten, met vier, bijna in het kruis staande teenen,
hadden ruwe grove schildjes en ronde kromme nagels, zoodat men zich
gemakkelijk verbeelden kan, hoe gevaarlijk zijne aanvatting is voor
zijn slachtoffers. Wat dezen aangaat--ofschoon het in verscheidene
boeken staat, dat de vischarend zich uitsluitend met visch voedt en
andere dieren met rust laat, zoo was het toch voor ons boven allen
twijfel verheven, dat hij het ditmaal op de jonge zwanen gemunt had
en toen door de ouden onschadelijk gemaakt was. Trouwens de naam van
"Eendendooder", waaronder een onzer werklieden hem dadelijk herkende,
bewijst wel dat hij ook als wilddief bekend staat. Het spijt mij
altijd dat ik hem niet heb laten opzetten. Een zijner vleugels heb
ik lang bewaard; deze was omstreeks zoo groot als eene ganzewiek,
maar slanker van bouw.